‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’ Eindhovends Dagblad, 21 maart 1999

Eindhovends Dagblad, 21 maart 1999

Als je beroep een nachtmerrie wordt. Daarover spreken verpleegkundigen in twee boeken die volgende week verschijnen. Ze vertellen over hun traumatische ervaringen met dood en agressie. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’.

‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’. Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkt nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar:

‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. ‘Rustig aan, kalm blijven’, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos.’ ‘Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, ligt ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar één gedachte: ‘weg van hier, naar huis’. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik wil niet met hen praten. Ik schaam me te erg.’ ‘Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weet dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is één van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken Geraakt (psychiatrie) en Geschokt (algemene gezondheidszorg) van de klinisch psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. ‘Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen. Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of de zelfmoord van een patiënt: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt’, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging.

Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er -’s nachts letterlijk en figuurlijk alleen voor staat. Ze voelen zich onveilig. Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

Ceciel heeft nachtdienst:
‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname- afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gil, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.’ Meer dan de helft van de ondervraagden uit de NU’91-enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. ‘Ongelofelijk en onbegrijpelijk’, vindt beleidsmedewerker Bogers van NU’91.

De gezondheidszorg loopt op het gebied van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe een psychiatrisch patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadegeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van getraumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recente studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaar beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen.

Het meest diepgaand onderzoek is een studie uit 1994 van de Utrechtse psycholoog Peter van der Velden en verpleegwetenschapper T. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot dreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de veertien bedraagt. De slachtoffers van geweldsdelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide- incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘Zijn ze al afgelegd?’
Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer: ‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (…) de spanning loopt bij mij steeds verder op. ‘Doe ik alles wel goed?’ Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’ Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die lieve snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: ‘dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan’. Pieter moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van een deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijdens de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd?’, vraagt de ochtenddienst. ‘Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: ‘O, dat is misschien wel wat zwaar geweest’. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim, een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

Hoeveel verpleegkundigen hun beroep vaarwel zeggen ten gevolge van een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna een op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: ‘De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.’

Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams en tijdige signalering en goede begeleiding van verpleegkundigen, en in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek Geen tijd om aardig te zijn, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben besefd, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden ze verdrongen had. Buis: ‘Omdat ik als verpleeghulp vaak geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.’

‘Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.’


Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50
Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00
Beide boeken verschijnen 25 maart.

‘Taboe medische fouten doorbroken’ Netwerk, 18 mei 2004, 20.30u

Netwerk, 18 mei 2004, 20.30u

door W. van der Horst (Avro)

In Netwerk spreken drie medici voor het eerst openlijk over hun fouten. Bij twee van hen was de medische misser zelfs fataal. Er rust een groot taboe op het onderwerp: artsen die medische fouten maken, komen daar vaak niet openlijk voor uit.

‘Gewoon fout’
Longarts Piet Postmus, dermatoloog Jannes van Everdingen en ex-huisarts en hoofdredacteur van het blad Medisch Contact Ben Crul, vertellen over hun betrokkenheid bij een medische fout. Van Everdingen: “Na de fout ging ik de patiënt medeschuldig maken, omdat ik vond dat hij me op een dwaalspoor had gebracht. Maar als je de zaak ‘sec’ bekijkt, ben ik gewoon fout. Er viel de patiënt niets te verwijten.”

Reputatieschade
Artsen houden in de regel hun mond over fouten. Volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen komt dat, omdat de artsen bang zijn voor reputatieschade. “Als je een foutje maakt op een kantoor dan is dat jammer, bij een arts stopt soms het leven en zijn carrière.” Ook verzekeringsmaatschappijen zijn niet happig op openheid.

Taboe doorbroken
“Op een bepaalde manier wordt hier een taboe doorbroken,” zegt de voorzitter van de Orde voor Medisch Specialisten, Pieter Vierhout. Hij pleit in Netwerk voor meer openheid over medische fouten. “Eerlijkheid maakt dat je de patiënt inzichtelijk maakt wat er gebeurd is. Dat hij het begrijpt en niet het gevoel heeft dat hij belazerd wordt. Maar we moeten de patiënt vooraf ook duidelijk uitleggen wat er fout kan gaan. Wij zijn feilbaar.” Volgens Vierhout voorkomt openheid in veel gevallen een rechts- of tuchtzaak.

‘Uit de praktijk’
Huub Buijssen en Suzanne Buis schreven een boek met ervaringsverhalen van artsen en een handreiking voor zelfhulp en nazorg bij psychotrauma’s in de zorg. In de bundel wordt ook aandacht besteed aan medische fouten. Het boek heet: ‘Uit de praktijk: Indringende levensverhalen van artsen. En een gids voor zelfhulp en nazorg na incidenten.

Sneller Beter
Minister Hoogervorst van Volksgezondheid, de Orde van medisch Specialisten en de ziekenhuisvereniging NVZ willen de kwaliteit en efficiency van ziekenhuizen verbeteren. Daartoe is president-directeur Willems van Shell vandaag geïnstalleerd om onderzoek te doen naar veiligheid in de zorg. Hij wordt speciale ‘gezant’ van het programma Sneller Beter.

‘De blauwe plekken van de verpleging’ Brabants Dagblad, 13 maart 1999

Verpleegkundigen staan dagelijks bloot aan geweld en bedreiging
De blauwe plekken van de verpleging
Door Paul Bolwerk

Als je beroep een nachtmerrie wordt. In twee boeken die deze maand verschijnen, schrijven verpleegkundigen hun traumatische ervaringen met dood en agressie van zich af. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’. ‘Even uithuilen, een kop koffie en op naar de volgende patiënt.’

‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’.

Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkte nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar: ‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. Rustig aan, kalm blijven, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos. Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, lig ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar een gedachte: weg van hier, naar huis. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik schaam me te erg. Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weer dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is een van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken ‘Geraakt‘ (psychiatrie) en ‘Geschokt‘ (algemene gezondheidszorg) van de klinische psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. “Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen”, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging. “Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of zelfmoord: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt.” Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er ’s nachts letterlijk en figuurlijk allee voor staat. Ze voelen zich onveilig.

