Gemolesteerde leraren doen boekje open over hun ervaringen in ‘Lesje Geleerd?’

Door Helma van den Berg

Utrecht – Docente Elzeline Bergisch wordt op een Utrechts terras door een 14-jarige leerling uit haar stoel getrapt. Schoolleider Ger Huisman wordt in zijn school buiten westen geslagen en belandt met steekwonden in het ziekenhuis. Docent Karel Verbeek en zijn gezin worden wekenlang door de vader van een leerling met de dood bedreigd.

Het zijn geen uitzonderingen. Ruim de helft van de Nederlandse docenten in het vervolgonderwijs heeft vorig jaar te maken gehad met enige vorm van geweld, zo blijkt uit onderzoek van de KPC- groep uit Den Bosch, een adviesbureau dat zich bezig houdt met ontwikkelingen in het onderwijs. Hoe schokkend ook, in de onderwijswereld wordt daar liever over gezwegen. Docenten schamen zich, scholen zwijgen uit angst om leerlingen te verliezen. Met als gevolg dat leraren/slachtoffers slecht geholpen worden, ziek thuis belanden en het onderwijs vaak de rug toekeren. Reden voor psycholoog Huub Buijssen en verpleegkundigen/ Mathilde Bos om het taboe te doorbreken. Zij schreven het boekje ‘Lesje Geleerd? Indringende ervaringsverhalen van leraren’. Samen met zes leraren, zelf slachtoffer van geweld, die voor het eerst de problemen uit de doeken doen. Een voorbeeld tijdens een schoolfeest van een scholengemeenschap in het westen van het land: docent Vincent de Jong heeft bij de ingang de handen vol aan een groep van dertig Marokkanen die illegaal naar binnen willen. In de feestzaal ontketent een vierdejaars scholier een vechtpartij. Wanneer De Jong de tiener staande houdt, neemt deze wijdbeens een gevechtshouding aan en herhaalt schreeuwend ‘Kom maar op, vieze, vuile kankerjood..’ De Jong: ,Mijn handen trillen, ik sta stijf van de adrenaline. Die jongen is tot alles in staat, bedenk ik me. Eigenlijk zou de politie er bij moeten komen, maar die kan ik niet bellen nu die groep jongens voor de deur staat. Dan slaat de vlam zeker in de pan. Er is geen redelijk gesprek te voeren.’ Het liep uiteindelijk ‘goed’ af. De vechtpartij met de scholier kostte De Jong twee gekneusde ribben. Met een grafisch docent P. van der Zon loopt het slechter af. Een door hem geschorste leerling en zijn oudere broer bezorgen hem op school zoveel verwondingen dat nadien in het ziekenhuis voor zijn leven wordt gevreesd: „Ik krabbel zo snel mogelijk overeind, krijg dan weer klappen. Ik zie dat de broer een beeldscherm pakt en naar mijn toe wil gooien. Het scherm zit aan een ketting. Dat is mijn redding.” Van der Zon zakt bewusteloos in elkaar. De broers trappen net zolang tot leerkrachten ingrijpen. Het duurt twee maanden voordat Van der Zon lichamelijk enigszins is hersteld. Nog eens vijf maanden eer hij antwoordt kan geven op zijn vraag ‘doorgaan in het onderwijs of stoppen?’ De ervaringen van de leerkrachten lopen uiteen. Maar de geestelijk knauw nadien blijkt voor iedereen gelijk. Van der Zon besluit om in het onderwijs te blijven, maar is voortaan minder ontspannen: ‘Ik merk dat ik schrik wanneer ik een groepje buitenlandse jongens zie. Ze hebben waarschijnlijk geen kwaad in de zin, maar ik loop liever een blokje om.’ De Jong zegt bij terugkomst in de klas: ‘Ik wil jullie allemaal kunnen zien, er mag niemand achter me staan. Ik vertrouw jullie niet meer.’ Om dan in tranen uit te barsten. De slachtoffers hebben een grote behoefte om hun verhaal aan collega’s en de schoolleiding te vertellen. Maar de spreekwoordelijke arm om de schouders blijft bij menigeen uit. Bij Eva de Witte, belaagd met fysiek en psychisch geweld, wordt de situatie zelfs doodgezwegen: ‘ Ik kan er met niemand over praten. Iedereen op school negeert de situatie. Iedereen doet alsof ze alles in hand hebben.’ Vincent de Jong moet bij zijn rector ‘rugdekking’ afdwingen door bij de politie aangifte te doen en met een gepeperde advocatenrekening te dreigen. De belagers van P. van der Zon krijgen cel- en taakstraffen, maar zijn geschorste leerling mag wel op school terug komen. Van der Zon: ‘Weliswaar op een andere locatie, maar toch. Ik vind dat onverteerbaar.’ Hoe belangrijk de opvang voor deze leerkrachten is, zet psycholoog Buijssen, gespecialiseerd om trauma-opvang in de zorg en het onderwijs, helder uiteen. Daarbij geeft hij tal van tips voor zelfhulp, collegiale opvang, lotgenotencontact en nazorg binnen en buiten schoolmuren. De vraag is hoe scholen het zover kunnen laten komen. Daarop geeft Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, in ‘Lesje Geleerd’ antwoord: ‘In deze tijd van privatisering en vrije markt hebben scholen een moeilijke positie. Ouders en leerlingen zijn koning-klant. Uit angst voor leegloop zwijgen scholen te vaak waar zij moeten spreken. De goede naam van de school gaat vaak voor een adequate hulp en begeleiding van de leraren/slachtoffers.’

Lesje geleerd? Indringende ervaringsverhalen van leraren, een gids nazorg agressie-incidenten, door Huub Buijssen en Mathilde Bos, uitgave van Elsevier bedrijfsinformatie bv, Den Haag, ISBN- 90-5749-963-0.

 

Agressie / Hard trappen naar de leraar

door Monique de Heer

Leraren pesten is van alle tijden. Grof geweld niet, dat is nieuw. De docent die tijdens een schoolfeestje verrot werd geschopt, was vooral zo kapot van het incident omdat hij als ex-marinier had gedacht dat hem zoiets niet zou overkomen. ,,Veel kinderen hebben alleen nog maar respect voor het recht van de sterkste.”

Agressie / Hard trappen naar de leraar door Monique de Heer Leraren pesten is van alle tijden. Grof geweld niet, dat is nieuw. De docent die tijdens een schoolfeestje verrot werd geschopt, was vooral zo kapot van het incident omdat hij als ex-marinier had gedacht dat hem zoiets niet zou overkomen. ,,Veel kinderen hebben alleen nog maar respect voor het recht van de sterkste.” Dit incident is afkomstig uit het boek ‘Lesje geleerd?’ van Huub Buijssen en Mathilde Bos. Zij gaven jarenlang trainingen aan personeel in de gezondheidszorg over omgaan met geweld. Maar een nieuw werkterrein heeft zich aangediend: het middelbaar onderwijs. De schrijvers verzamelden voor hun handleiding voorbeelden van grof geweld tegen leraren en behandelen de nasleep van de vaak ingrijpende gebeurtenissen. De incidenten liegen er niet om. Een leraar die na de les wordt klemgezet door drie leerlingen in zijn eigen lokaal loopt een liesbreuk, een zware hersenschudding en interne bloedingen op. Een ander wordt aangevallen door een vader tijdens een oudergesprek. Het kind steelt eten op school en de schoolarts concludeert dat de jongen ondervoed is. Tijdens een gesprek met de vader klimt deze over de tafel heen en begint erop te slaan met de uitroep ‘Dan maak ik u nu dood’. De lerares die uit de terrasstoel werd getrapt, vertelt maanden later dat ze ‘nu heel anders rondloopt’. Ze is minder idealistisch geworden: ,,Ik zie nu veel beter de beperkingen die je hebt ten aanzien van dit soort jongens.” Trainer Huub Buijssen schreef het boek niet om het imago van het leraarsvak nog eens een extra klap toe te brengen. Want hoewel geweld tegen leerkrachten toeneemt, is het niet zo erg als in andere sectoren. Buijssen: ,,De agressie tegen conducteurs, verpleegkundigen, gevangenisbewaarders en bijvoorbeeld medewerkers van de sociale dienst is veel groter. Een leraar loopt ongeveer vijftig procent kans om een keer in de hele carrière een ernstig geweldsincident mee maken. Daarmee springen ze er niet uit. Echt veilige beroepen zijn er niet zo veel. Voor mensen die het overkomt, is het wel prettig te weten dat ze niet de enigen zijn.” De positie van een leraar is wel uitzonderlijk. Een leraar staat alleen tegenover een groep in vrij geïsoleerde omstandigheden. Buijssen: ,,Je wordt er zowel door collega’s als leerlingen op afgerekend als het misloopt. Als leraar moet je de klas ‘aankunnen’. Daarom vinden veel leraren die met agressie te maken hebben het moeilijk om er over te praten. Iedere traumatische ervaring roept schuldgevoelens op.” Orde bewaren in een klas behoort tot de taak van de leraar. Welke leraren lopen het meeste risico? Buijssen: ,,Op het platteland is het risico kleiner dan in de grote stad. Op scholen met veel allochtone leerlingen is het risico juist weer groter. In de Marokkaanse cultuur bijvoorbeeld is vader thuis de baas, de politie is de baas op straat en op school is het de leraar. Maar Nederland kent een onderhandelingscultuur. Zelfs in landen direct om ons heen zoals Duitsland en België, is het normaal naar iemand te luisteren omdat die hoger in rang is. Maar in Nederland gaat het om de argumenten. Een gesprek aangaan met een leerling, wordt in Marokko gezien als zwakte. Daarbij zijn die leerlingen heel trots. Eergevoel is belangrijk en voor het oog van anderen wil men niet afgaan. Vernedering roept agressie op en dat maakt het er voor de leerkracht niet gemakkelijker op.” Dan is er nog een vorm van geweld die speciaal voorkomt op scholen, zegt Buijssen: geweld om te laten zien dat je erbij hoort. ,,Elke groep heeft een eigen identiteit en sommige groepen manifesteren zich via geweld. En daaromheen komt dan ook weer een groep die stoer moet doen. In grote scholen ontstaan die groepen sneller. Op een kleine school gebeurt dat minder snel, dan vermengen de weinige echt agressieve kinderen zich meer met rustige leerlingen en passen zich aan.” Paul de Boer (‘Vincent’ uit het boek) kwam drie jaar geleden tijdens een schoolfeest onder een schoppende en slaande leerling terecht. ,,Vieze vuile rotjood, ik vermoord je”, kreeg hij te horen. De school durfde de politie niet te bellen omdat er juist op dat moment een groep van dertig Marokkaanse jongeren voor de deur stond die naar binnen wilden en de vlam dan wel eens helemaal in de pan kon slaan.” De maandag na het feest gaat Paul de Boer weer naar school. Hij geeft al 25 jaar filosofie en godsdienstles. Het eerste uur wil de 5 vwo-klas natuurlijk weten wat er was gebeurd. De Boer zegt daarop dat hij iedereen in de klas wil kunnen zien: ,,Er mag niemand achter me staan. Ik vertrouw jullie niet meer.” In de klas begint hij te huilen. De Boer: ,,Ik ben oud-commando en fysiek kan ik zo’n jongen wel aan, hoewel vechten met een kind heel moeilijk is. Maar die avond heeft een enorm effect op me gehad. Ik was veiligheidscoördinator op de school en was gevraagd toezicht te houden op de schoolfeesten. Dat het mij kon overkomen, kon ik niet goed geloven.” De Boer doet aangifte van geweldpleging, racistische uitingen, vernieling van eigendommen (zijn horloge was kapot) en bedreiging met de dood. Hij staat erop dat de jongen geschorst wordt maar vindt de rector tegenover zich. ,,Die jongen heeft wettelijk recht examen te doen. Als hij geen examen kan doen, moet de inspectie worden ingelicht en dat geeft heel wat onrust”, laat die weten. De