Zwoele avond
Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

Ceciel heeft nachtdienst:
‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname-afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gril, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.
Meer dan de helft van de ondervraagden uit de Nu’91- enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. “Ongelofelijk en onbegrijpelijk”, vindt beleidmedewerker Bogers van Nu’91. De gezondheidszorg loopt op het gebeid van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe en psychiatrische patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

Alarmsysteem
De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van traumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recent studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaat beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen. Het meest diepgaand onderzoek is een studie ui 1994 van de Bossche psycholoog van der Velden en verpleegwetenschapper t. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot bedreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Hulp
Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de vierteen bedraagt. De slachtoffers van gewelddelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide- incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘Zijn ze al gelegd?
Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer:
‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (..). De spanning loopt bij mij steeds verder op. Doe ik alles wel goed? Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’
Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die live snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: Dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan.’ Piet moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van de deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijden de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd? ,vraagt de ochtenddienst. Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: O, dat is misschien wel wat zwaar geweest. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim en een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

Hoeveel verpleegkundigen hun beroep vaarwel zeggen na een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna ene op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: “De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.” Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Voorkomen
Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams, tijdige signalering, goede begeleiding van verpleegkundigen, in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek ‘Geen tijd om aardig te zijn’, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben beseft, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden verdrongen had. Buis: “Omdat ik als verpleeghulp geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.” “Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.”

——————————————————————————–

Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50
Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00
Beide boeken verschijnen 25 maart.

 

‘Verpleegkundige wil niet als kneus overkomen’ Het Parool 6 -02-95

Psycholoog bepleit opvang na schokkende voorvallen

Verpleegkundigen maken vaak ingrijpende gebeurtenissen mee waartegen ze niet zijn gewapend. Psycholoog Huub Buijssen schreef er een boekje over: Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – als je beroep een nachtmerrie wordt. Bij de beroepsgroep is het enthousiast ontvangen. Eindelijk erkenning.
Door ROELFIEN SANT

DEN DOLDER – ‘Het is mijn laatste avond van de nachtdienst. Om half drie schiet me plotseling te binnen dat ik nog niet naar het lek in de kelder ben geweest. De kelder heeft een zijdeur waardoor de bewoners na elf uur het verpleeghuis binnen kunnen komen.’ (…) ‘Als ik de kelder binnen ga, voel ik plotseling dat er iemand achter me staat. Voordat ik om kan kijken pakken twee handen me beet. Mijn eerste gedachte is dat het een collega is die een grap uithaalt. Ik kijk schuin over mijn schouder en zie een vrij grote, blonde man. Ik schrik enorm. Puur uit angst geef ik een keiharde gil. De man verslapt zijn greep, ik ruk me los en zet het op een lopen. Ik neem de trap en ren de eerste verdieping. Ik ben gepakt, er was iemand in de kelder, breng ik met moeite uit tegen het nachthoofd.’ “Deze traumatische ervaring heeft eigenlijk niks met het vak te maken.” Zegt Buijssen. “Verpleegkundigen in grote verpleeghuizen of psychiatrische inrichtingen hebben steeds vaker te maken met insluipers. Maar er was meer. Deze vrouw is hierdoor totaal van slag geraakt.” “Ze stuurt de ondernemingsraad een briefje met voorstellen voor extra beveiliging en wil, omdat er allerlei verhalen over het incident de ronde doen, een verslag schrijven in het mededelingenblad van het verpleeghuis. De directie verbiedt het. De leiding wil het voorval, dat vier maanden eerder plaatsvond, niet weer alle aandacht te geven. Het slachtoffer voelt zich hierdoor onbegrepen en geïsoleerd. Ze zoekt en vindt na vierteen maanden een andere baan. Maar de gebeurtenis blijft haar achtervolgen. Na vier jaar is ze er nog niet overheen.”

Huub Buijssen werkt bij de H.C. Rümke Groep in Den Dolder met psychiatrische patiënten. Daarvoor was hij onder meer werkzaam als psycholoog bij de kruisvereniging in Breda. “Als verpleegkundigen hun vak goed willen doen, moeten ze hun emotie niet wegdrukken. Je moet je in de patiënt kunnen verplaatsen. Maar als je je gaat inleven ga je ook een beetje van ze houden. Dat maakt je enorm kwetsbaar. Verpleegkundigen hebben het meest met de patiënt te maken. Bijna niet een verpleegkundige heeft een rimpelloos verleden.” “Verpleegkundigen hebben meer dan anderen te maken met mensen in een kritieke situatie in hun leven. Je kunt hun in de opleiding voorbeelden geven van wat anderen is overkomen en vertellen wat ze moeten doen als een collega of zijzelf iets aangrijpends meemaken.” “Het wezen van een trauma is dat er twee sterke krachten opgang komen: de beelden van het gebeurde die zich aan je opdringen en de kracht die beelden te willen verdringen. Die laatste kracht is het sterkste en wint het vaak als de omgeving bepaalde signalen niet opvangt. Bij de verpleegkundigen is er vanaf het begin van de opleiding ingestampt dat ze er zijn voor de patiënten. Dat maakt het moeilijk voor jezelf op te komen, helemaal als het gedrag van een patiënt de oorzaak is van je ellende.” In 1992 werd in Amsterdam het derde wereldcongres gehouden over traumatische gebeurtenissen. Buijssen woonde dat bij als freelance korpspsycholoog van de gemeentepolitie Breda. “Er waren voordrachten over traumatiserende ervaringen van brandweerlieden, politiemensen, treinmachinisten, reddingswerkers, soldaten, maar niet over verpleegkundigen. Dat verbaasde me. Ik heb toen in Verpleegkundige Nieuws een artikel over het onderwerp geschreven. Daarop kwamen zoveel reacties dat ik besloot er een boekje over te maken.” Buijssen is nu bezig een zelfde soort boekje te schrijven, maar dan voor artsen. “Het was niet zo eenvoudig om aan praktijkverhalen te komen. In de medische wereld praat men niet graag over wat er fout gaat. Het blijkt voor verpleegkundigen heel moeilijk om uit de anonimiteit te treden. Sommigen waren bang voor problemen met hun werkgever. Praten over schokkende gebeurtenissen wordt door de leiding van de instellingen vaak gezien als de vuile was buiten hangen.”