andere docenten vallen De Boer echter bij en dreigen het bestuur erbij te halen. De rector bindt in. De jongen mag geen lessen meer volgen, maar doet wel examen. Paul de Boer voelde zich lang niet meer veilig. Hij is meer lessen op een hbo-instelling gaan geven en minder op de middelbare school: ,,Puberale spierballen zijn er altijd geweest, maar nu wordt er hard getrapt als iemand al op de grond ligt. Er worden messen meegenomen naar school. Er gebeurde vroeger natuurlijk ook van alles, maar het is nu wel anders, harder.” ,,Het is voor mij zo schokkend omdat het op een plek gebeurt waar je iedere dag kennis doorgeeft. Als dat vermengd wordt met fysiek geweld is dat gewoon verschikkelijk. Je bouwt een band op met leerlingen waarvan jij denkt dat die respect afdwingt. Maar veel kinderen hebben alleen nog maar respect voor het recht van de sterkste.” Trainer Huub Buijssen zegt dat Paul de Boer geluk had dat zijn collega’s hem steunden. Het gebeurt ook wel anders. Ronduit schokkend zijn in het boek de verhalen waarin collega’s op school de bedreigde collega niet te hulp komen. Een leraar die op de grond ligt te worstelen met een leerling die door het lint gaat: ,,Net als door mijn hoofd schiet dat ik de vechtpartij niet lang meer volhoud, steekt mijn collega zijn hoofd om de hoek van de deur en zegt gedag. Alsof het normaal is dat ik met een leerling in de houdgreep op de grond lig. Hij groet en vertrekt.” Kan een leraar léren stevig over te komen? Buijssen: ,,Video-opnamen bekijken van leraren die geen problemen hebben om hun gezag uit te oefenen, kan helpen. En daarnaast is het goed te zien hoe je zelf overkomt. Rechtop staan en duidelijk spreken ligt voor de hand. Vooral bij de eerste ontmoeting met een klas, want dan wordt de toon gezet. Fysiek geweld trekt veel aandacht. Maar vaak is er al veel aan vooraf gegaan.” Aardig gevonden worden helpt niet. ,,Juist leraren die graag aardig gevonden willen worden, hebben problemen. Dan leg je namelijk het oordeel over jezelf voor een deel bij de ander. Aardig is een eigenlijk een negatief woord. En verder is het vaak ongrijpbaar. Sommige mensen hebben een natuurlijk charisma. Daar weet je van dat er niet mee te spotten valt. Het vak dat de leerkracht geeft, kan ook een rol spelen. Wie een goed cijfer voor wiskunde nodig heeft, wacht nog even met zieken tot bij handenarbeid. En soms is het gewoon domme pech.” De leiding van de school heeft vaak sterk de neiging incidenten te bagatelliseren, zoals ook De Boer overkwam. Buijssen: ,,Schoolleiders zijn vaak bang voor verlies van status van de school. Ze zijn bang dat de school een slechte naam krijgt, maar volgens mij werkt het bij ouders en leerlingen niet zo. Als een leerling een docent aanvalt en daar wordt vervolgens door de leiding lafhartig op gereageerd, dan zorgt dat juist voor een heel onveilig gevoel. Je moet leerlingen van stonde af aan de regels duidelijk maken. De scheidsrechter aanvallen is zo ongeveer de ergste overtreding die je op een voetbalveld kunt maken. En op school moet geweld tegen een leraar de ergste overtreding zijn.” Op de school van Paul de Boer vond de schoolleiding het moeilijk een houding te bepalen. De Boer kreeg een paar theaterbonnen om het leed te verzachten, wat hij beledigend vond. Toch wil hij niet dat de school met naam wordt genoemd: ,,Het kost je leerlingen en dat betekent minder uren voor docenten. Die hebben allemaal hypotheken. Mijn school loopt leeg. De hoogopgeleide ouders halen hun kinderen eraf en we krijgen kinderen van laagopgeleiden, meest allochtonen, terug.” De Boer heeft de problemen verwerkt door er juist niet over te praten. ,,’Maar je kan toch naar een andere school’, wordt er dan gezegd. Maar het is mijn schooltje, met mijn leerlingen. Leg dat maar eens uit. Zo’n schorsing levert ook een duivels dilemma op. Als je zo’n jongen op school laat, moeten de leraren incasseren en met wegsturen geef je het kind in feite op.” Dat laatste is voor scholen vaak reden om het wangedrag van een leerling te vergoeilijken. Het motto is: ‘Hij heeft het al zo moeilijk’. De Boer vindt dat de norm duidelijk moet zijn. ,,Als ze zeggen: ‘ik ruk je kop van je romp, klootzak’, dan menen de meesten dat natuurlijk ook niet – maar het is intussen wel gezegd. Of twintig keer kanker zeggen in een les, vreselijk, ik ga er de eenentwintigste keer nóg tegenin. Ik heb vorig jaar de eerste dag een brugklasser binnen zien komen, die een docente begroette met ‘klein kontje maar lekkere tietjes heb je’. Het kind begreep niet eens dat zoiets niet kan. ” Ook de docenten zelf zijn niet helemaal vrij te pleiten. De Boer: ,,Het verbale geweld van docenten zelf wordt ook steeds erger. Je dekt je in en wilt geen gesodemieter in de klas hebben. Dus is het al snel: ‘lulhannes, hou op met dat gekloot’. We laten de deuren van de lokalen tegenwoordig open staan. Dat is veilig en zorgt voor sociale controle.” Maar ook hij ziet dat leerlingen het vaak écht moeilijk hebben. ,,Er is in het middelbaar onderwijs een tweedeling ontstaan tussen mensen die alles hebben en mensen die het niet zullen krijgen. Vroeger kon je via mavo en havo door naar het vwo en toch nog naar de universiteit. Nu niet meer. Als je nu op mavo wordt ingeschat dan blijf je daar. Ik ben zelf van allochtone afkomst. Vooral die kinderen zijn vaak laatbloeiers door omstandigheden.” ,,Die kloof entameert geweld. Als ik vwo’ers een werkstuk laat maken, dan krijg ik werkstukken terug die thuis allemaal op de eigen computer zijn gemaakt. Ouders hebben vaak nog meegeholpen ook. Die andere kinderen, van het vmbo, die moeten het op school doen. Na schooltijd stroomt het internet lokaal op mijn school vol met Marokkaanse kinderen. Dan zitten ze met z’n twintig man achter een computer, dat wordt dus heibel. En ze zien het verschil met de anderen echt heel goed. Dat zorgt voor angst, angst om er altijd buiten te vallen. De maatschappij moet dat veel beter in de gaten houden.”