“De meeste verpleegkundigen die ik sprak wilden niet meewerken omdat ze zich schaamden over wat hun was overkomen. Die schaamte kon zelfs niet weggenomen worden als ik toezegde hun naam niet te vermelden en enkele basisgegevens te veranderen om zo de kans op herkenning tot een minimum te beperken.” “Bij banken, bij de politie, kortom in tal van organisaties is een beleid ontwikkeld voor de opvang van personeel dat geconfronteerd is met een schokkende gebeurtenis. Bij gezondheidsinstellingen ontbreekt dat grotendeels. Voor een deel heeft dit te maken met de verzwegen opvatting binnen deze instellingen dat verpleegkundigen bestand dienen te zijn tegen schokkende gebeurtenissen en anders niet geschikt zijn voor het vak.” “Het is al te optimistisch gedacht dat verpleegkundigen zelf aan de bel trekken als ze psychisch in de knel zitten. Uit onderzoek blijkt dat juist de personen die er slecht aan toe zijn geen hulp vragen. Veel verpleegkundigen zijn bang voor kneus of softie te worden uitgemaakt. De belangrijkste reden voor hun zwijgen is echter dat ze schrikken van hun eigen gevoelens. Ze herkennen zichzelf niet meer.” Buijssen pleit voor een betere voorlichting en voor speciale opvangteams in de instellingen. “Het probleem is dat opvangteams geld kosten. Op de leden zal ook buien diensttijd een beroep worden gedaan. Dat moet gecompenseerd worden in tijd of geld, en financiële speelruimte is er bij de gezondheidsinstellingen niet.”

H. Buijssen: Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – als je beroep een nachtmerrie wordt, uitgeverij De Tijdstroom, ƒ24,50.

Als je beroep een nachtmerrie wordt – Zaanse krant

Door Patricia van der Zalm

Herhaaldelijke confrontatie met pijn, ellende en dood wordt in de verpleging gezien als beroepsrisico. Je moet er maar tegen kunnen, anders lijk je niet geschikt voor het vak. “Maar angst, schaamte mislukking, schuld, paniek en verdriet zijn voltrekt normale reacties op abnormale belevenissen”, vindt de Utrechtse psycholoog Huub Buijssen. Over emotioneel schokkende gebeurtenissen binnen de ziekenhuismuren schreef hij het indringende boekje ‘Traumatische ervaringen van verpleegkundigen’ met de veelzeggende ondertitel ‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’.

Nooit eerder meent Buijssen – werkzaam bij de Rümke Stichting in Den Dolder – is er een beeld geschetst van wat verpleegkundigen (en artsen) in hun werk moeten meemaken. De emotionele zwaarte van het beroep is nooit eerder onderzocht, laat staan op schrift gesteld. Terwijl voor aanpalende ‘trauma- beroepen’ als politieman/vrouw, brandweerman/vrouw en treinmachinist (vanwege zelfmoordenaars die voor de trein springen) al jarenlang hulp en opvang is geregeld. Het is hoog tijd, vindt Buijssen, om ook verpleegkundigen praktische trainingen en spoedcursussen te geven. “Daarmee laat je als leiding van een zieken- en verpleeghuis zien dat je het belangrijk vindt en dat je het beroep en de medewerkers serieus neemt.” In ziekenhuizen blijkt over het algemeen weinig aandacht te zijn voor de emotionele zwaarte van het beroep van verpleegkundige, verzorgende en arts. Een kwestie van traditie, lijkt het.

Bang
“Lijden en dood, daar word je geacht tegen te kunnen. Maar als een psychiatrische patiënt je bijna wurgt, kun je je daar moeilijk op voorbereiden. Dan moet je heel sterk in je schoenen staan of heel onverschillig tegenover je leven. Verpleegkundigen zijn vaak beschroomd om te vertellen dat ze totaal van de kaart zijn, bang om erop te worden aangekeken, bang om er niet meer bij te horen, bang om te falen.”

“Daarom proberen zo vaak eerst met zichzelf in het reine te komen. En juist dan kan het goed mis gaan. Volstrekt normale reacties overigens op abnormale gebeurtenissen. “Traumatische incidenten zijn volgens Buijssen bedreigend ‘want ze raken direct je eigen angsten, zeker als het kinderen betreft’. Het is niet per definitie de ingrijpende gebeurtenis die traumatiseert, maar vooral de situatie waarin die zich voordoet. “Van twee mensen die met een griepbacil in aanraking komen, krijgt de een griep, de andere niet. Hoe en trauma aankomt, hangt af van de persoon, de omstandigheden, de reacties van de omgeving en de opvang.”

Dat brengt Buijssen op de onbewust motieven om een bepaald beroep, bijvoorbeeld de verpleging te kiezen. “Een tekort aan aandacht en interesse als kind of een nare gebeurtenis van vroeger is voor sommigen juist reden om later voor de verpleging te kiezen. Ik ken een gezin waarin de vader last had van epileptische aanvallen; voor kinderen kan dat heel beangstigend zijn. Drie van de vier kinderen uit dat gezin zijn, toeval of niet, in de verpleging gegaan. Een verpleegkundige wiens moeder vroeger zelfmoord heeft gepleegd, kan bij een soortelijke situatie in zijn werk finaal instorten. Ineens kan het te veel zijn.”