Huub Buijssen en Mathilde Bos,
Lesje geleerd?
Uitgeverij Elsevier, 25 euro

 

Scholen laks tegen geweld leerling

Door Wilco Boom
Tilburg 

Dat zegt de psycholoog en traumadeskundige Huub Buijssen, die onlangs een boek publiceerde over geweld tegen onderwijzend personeel. ,,Directies hebben de neiging om het weg te frommelen. Ze voelen zich medeschuldig, omdat het op hun school is gebeurd, en ze weten dat het leerlingen kan kosten en daarmee ook banen. Bovendien willen scholen ook kinderen niet over de rand duwen.”De AOb, de grootste onderwijsvakbond, deelt Buijssens bevindingen. Voorzitter W. Dresscher: ,,Vaak willen directies en andere leidinggevenden dit soort zaken toch liever binnenshuis houden. De ‘goede naam’ van de school gaat vaak voor een adequate hulp en begeleiding van de slachtoffers.”

De regel moet volgens Buijssen zijn dat geweld tegen een leraar wordt bestraft met verwijdering. ,,Wie op het voetbalveld een vinger uitsteekt naar de scheidsrechter kan zeer langdurig geschorst worden. Dat zou ook op school zo moeten zijn. Het is een enorme steun voor de leraar als de leerlingen die hem heeft mishandeld van school wordt gestuurd. Bovendien kan het preventief werken. Voor iedereen – kinderen, ouders en leerkrachten – geeft het een gevoel van veiligheid als regels duidelijk zijn en ernaar wordt gehandeld”, zegt Buijssen.

Dit is lastig als de dader nog leerplichtig is. Maar als scholen hierover onderling afspraken maken, zodat gestrafte leerlingen elders terecht kunnen, is het volgens Buijssen goed te doen.

Uit onderzoek van het Katholiek Pedagisch Centrum (KPC) kwam vorig jaar naar voren dat 1,5 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs in één jaar tijd door leerlingen waren mishandeld (schoppen en/of slaan) en een half procent door ouders. Uit het KPC-onderzoek bleek verder dat elf procent van de docenten fysiek bedreigd was door leerlingen en negen procent door ouders. Van de leraren werd 42 procent in één jaar uitgescholden door leerlingen, 13 procent door ouders en 3 procent door collega’s.