In het verlengde ligt: iemand die als kind is mishandeld, kan een partner kiezen die hetzelfde doet. “Het is spannender en vooral een manier van verwerken van vroeger leed: als ik die partner verander, krijg ik grip op mijn eigen verleden. Pathologische (partner -of beroeps) keuze heet dat. Maar meestal werkt dat niet.” In Nederland werkt ongeveer een kwart miljoen mensen in de gezondheidszorg. Traumatische gebeurtenissen liggen op de loer. In het boek vertelt iemand hoe een ernstig zieke patiënt er ondanks de veelvuldige controles toch in slaagde zich in de badkamer de hals door te snijden. Tijdens die controles bezorgde de man de verpleegkundige’ een heel vreemd gevoel. Hij is niet verward of onrustig, maar juist heel kalm en berustend’, reden om elk kwartier te gaan kijken. De personeelsbezetting is die nacht minimaal, de telefoon gaat, de patiënten moeten tegen het ochtendgloren gewassen worden en die aandacht voor ‘ meneer T,’ verslapt even. Dan gaat het ineens snel. De verpleegkundige trekt de badkamerdeur open en kijkt recht in het gezicht van meneer T.’ We kijken elkaar aan maar hij ziet me niet. Hij hangt op de wc, want zitten kun je het niet noemen. Hij is naakt en zit helemaal onder het bloed’. Hij overlijdt. De dienstdoende chirurg reageert: ‘Hoe hebben jullie zoiets nou kunnen laten gebeuren? Dat noemt zich dan verpleegkundige’. Ze hield een dagboek bij. ‘Woensdag 5 september 1991. Help! Vanochtend heb ik een patiënt dood laten gaan. (..) Het is mij schuld. Het was mij patiënt. Hoe moet ik mezelf verantwoorden? (..) Oh God, ik ben zo bang voor de afdeling, de patiënten. Kan ik het werk nog wel aan?’ ‘Dinsdag 11 september 1991. Uit de autopsie is gebleken dat de heer T. is overleden ten gevolge van het ongeval. (…) Ik heb vanmiddag het schaartje gevonden. Ik heb het met een pincet in een envelop gedaan. Er mochten geen vingerafdrukken van mij op komen. Ik heb het goed verborgen want het is bewijsmateriaal. Word ik nu echt gek?’ De opvang is niet moeilijk, vindt Buijssen. “Maar het moet wel geregeld worden. Voorwaarde is dat een afdelingshoofd begrijpt waar het over gaat. Er moet geen sfeer heersen waarin gevoelens als gezeur worden afgedaan. Je zou trouwens zeggen dat verpleegkundigen goed getraind zijn in gesprekstechnieken, maar ze vragen niet door. Ze willen juist helpen, niet confronteren.”

‘Traumagesprek’
En toch: dezelfde energie die wordt gestoken in goed bedoelde opmerkingen als ‘het leven gaat door, kop op, het slijt wel’ kan net zo goed worden gebruikt om te vragen: ‘vertel eens wat je dwars zit’, vindt Buijssen. “Bij psychisch lijden wordt vaak om de pijn heen gedraaid. Maar als iemand een doorligwond heeft, behandel je toch die wond en niet zijn tenen?” Dus waarom geen ‘traumagesprek’ voeren in plaats van een gesprek vol troostende woorden die niet echt helpen?

“Liefst binnen 24 uur, ook als iemand in een shock verkeert. De essentie van een trauma is dat twee tegenpolen om voorrang strijden: de beelden van wat er is gebeurd en de wens om die beelden te verdringen. Als er niet snel over wordt gepraat is de kans groot dat iemand het voorval gaat verdringen, dat de beelden vervagen maar niet verdwijnen. Vertellen, dus. Zeker een keer het hele verhaal, maar liefst heel vaak. Anders is het gevolg: slecht eten, slecht concentreren, slecht slapen. Een trauma lijkt wat dat betreft op een hevige verliefdheid.”

Illustratief is het volgende voorbeeld uit het boek. Een verpleegkundige, betrokken bij een hartstilstand van een patiënt en vergeefs herstellen van het hartritme (‘de man had van de ingreep zelfs brandwonden op zijn borst gekregen en vroeg: ‘alstublieft zuster, niet meer doen’, maar ik ging door; ‘het moet echt, meneer, voor uw eigen bestwil’) had wel door de grond willen zakken toen ze later de hevig huilende echtgenote van de overleden patiënt zag. ‘Op dat moment wenste ik dat de grond zich voor mijn voeten zou openen zodat ik kon verdwijnen. Want het was mijn schuld. Er gebeurde iets in me; ik verstarde. Ik heb er niet meer over gepraat, jarenlang niet. (…) ik heb maandenlang nachtmerries gehad; het was iets dreigends maar ik kon het nooit in beelden pakken. Ik werd altijd drijfnat en met hartkloppingen wakker.’

——————————————————————————–

Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt, Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht, f24,50

‘Misplaatste flinkheid breekt verpleegkundige op.’ De Volkskrant, 12 juli 1999

Van onze verslaggeefster
Ellen de Visser
UTRECHT

Verpleegkundige Mathilde Bos had nog nooit een dode gezien toen ze vlak na haar diplomering op een psychiatrische afdeling ging werken. Tijdens een van haar eerste nachtdiensten kwam ze voor een gesloten douchedeur te staan. De douche liep, ze wist meteen dat er iets ernstig mis was. Een patiënt bleek zich te hebben opgehangen aan de ceintuur van zijn ochtendjas. Toen ze de deur opende, lag hij in zijn strop. Ze maakte de reeks nachtdiensten af en vroeg daarna overplaatsing aan naar een andere afdeling. Sindsdien heeft ze nooit meer een nachtdienst gedraaid. Met haar collega’s sprak ze niet over de reden van haar vertrek. Nu, vijftien jaar later, heeft ze nog altijd last van de gebeurtenis. ‘Ik herinner me nog de paniek voor de deur.’ Wijkverpleegkundige Renze Vink werkte al een paar jaar op een consultatiebureau toen ze een op het eerste gezicht gezonde baby onder ogen kreeg. De moeder maakte zich ernstig zorgen, Vink stelde haar gerust. De volgende dag overleed het kind. ‘Ik heb echt niet gezien dat de baby ziek was’, zegt ze. ‘En toch voelde ik me zo schuldig. Hoe kon ik mijn eigen ogen nog geloven?’ ze stuurde de ouders een condoléancebrief, maar zij wilden haar niet zien. Een week later diende ze haar ontslag in. Misplaatste flinkheid. Zo karakteriseert beleidsmedewerker M. Bogers van vakbond Nu91 de beroepshouding van verpleegkundigen. ‘Even naar de wc om uit te huilen en dan diep ademhalen en verder. Ze eisen van zichzelf dat ze snel de draad weer oppakken.’ Uit een enquête van Nu91 blijkt dat velen daar moeite mee hebben.