,,In sommige beroepsgroepen is het erger, zoals bij de politie, de conducteur in het openbaar vervoer en maatschappelijk werkers. Maar twee procent in één jaar tijd betekent dat elke leerkracht tijdens zijn loopbaan een kans van één op twee loopt om eens op school mishandeld te worden”, zegt Buijssen.

Volgens hem is het geweld tegen leraren de afgelopen jaren flink gestegen maar is dat cijfermatig niet te onderbouwen doordat vergelijkend onderzoek ontbreekt. ,,Vroeger was er een aantal beroepen waartegen hoog werd opgekeken, zoals de burgemeester, de leraar en de arts. Inmiddels heeft er een enorme machtsnivellering plaatsgevonden, veel sterker dan in andere landen, en wordt zelfs de huisarts nu soms bedreigd door patiënten.”

Leraren in de grote steden lopen meer risico slachtoffer van geweld te worden dan elders in het land. Buijssen: ,,In de steden geldt in het algemeen eerder het recht van de sterkste. Daarbij komt dat er veel meer culturen voorkomen waardoor er minder duidelijk is wat de norm is. Voor een docent is dat ook moeilijker aan te geven dan aan een homogene groep. Daarbij komt dat bijvoorbeeld Marokkaanse jongeren het als zwaktebod opvatten als een leraar gaat onderhandelen. terwijl het voor zo’n docent moeilijk is om autochtone kinderen anders te behandelen dan allochtone.” Eén op de acht mensen die een traumatische gebeurtenis meemaken, heeft langdurige verwerkingsproblemen. Leraren voor wie dit geldt voelen zich volgens Buijssen heel vaak in de steek gelaten door de schoolleiding. Dat versterkt hun psychische nood. ,,Het is belangrijk dat ze steun krijgen. Directies moeten betrokkenheid tonen, praktische hulp bieden bij het doen van aangifte en claimen van schade, en ervoor zorgen dat het slachtoffer ook na een paar dagen nog bij iemand terecht kan om erover te praten.”

Werd je bedreigd of voelde je je bedreigd?
Leraar X is 50 jaar en staat al 27 jaar voor de klas aan een grote scholengemeenschap in Rotterdam. Zes jaar geleden ontsnapte hij ternauwernood aan een zware verwonding of erger. De dader kreeg twee jaar cel. X blijft hier anoniem omdat de schooldirectie geen ruchtbaarheid aan het voorval wil geven.

,,De school was al vrijwel leeg toen ik op een vrijdagmiddag met audio-apparatuur door de gang liep. Ik kwam in de hal en zag daar dat een knaap van een jaar of 17 in een telefooncel het toestel aan het openbreken was, met een mes. Van nature ben ik een optreder dus ik zei meteen: ‘wat doe je daar?!’. Hij zei toen dat de telefoon kapot was en dat hij het geldbakje naar de concierge wilde gaan brengen.

Ik zei: ‘nee, we gaan we samen’ en ik pakte hem bij zijn revers. Hij probeerde zich los te rukken en haalde het mes waarmee hij aan dat geldbakje aan het peuteren was vlak langs m’n hals. Tot de dag van vandaag weet ik niet of hij me echt wilde snijden, maar het zou hem in elk geval niet hebben uitgemaakt áls hij me had geraakt. Mijn armen zijn langer dan de zijne en ik ben redelijk lenig, daardoor raakte hij me net niet, maar hij ontsnapte wel. Ik ben hem nog achterna gegaan, maar hij was te snel af.

Na zo’n gebeurtenis giert de adrenaline door je lijf. De toenmalige directeur, hij werkt inmiddels elders, maakte het nog veel erger. Toen ik hem verslag deed vroeg’ie doodleuk: ‘Werd je bedreigd of voelde je je bedreigd?’. Ik ben woedend weggelopen. Nog steeds interesseert het voorval op zich zelf me niks, mijn vrouw heeft er meer last van gehad dan ik, maar om die reactie kan ik nog altijd ontzettend kwaad worden.

Intussen is er wel meer aandacht voor veiligheid op school, in die tijd werd er zelfs gedeald op het plein en werden meisjes lastig gevallen. Maar voor nazorg is nog steeds geen beleid en er zijn nog steeds te veel vechtpartijen.

De dader bleek overigens een ex-leerling. Een docente die achter me liep en het zag gebeuren heeft hem herkend. De politie zocht hem ook voor andere dingen en heeft hem snel opgepakt. Justitie heeft hem poging tot doodslag ten laste gelegd en hij heeft twee jaar cel gekregen.”

Ik vind nog steeds dat ik een wereldjob heb. Het is heel spannend om ervoor te zorgen dat leerlingen en ik elkaar begrijpen, dat er daadwerkelijk iets overkomt, dat ze echt inzicht verwerven, wat meer is dan de stof begrijpen. Werken met mensen, dáár gaat hem om, meer dan om werken met de stof.”

Huub Buijssen en Mathilde Bos. Lesje geleerd?
Een gids nazorg agressie-incidenten leerkrachten.
Elsevier. Den Haag, Isbn 9057499630. prijs €25.

 

Lesje Geleerd?

Hoe reageren bij geweld op personeel
Auteur Huub Buijssen publiceerde reeds in 1994 Traumatische ervaringen van verpleegkundigen: als je beroep een nachtmerrie wordt (Elsevier). Daarna volgden versies voor psychiatrische verplegers, maatschappelijk werkers en hulpverleners in de verstandelijk-gehandicaptenzorg. Zopas verscheen een versie voor de onderwijswereld, die hij schreef samen met Mathilde Bos. Het is een beknopt boek (ongeveer 100 bladzijden) vol praktische informatie in een directe taal. Meteen bruikbaar als iemand op uw school slachtoffer werd van geweld. Hopelijk geldt dit niet voor u, maar ook dan is het een geruststelling als u “Lesje geleerd?” in de boekenkast heeft staan. Als geweld ook uw omgeving overvalt, kan u meteen nalezen hoe u best reageert.

Ervaringsverhalen
Het eerste deel van het boek bestaat uit zes ervaringsverhalen: 4 leraren en 2 directeurs (verhaal 2 en 4) die in hun functie geconfronteerd werden met geweld dat op hen gericht was. Die verhalen openen het boek omdat het kennisnemen van ervaringen van anderen een belangrijke vorm van zelfhulp is. Het slachtoffer leert zo dat de vreemde gevoelens die hem beheersen heel gewoon zijn: “In plaats van abnormale gevoelens bij normale gebeurtenissen zijn het normale gevoelens bij abnormale gebeurtenissen.” (p. 9) De getuigenissen tonen hoe geweld leraren raakt in hun onderwijsziel: alle zekerheden vallen weg: “Ikzelf durf niet meer terug. Ik heb het gevoel gefaald te hebben.” (p. 30) Een directeur reageert flegmatischer: “Ik vind dat – en dat klinkt misschien gek na het voorgaande – een dergelijk incident gewoon bij mijn werk hoort.” (p. 35 – een ouder die doodsbedreigingen uitte tegenover de directeur en zijn gezin, lek gestoken autobanden, afgebroken autoantenne en spiegel).

Een leraar (aangevallen door een 18-jarige leerling) besluit zijn verhaal met: “Ik heb me ook afgevraagd waarom juist dit incident me zo heeft aangegrepen. Ik heb in mijn leven vaker te maken gehad met bedreigingen en geweld, waarom heb ik het met deze gebeurtenis zo moeilijk gehad? Ik denk dat het komt omdat het op school gebeurd is. De school voelt als mijn plek, mijn thuis, de plaats waar ik veilig ben. Dat is heel anders dan op straat. Ik voel me niet meer veilig op mijn thuisbasis en dat doet me meer dan ik verwacht had.” (p. 42)

Tegenspraak
Het is hierbij belangrijk te noteren dat ‘geweld’ in ruime betekenis wordt gebruikt: je hoeft niet per se in elkaar geslagen te worden, ook bedreigingen of persoonlijke scheldpartijen kunnen als geweld worden ervaren. Bij zeven op de acht leraren die geconfronteerd worden met geweld in de uitoefening van hun functie, verdwijnen of vervagen de traumatische reacties binnen een maand. De symptomen tijdens die periode vallen onder drie groepen: (1) veelvuldige herbeleving, (2) vermijdingsreacties en (3) verhoogde prikkelbaarheid en waakzaamheid.

“Symptoom een en twee lijken met elkaar in tegenspraak. Hoe kan men immers zowel herbelevings- als vermijdingsreacties hebben? De waarheid is dat de betrokkene met zichzelf innerlijk in gevecht is. Zonder dat hij er iets kan aan doen, wordt hij voortdurend geconfronteerd met beelden van hetgeen hem is overkomen. Omdat deze beelden echter zoveel nare gevoelens en gedachten oproepen, doet hij er tegelijkertijd veel moeite voor om deze weg te stoppen en te vermijden. De innerlijke tweestrijd vormt dan ook de essentie van een psychotrauma.” (p. 63)

Bij een op de acht leraren duurt de verwerking langer dan een maand en dan spreekt men van een “posttraumatische stressstoornis” (PTSS). “De belangrijkste buffer tegen stress en het ontwikkelen van psychische stoornissen is sociale steun. Dit wil zeggen over ten minste één persoon beschikken die aan je denkt, als klankbord fungeert, je emotioneel bijstaat en je gevoelens niet veroordeelt.” (p. 72) In veel gevallen zal de partner, een vriend of familielid deze rol vervullen, maar het is belangrijk dat de directie ervoor zorgt dat er ook binnen de school iemand zich om het slachtoffer bekommert. Uit één van de praktijkvoorbeelden in het boek blijkt precies dat de situatie in de school escaleert omdat de directeur de probleemsituatie van een bedreigd leraar negeert.