Een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om een traumatische gebeurtenis achter zich te laten. Zij lijden vaak aan een posttraumatische stress-stoornis. De nazorg is gebrekkig: de verpleegkundige moet meestal na een kop koffie en een sigaret weer aan het werk. Bogers: ‘Het idee heerst nog altijd dat emotionele gebeurtenissen nu eenmaal bij het vak horen en dat verpleegkundigen daar maar tegen moeten kunnen.’ Ook de werkdruk speelt een rol. De tijd ontbreekt vaak om rustig met een collega te praten. ‘Het circus draait door’, zegt Bos. ‘Voor collega’s is het een incident. Bij jou zit het in je lichaam.’ De reactie op een trauma is volgens Vink des te heftiger als een verpleegkundige het gevoel heeft een fout te hebben gemaakt. ‘Een ambulancebroeder mag emotioneel reageren na een mislukte reanimatiepoging. Maar wat moet een verpleegkundige die vergeet het bedrek omhoog te doen waardoor een patiënt uit bed valt, of die een tienvoudige dosis inspuit? Dat is pijn waar niet mee valt te scoren. En dat is waar verpleegkundigen zo bang voor zijn. Maar je bent God niet, het gebeurt.’ Vink werd na haar gemiste diagnose door de thuiszorginstelling ontboden. De ouders hadden een rechtzaak aangespannen, Vink kreeg zwijgplicht opgelegd en wil dan ook niet met haar echte naam in de krant. ‘Ik zie de manager nog woedend en met opgeheven wijsvinger voor me staan. Jij hebt geen fout gemaakt, riep ze. Dat heeft me erg veel pijn gedaan. De organisatie moet achter je staan, vragen hoe het met je gaat, en niet uit angst voor de goede naam je fout ontkennen.’

Hoe heftig de ervaringen van verpleegkundigen zijn, blijkt uit de verhalen die klinisch psycholoog Huub Buijssen heet vermeld. Verpleegkundigen schreven hem over de meest uiteenlopende onderwerpen: het sterven van een kind, zelfmoord, agressie van patiënten, de eerste keer een overledene afleggen, alleen in de lift met een patiënt die bijna stikt, in het holst van de nacht met een lijk naar het mortuarium. Buijssen stelde samen met een verpleeghulp Suzanne Buis vier boeken samen over het onderwerp. Geschokt (over de somatische zorg) en Geraakt (over de psychiatrie) verschenen vorige maand (Elsevier/ De Tijdstroom; ƒ19,60 en ƒ16). De verhalen uit de thuiszorg en de geestelijke gezondheidszorg worden binnenkort gebundeld. Vooral leerling-verpleegkundigen zijn kwetsbaar, weet Buijssen. ‘Ze worden op jonge leeftijd met dingen geconfronteerd die een ander pas veel later of helemaal niet meemaakt.’ Hij pleit voor extra aandacht in de opleiding. Leerlingen worden nu nauwelijks voorbereid op indringende gebeurtenissen. Bos is sinds een aantal jaren docent aan een hbo-v. Ze heeft voor haar leerlingen een les samengesteld over traumatische ervaringen. ‘Ik beschouw het als mijn missie. Leerlingen reageren vaak angstig als ze zich realiseren wat ze kunnen meemaken. Ik vertel dat ze veel kunnen hebben, als ze maar op de juiste manier met heftige gebeurtenissen omgaan. ‘Openheid is het sleutelwoord. Zorg dat je blijft praten, tot lang na het incident. Je weet van jezelf vaak niet hoe je reageert op een trauma. De reactie komt vaak later. Dat kun je nog weleens akelig verrassen.’

Helft verplegers heeft traumatische ervaring
Ruim de helft van de verpleegkundigen heeft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis meegemaakt, blijkt uit een onderzoek van Nu91, de beroepsorganisatie van de verpleging. Een op de vijf heeft na zo’n gebeurtenis serieus overwogen om uit het vak te stappen. Vooral leerlingen blijken kwetsbaar. Ruim 30 procent staakt de opleiding voortijdig. Volgens deskundigen zou dat vaak te maken kunnen hebben met trauma’s op het werk. Naar traumatische ervaringen in de gezondheidszorg is nog weinig onderzoek gedaan. Een paar jaar geleden werd een studie verricht naar agressie in de psychiatrie.

Daaruit bleek dat ruim de helft van de personeelsleden in psychiatrische instellingen minstens een keer per jaar letsel op. Maar zelfs psychiatrisch verpleegkundigen – die vaker met geweld worden geconfronteerd dan politieagenten – worden op hun werk amper opgevangen. Uit de enquête van Nu91 blijkt dat slechts in 15 procent van de instellingen nazorg is geregeld. Daarmee loopt de gezondheidszorg ver achter bij andere beroepsgroepen. Voor politieagenten en brandweerlieden die een menselijk drama meemaken, machinisten die een ‘springer’ voor de trein krijgen en bankemployés die worden overvallen, is al jaren nazorg geregeld. Nu91 heeft tijdens de recente CAO-onderhandelingen met de ziekenhuizen invoering van een trauma-protocol geëist. De ziekenhuizen hebben toegezegd op korte termijn opvang en nazorg voor hun personeel te regelen.

 

Winnaars wedstrijd ‘Help de ggz gezonder te zorgen’

De wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen”, waarbij medewerkers in de ggz opgeroepen werden om arbotips in te sturen, heeft een groot aantal nuttige tips opgeleverd. Opvallend is dat in veel van de inzendingen het thema “agressie en onveiligheid” centraal stond.

In september was het zover: de drie prijswinnaars van de wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen” werden bekend gemaakt door de jury. De prijsuitreiking vond plaats bij GGZ Nederland in Utrecht. Tijdens deze feestelijke middag lichtte de jury bij monde van Willeke Bezemer haar keuze toe. De ingezonden arbotips zijn beoordeeld op hun praktische toepasbaarheid en effectiviteit bij het terugdringen van het ziekteverzuim. Daarnaast is ook gekeken naar de algemene geldigheid van de tips. Ze moeten niet alleen voor de eigen maar ook voor andere ggz-instellingen bruikbaar en nuttig zijn.

Het thema “agressie en onveiligheid” wordt in het arboconvenant aangemerkt als één van de prioriteiten. De ingezonden tips benadrukken nog eens hoezeer dit thema de aandacht heeft én behoeft in de ggz. Ook de drie prijswinnende tips gaan over agressie en onveiligheid. Op deze pagina’s worden ze toegelicht.