Als topsport
“Het verwerken van een psychotrauma kost veel inspanning. Het is geestelijk en lichamelijk net zo veeleisend als het bedrijven van topsport. (…) Door toe te geven aan de gevoelens waarover men eigenlijk liever niet wil spreken omdat ze zo zeer doen, gaat de wond uiteindelijk dicht.” (p. 78) “Als men de pijn (…) steeds tracht te ontwijken, leidt dat op den duur tot lichamelijke of geestelijke klachten. De prijs van het zwijgen en wegstoppen is dat de pijn langer duurt. (…) Een pijnloos herstel is niet mogelijk.” (p. 80)

De auteurs geven een verklaring voor het feit dat mensen in het algemeen en leraren in het bijzonder zo verrast zijn als ze met geweld worden geconfronteerd. “Leerkrachten wéten dat de aard van hun werk met zich meebrengt dat er een kans bestaat met agressie geconfronteerd te worden. Als ze daar in hun dagelijks handelen voortdurend bij stil zouden staan, zouden zij zo krampachtig handelen dat ze hun werk niet meer zouden kunnen doen. Ze zouden er zeker geen plezier aan beleven. Zoals verkeersdeelnemers geloven dat ze geen verkeersongevallen krijgen als ze goed uitkijken, zo geloven leerkrachten dat hen niets overkomt zolang ze maar professioneel handelen.” (p. 81)

“Een ander diepgeworteld idee is dat onze wereld rechtvaardig moet zijn. (…) Voor een leerkracht is het daarom volslagen ongerijmd dat een ouder van een leerling voor wie hij zich inspant, zich plots tegen hem keert en hem naar het leven gaat staan. (…) Een schokkende gebeurtenis verstoort tevens hardhandig de illusie dat we een zekere grip hebben op ons bestaan. (…) Het stevig gewaande geloofshuisje ‘dat zal mij niet overkomen’ stort in. Verwerken houdt in dat men het puin van de psychische aardschok opruimt en de schade repareert. Er moet opnieuw een zekere orde worden opgebouwd.” (p. 81)

Internet en e-mailtherapie
Het boek gaat dan dieper in op vier verwerkingstrategieën: (1) zoeken naar een verklaring, (2) het verhaal vertellen, (3) vergelijken met anderen en (4) positieve interpretatie. Een uitgebreide checklist helpt het slachtoffer om te beslissen wat hij zelf kan doen (p. 87- 88): praat erover, wees bezig – maar pas op als je overactief wordt -, omring je met alles wat leeft, … Een tweede checklist (p. 89) somt situaties en gevoelens op die een signaal zijn dat je beter professionele begeleiding zoekt. Dat kunnen zowel persoonlijke contacten zijn met een therapeut als een internettherapie via de website van de vrije Universiteit Amsterdam of een e-mailtherapie bij het centrum van de auteurs (http://www.traumaopvang.com/ – twee maanden, kostprijs 550 euro).

De auteurs geven ook een reeks tips voor de mensen in de naaste omgeving van het slachtoffer van geweld. Eerst een waarschuwing: “De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de getroffene het de naaste omgeving niet altijd even gemakkelijk maakt. (…) Trots, schaamte en vervreemding van anderen staan menigmaal het simpel accepteren van hulp in de weg, terwijl men inwendig schreeuwt om steun.” (p. 91) “Het komt er dus op aan om ruimte te geven en zo uitnodigend te zijn. De kunst is hierbij is niet alleen de goede toon te raken, maar ook het goede moment te kiezen. (…) Een veel voorkomend misverstand is de gedachte dat het na een paar dagen wel weer over moet zijn. Men vraagt er dan niet meer naar. Echter, als een getraumatiseerde leerkracht de subtiele signalen van zijn omgeving opvangt en er niet meer over durft te beginnen, bestaat het risico dat hij alsnog in een isolement geraakt.” (p. 91)

Nazorg
In twee lijstjes vatten de auteurs samen wat je na een traumatische gebeurtenis best wel en – even belangrijk – best niet doet. Je kan deze lijstjes ook terugvinden op de website van de auteurs: http://www.traumaopvang.com/ – onder de rubriek “posters”.

Een apart hoofdstuk is gewijd aan de nazorg binnen de onderwijsinstelling. Als u als directeur weinig leest in dit boek, lees dan in elk geval deze 16 bladzijden. U kan er een draaiboek mee uitschrijven voor het geval er zich bij u op school een geweldconflict voordoet. Veel is ook bruikbaar als uw leerlingen geconfronteerd werden met geweld. De nazorg vertrekt van vier primaire behoeftes van een slachtoffer: (1) erkenning van het slachtofferschap, (2) compassie, (3) informatie en (4) een luisterend oor.

Zoals de slachtoffers van een natuurramp verwachten dat koning en eerste minister de plaats van de ramp bezoeken, zo verwacht een slachtoffer van geweld dat u als directeur aandacht heeft voor hem. Het is de erkenning van het slachtofferschap. “In eerste instantie hoort dan ook de vraag niet aan de orde te zijn of de leraar zelf mogelijk schuld had aan het incident dan wel het had kunnen voorkomen.” (p. 96) Hoe ernstiger het incident, hoe krachtiger uw erkenning moet zijn (bijvoorbeeld bezoek aan huis, meerdere telefoontjes, …). Bovendien: “Erkenning van het slachtofferschap houdt ook in dat de leiding alles in het werk stelt om een herhaling van het incident te voorkomen.” (p. 96)

De auteurs gebruiken met opzet het woord “compassie” omdat ze precies geen ‘medelijden’ aanraden, want “dat is juist iets wat slachtoffers niet willen” (p. 96). Om aan te tonen wat ze bedoelen, vertalen ze naar het Duitse ‘Mitgefühl’: “Een psycholoog of psychiater kan u deze compassie niet bieden omdat hij u niet kent en omdat hij van nature een zekere distantie bewaart.” (p. 96) Imiteer uw burgemeester niet en stuur geen team experten naar de getroffene. De auteurs verwijzen ter vergelijking naar een onderzoek in Nederland dat aantoont dat slechts 11 % van de leerlingen die slachtoffer zijn van ongewenst seksueel gedrag naar de mentor of vertrouwenspersoon op school stappen: die drempel is te hoog. Vaak komen slachtoffers er sneller bovenop zonder die professioneel hulp dan mét. Organiseer dus collegiale opvang op school.