1e prijs
‘Neem duidelijk standpunt in’
Marja Keus won de eerste prijs (6.000 gulden). Ze is verpleegkundige bij GGZ Drenthe en momenteel aan het “gluren bij de buren”, zoals ze het lachend noemt. ‘Ik werk tijdelijk bij GGZ Groningen om eens te kijken hoe het er daar aan toe gaat. Erg leerzaam.’

Haar tip: neem als instelling een standpunt in als het gaat om grensoverschrijdend gedrag van cliënten. Zorg bovendien dat de afspraken die daaruit voortvloeien inzichtelijk en bereikbaar zijn voor alle medewerkers. Keus pleit er bijvoorbeeld voor dat de instelling een standpunt inneemt over vragen als “Wanneer wordt er aangifte gedaan en door wie?”.

‘Ik had niet verwacht dat ik met deze tip de eerste prijs zou winnen, omdat het eigenlijk zeer voor de hand ligt’, zegt ze. ‘Als medewerker wil je dat je veiligheid gesteund wordt door de werkgever. Bij GGZ Drenthe is wel degelijk het een en ander geregeld, maar de meeste medewerkers weten dat niet.’ Keus zet het prijzengeld samen met GGZ Drenthe in voor een project waarin afspraken over agressie verder worden uitgewerkt. Daarnaast wordt ook onderzocht waar deze informatie het beste opgeslagen kan worden. GGZ Drenthe denkt aan een site op het interne netwerk. Keus: ‘Dan is de informatie actueel te houden en voor iedereen inzichtelijk en bereikbaar.’

2e prijs
‘Verhaal kwijt kunnen’
Bé Wolters en Ivo Zonnenberg, verpleegkundigen bij Zon & Schild in Amersfoort, onderdeel van de Symfora groep, sleepten de tweede prijs (3.000 gulden) in de wacht. Ze stuurden maar liefst twaalf tips in. De tip die het meeste indruk maakte op de jury ging over het organiseren van opvang na een incident. ‘Eens in de maand bespreken we incidenten met elkaar’, vertelt Zonnenberg. ‘Er is dus wel sprake van opvang, maar metéén na een incident zou er ook ruimte moeten zijn om even je verhaal kwijt te kunnen.’

De twee collega’s hebben ook nog een “tamelijk progressieve” tip ingezonden, aldus Zonnenberg. ‘Bij het separeren vallen nogal eens klappen. Voor buitenstaanders is dat misschien moeilijk te begrijpen, maar het gebeurt in de praktijk. Het ontwikkelen van extra stevige kleding die de eerste klappen opvangt en de verpleegkundige beschermt, vonden we daarom een goed idee.’ Wolters en Zonnenberg zijn uitgenodigd door de Vakgroep Agressie en Schokkende Gebeurtenissen van de Symfora groep om hun tips toe te lichten. Met het prijzengeld schaffen ze een airconditioning aan. ‘We werken op een zolder waar het ’s zomers ontzettend warm is. Een airco betekent een hele verbetering.’

3e prijs
‘Zelfhulpgroep biedt steun’
Derde-prijswinnaar Marga van Herwijnen is leerling-verpleegkundige bij De Grote Rivieren en werkt momenteel op de opnameafdeling van APZ Gorinchem. ‘Mijn idee bestaat uit het oprichten van een zelfhulpgroep, waar medewerkers terechtkunnen na een traumatische ervaring’, vertelt Van Herwijnen. ‘Zo’n groep bestaat uit collega’s die hetzelfde hebben meegemaakt. Herkenning en erkenning spelen een belangrijke rol.’ Ook vindt ze dat er altijd iemand van deze groep bereikbaar zou moeten zijn, óók tijdens late en nachtdiensten. ‘Als er dan iets gebeurt, zijn er niet altijd collega’s om je op te vangen. Toch is het belangrijk dat je wel meteen, als je dat wilt, kunt praten over wat je overkomen is.’ Volgens Van Herwijnen zou een zelfhulpgroep goed kunnen bestaan naast andere vormen van opvang. ‘Ik zie het niet als een vervanging van bestaande opvang maar als aanvulling daarop.’

Met de 1.000 gulden die Van Herwijnen met haar tip heeft verdiend, gaat De Grote Rivieren een aantal boeken van Huub Buijssen over het omgaan met schokkende gebeurtenissen verspreiden binnen de organisatie.

 

‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’ Eindhovens Dagblad 20 -3 1999

Als je beroep een nachtmerrie wordt. Daarover spreken verpleegkundigen in twee boeken die volgende week verschijnen. Ze vertellen over hun traumatische ervaringen met dood en agressie. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’.

Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’. Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkt nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar:

‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. ‘Rustig aan, kalm blijven’, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos.’ ‘Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, ligt ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar één gedachte: ‘weg van hier, naar huis’. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik wil niet met hen praten. Ik schaam me te erg.’ ‘Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weet dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is één van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken Geraakt (psychiatrie) en Geschokt (algemene gezondheidszorg) van de klinisch psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. ‘Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen. Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of de zelfmoord van een patiënt: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt’, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging.

Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er -’s nachts letterlijk en figuurlijk alleen voor staat. Ze voelen zich onveilig. Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

CECIEL HEEFT NACHTDIENST: ‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname-afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gil, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.’ Meer dan de helft van de ondervraagden uit de NU’91-enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. ‘Ongelofelijk en onbegrijpelijk’, vindt beleidsmedewerker Bogers van NU’91.

De gezondheidszorg loopt op het gebied van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe een psychiatrisch patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadegeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van getraumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recente studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaar beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen.

Het meest diepgaand onderzoek is een studie uit 1994 van de Utrechtse psycholoog Peter van der Velden en verpleegwetenschapper T. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot dreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de veertien bedraagt. De slachtoffers van geweldsdelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide-incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘ZIJN ZE AL AFGELEGD?’ Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer: ‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (…) de spanning loopt bij mij steeds verder op. ‘Doe ik alles wel goed?’ Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’ Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die lieve snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: ‘dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan’. Pieter moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van een deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijdens de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd?’, vraagt de ochtenddienst. ‘Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: ‘O, dat is misschien wel wat zwaar geweest’. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim, een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

HOEVEEL VERPLEEGKUNDIGEN hun beroep vaarwel zeggen ten gevolge van een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna een op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: ‘De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.’

Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams en tijdige signalering en goede begeleiding van verpleegkundigen, en in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek Geen tijd om aardig te zijn, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben besefd, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden ze verdrongen had. Buis: ‘Omdat ik als verpleeghulp vaak geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.’

‘Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.’

Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50; Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00. Beide boeken verschijnen 25 maart.

 

‘Verpleegkundigen vinden overlijden kind het meest traumatisch’ “De Telegraaf, woensdag 5 mei 1998”

AMSTERDAM – „Handjes en voetjes glijden naar buiten. De baarmoedermond echter klemt als een ijzeren halsband om het hoofd van het kindje en houdt het gevangen. Met man en macht wordt getrokken. Maar het is te laat. Het kindje is dood. De teleurstelling en machteloosheid zijn groot. Vooral bij de arts-assistent. Als naar hem was geluisterd en een keizersnede was uitgevoerd, had het nog geleefd. De artsen verdwijnen. Aan mij de taak alles af te wikkelen en de ouders te troosten…”
Door Denise Hoogland

De ervaringsverhalen van verpleegkundigen in de onlangs verschenen boeken ‘Geschokt‘ en ‘Geraakt’, van Huub Buijssen en Suzanne Buis zijn, zoals ook de ondertitels aangeven, indringend. Soms zo indringend dat ze betrokkene een psychotrauma, een psychische wond, bezorgen. De auteurs laten aan de hand van talloze korte verhalen zien hoe een schokkende gebeurtenis tot problemen kan leiden, wat de gevolgen zijn en hoe deze (moeten) worden verwerkt. de boekjes onderstrepen het pleidooi van de bond van verpleegkundigen NU’91 voor een betere opvang na schokkende ervaringen. Uit een peiling die de vond recent onder 500 verpleegkundigen liet uitvoeren, bleek dat meer dan de helft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis had meegemaakt. Een groot percentage zelfs drie tot vijf keer. In maar liefst 22 procent van de gevallen werd daardoor serieus ander werk overwogen. Tijdens de vorige week gestarte CAO- onderhandelingen eiste NU’91 dan ook dat zorginstellingen, gelijk aan politie en brandweer, duidelijke protocollen voor nazorg ontwikkelen.

Ontregeld
„Dat is echt nodig”, zegt auteur Buijssen, in het dagelijks leven klinisch psycholoog en trainer sociale vaardigheden in Tilburg. „Een traumatische ervaring zet je leven compleet op zijn kop. Kenmerkend voor een psychotrauma is dat je totaal ontregeld bent. Het lichaam voert een hevige innerlijke strijd: enerzijds moet je voortdurend aan het gebeurde denken, anderzijds wil je dat helemaal niet. Een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet binnen een maand de draad weer op te pakken en ontwikkelt op den duur zelfs een posttraumatische stresstoornis, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld.”

Volgens de psycholoog, die al meer dan twintig boeken schreef over prangende ‘hoofdzaken’, wordt het overlijden van een kind het meest genoemd als traumatische ervaring. Dat bleek ook uit het onderzoek van NU’91, waarvoor Buijssen een groot aantal vragen formuleerde. „Ook het maken van een fatale fout, door de persoon zelf of een collega, wordt vaak in dit verband vermeld”, vertelt hij. „Daarnaast is zelfmoord van een patiënt een ingrijpende gebeurtenis. Dat heeft de langste nasleep en wordt met name veroorzaakt door schuldgevoelens.”

 

‘Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe’ De Standaard, 10 september 1995

Huub Buijssen schrijft boek over traumatische ervaringen verpleegkundigen.
“Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe”

Tilly Stuckens
“Ik kijk recht in het gezicht van meneer T. We kijken elkaar aan, maar hij ziet me niet. Hij hangt op de wc, (…) hij zit helemaal onder het bloed. Ik roep M. Lopend door de plassen bloed (…) voel ik een golf van paniek over me komen. Samen leggen we de man op de grond. M. legt hem in stabiele zijligging en knijpt het doorgeknipte uiteinde van de cateter dicht om verder bloedverlies te verkomen”. Een leerling- verpleegster beleefde dit drama tijdens een nachtdienst op een onderbezette afdeling. De patiënt sterft. Anderhalf jaar later leed de leerlinge nog aan de gevolgen van dit trauma. “Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe”, schreef ze. “Ik heb veel te lang alleen doorgemodderd”.

Haar verhaal staat in het onlangs verschenen boek Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt van de Nederlandse psycholoog Huub Buijssen. Het boek kende snel een tweede en derde druk. De weerklank is groot, eerst alleen binnen de Nederlandse grenzen, nu ook erbuiten, de Engelse vertaling ligt klaar. Een boek waarop men zat te wachten? Wel wat vreemd: heeft nooit eerder iemand zich gebogen over hetgeen mensen in een verzorgend beroep zoal meemaken en of zo geholpen worden om de moeilijkste belevenissen te verwerken? Die vraag kwam bij Buijssen op nadat hij 1992 een wereldcongres over traumatische gebeurtenissen had bijgewoond: “Daar werden vierhonderd voordrachten gehouden”, zegt hij, “maar geen enkele was gewijd aan ingrijpende gebeurtenissen in het beroepsleven van verpleegkundigen. Men sprak over brandweerlieden, politie, treinmachinisten, reddingswerkers, soldaten. Terecht, natuurlijk, maar waar bleven de verpleegkundigen?” Met het oog op een boek begon hij getuigenissen te verzamelen. Heel wat mensen vertelden hem hun belevenissen en hoe ze eronder geleden hadden, maar slechts enkelen gaven de toestemming om hun verhaal te publiceren. “Sommige verpleegkundigen waren bang voor problemen met hun werkgever. Praten over schokkende gebeurtenissen wordt door de leiding van instellingen vaak gezien als de vuile was buitenhangen. Maar dat was niet de enige rem. Veel verpleegkundigen wilden niet met hun getuigenis in het boek omdat ze zich schaamden over hetgeen hen was overkomen.” Om die reden, zo bleek vaak, hadden ze nooit eerder willen bekennen hoe ellendig ze zich over het gebeurde hadden gevoeld. Want dat zou als een teken van zwakheid beschouwd worden, wat je je in dit beroep niet kunt veroorloven. Je hebt nu eenmaal gekozen voor een job die een herhaalde en vaak dramatische confrontatie met menselijk lijden en sterven inhoudt. Je moet dus ook tegen het ergste kunnen. Die opvatting leeft, volgens Buijssen, nog sterk in heel wat ziekenhuizen en andere verzorginginstellingen: “Wie emoties toont als er iets ergs gebeurt, wordt al gauw voor een zacht eitje versleten. Dat is toch een foute mentaliteit. Waarom zou je moeten verbergen dat je kwetsbaar bent? Het zou normaal moeten zijn dat je bij een traumatische gebeurtenis steun van collega’s en oversten zou krijgen. En, als het nodig is, professionele opvang. Maar uit de getuigenissen die ik kreeg, blijkt dat men vaak nauwelijks op wat medeleven kon rekenen.” Dat laatste overkwam de reeds geciteerde leerling-verpleegster. Ze was zwaar ontgoocheld over het onbegrip dat ze na de zelfmoord van haar patiënt ondervoed. De dienstdoende chirurg vroeg hoe zij zoiets hadden kunnen laten gebeuren en mompelde: “Dat noemt zich dan verpleegkundige!” De dienstoverste gaf haar een uitbrander, zonder de ware toedracht van het gebeurde te kennen. Een teamleider vroeg haar cynisch of er die nacht nog iets bijzonders was gebeurd. De volgende dagen kreeg ze van collega’s allicht goedbedoelde maar toch onverschillig klinkende opmerkingen zoals “het leven gaat gewoon door”.

Ongewenst
In het boek komen ook verpleegkundigen aan het woord die ernstig ontredderd geraakten nadat in hun afdeling op korte tijd verscheidene patiënten zich van het leven hadden beroofd. Andere verpleegkundigen werden aangevallen, soms verwond door een gewelddadige patiënt. Nog iets wat hen nachtmerries bezorgt is de herinnering aan een echte of vermeende beroepsfout die zijzelf of de arts met wie ze samenwerken, begingen. Ook de dood van een kind of een patiënt die men lang verzorgd heeft, kan diepe wonden slaan.

Verscheidene getuigenissen gaan over ongewenste intimiteiten. Uit een Engels onderzoek blijkt dat die vrij veel voorkomen in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen en dat de verplegers vooral patiënten zijn, soms ook artsen, oversten, collega’s. Ook in brieven die Buijssen na de publicatie van zijn boek ontving, komen beschrijvingen van ongewenste intimiteiten voor, gaande van seksuele insinuaties en aanrakingen tot brutale verkrachtingspogingen. “Dat soort dingen overkomt ook andere vrouwen”, zegt Buijssen, “maar verpleegkundigen en verzorgenden behoren wel tot de beroepsgroepen die er makkelijk mee temaken krijgen. De verzorging van patiënten is nu eenmaal een intieme aangelegenheid die door sommigen misbruikt wordt.”

Een weerkerende klacht in het boek is dat men, na welke traumatische ervaring ook, meestal in de kou bleef staan. Een nachtverpleegster die aangerand werd in de kelder van het ziekenhuis (waar ze geregeld een emmer onder een lekkende kraan moest leegmaken) mocht daar van de directie geen ruchtbaarheid aan geven. Angst voor negatieve publiciteit woog bij de directie zwaarder dan de veiligheid van het personeel. Buijssen pleit voor een verandering van die mentaliteit bij leidinggevenden en artsen, maar ook bij de betrokkenen zelf. Laatstgenoemden moeten begrijpen wat hen overkomt. Daarom legt Buijssen uit hoe het lichaam op een traumatiserende ervaring reageert (met slapeloosheid, nachtmerries, duizeligheid…), welke gevoelens normaal zijn na zo’n ervaring (angst, boosheid, eenzaamheid) en hoe je ze kunt verwerken. Essentieel is ook, zegt hij dat je als getroffene binnen 24 uur opgevangen wordt en je verhaal kunt doen: “Onmiddellijk na een ingrijpende gebeurtenis word je heen en weer geslingerd tussen twee aan elkaar tegengestelde krachten. De ene kracht bestookt je met steeds maar terugkerende beelden van het geen is gebeurd. De andere kracht doet verwoede pogingen deze beelden te verstoppen. Wanneer geen opvang plaatsvindt, bestaat het risico dat de laatste kracht, de verdringing dus, wint. Voor een goede verwerking zijn echter de beelden en het verhaal van de gebeurtenis nodig. Nog een reden voor opvang is dat je op die manier ervaart dat je oversten en collega’s achter je staan en je willen helpen. Belangrijk, ten slotte, is dat je door het reconstrueren van het geen je hebt doorstaan, opnieuw wat greep krijgt op je bestaan en de chaos kunt vervangen door weer wat structuur en orde.”

In sommige gevallen kan professionele hulp nodig zijn: als je je na een maand nog steeds verdoofd en leeg voelt, of maar nachtmerries over de gebeurtenis blijft hebben, of buitengewoon prikkelbaar blijft…
“Er moet, hoe dan ook, in opvang worden voorzien. Dat is geen luxe, integendeel. Het zou minder kosten dan het ziekteverlof dat nu genomen wordt door mensen die er na een schokkende gebeurtenis onderdoor gingen. Er zijn er ook die het beroep verlaten. Vaak zijn dat waardevolle beroepskrachten. Wat een verlies is dat.”
Op de vraag of de door hem onthulde problematiek ook niet bij artsen voorkomt, antwoordt Buijssen bevestigend: “Ik ga ook daar een boek over schrijven. Het zal niet gemakkelijk zijn. Artsen hebben veel meer nog dan verpleegkundigen het gevoel dat ze zich onkwetsbaar moeten voordoen.”

——————————————————————————–

Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen, Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht
in Vlaanderen te verkrijgen bij Verdi, 015-29.01.21, prijs 490 frank (verzendingskosten niet in begrepen)
Buijssen schreef ook een brochure “De klap te boven” over zelfhulp en opvang bij traumatische gebeurtenissen in verpleeg- en verzorgingssituaties.