Preventie
Als directeur moet u weten “dat het slachtoffer er grote behoefte aan heeft om te horen hoe het na het incident verder ging.” (p. 98) Is de leerling op het matje geroepen of geschorst? Werd contact genomen met de ouders? Kwam de politie eraan te pas? Werden er preventiemaatregelen genomen? Daarnaast heeft het slachtoffer ook behoefte aan informatie over wat er lichamelijk en psychisch met hem aan de hand is – zodat hij zich niet gaat afvragen of hij wel normaal is, of hij weer de oude wordt. De lectuur van dit boek kan daarbij helpen. U vindt ook de ingekorte tekst van een brochure – zoals u er zelf een kan uitwerken – op de website van GGZ-Drenthe.

De schoolleiding, zo stellen de auteurs, hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede opvang. Dat houdt ook in dat zij ervoor zorgt dat de getroffene een luisterend oor heeft – en dat dit over een langere periode aanwezig is: “Slachtoffers van werkgerelateerde psychotrauma’s hebben vaak als klacht dat collega’s en leiding vaak goed steunen gedurende de eerste periode na het incident, maar dat de belangstelling en steun daarna snel wegebt. Na een paar dagen ‘moet het over zijn’ en praat men er niet meer over. Voor het slachtoffer breekt dan vaak de moeilijkste tijd aan: hij voelt zich helemaal alleen staan.” (p. 100) De directeur wordt dan ook geadviseerd één of twee personeelsleden aan te duiden die verantwoordelijk zijn voor de opvang. Bij voorkeur volgen die personen een korte cursus rond traumaopvang. Da auteurs omschrijven ook hoe deze personen worden geselecteerd en welke hun rol is.

“In het kader van nazorg is ook van belang dat scholen werk maken van het voorkomen van incidenten. Als het management wel goede opvang regelt en niets doet aan preventie voelt het slachtoffer zich nog niet serieus genomen. ‘De schoolleiding vindt kennelijk dat we morgen weer slachtoffer mogen worden.'” (p. 109).

Lesje Geleerd? Indringende ervaringsverhalen van leraren
Huub Buijssen en Mathilde Bos. – ‘s-Gravenhage: Elsevier bedrijfsinformatie, 2002. – 125 p.
ISBN 90 5749 963 0
25 euro

‘Incidenten in de zorg kunnen grote impact hebben’ IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005

IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005, pagina 7-9

Opvang staat of valt met belangstelling en rust

door Alex Huismans

In uw werk kunt u te maken krijgen met ingrijpende gebeurtenissen, zoals het overlijden van een kind, een mislukte reanimatie of de zelfdoding van een cliënt. Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier, maar goede opvang met voldoende rust en betrokkenheid van uw omgeving is absoluut noodzakelijk. Zo voorkomt u serieuze problemen.

Een bewoner die ’s nachts in totale eenzaamheid overlijdt omdat er een personeelstekort is. Of een cliënt met wie u een hechte band hebt opgebouwd, blaast zijn laatste adem uit. Het zijn voorbeelden van voorvallen die u kunnen raken en uw functioneren in de weg kunnen staan. Als medewerker in de gezondheidszorg bent u betrokken bij mensen. Daarom hebt u voor uw beroep gekozen en kan de gezondheidszorg niet zonder mensen als u. Maar om uw werk met plezier en op een gezonde manier te kunnen blijven doen, is een te grote betrokkenheid ook niet goed. Professionele afstand is het devies, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Op eigen manier verwerken
Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier. De een wil er het liefst vaak en veel over praten, een ander gaat liever sporten. Beide manieren zijn goed zolang ze in balans zijn. Alleen maar praten is niet verstandig, en je verliezen in de sport om maar niet aan het voorval herinnerd te hoeven worden, evenmin. Daarnaast is het belangrijk dat u probeert uw vaste patroon van slapen, werken, eten en ontspannen vast te houden, want structuur geeft u houvast. Juist in moeilijke periodes is regelmaat heel belangrijk. Bent u niet in staat om uw normale werkzaamheden uit te voeren, vraag uw leidinggevende dan of u tijdelijk andere, minder belastende taken, op u kunt nemen. Een tijdje in de luwte werken, is in veel gevallen beter dan thuis zitten. Zo blijft u betrokken bij uw werk en is de stap om weer volledig aan de slag te gaan, minder groot.

Praten, praten, praten
‘Je moet er veel over praten, dat lucht op.’ Veel mensen die iets ergs hebben meegemaakt, krijgen dat te horen van hun omgeving. Ten onrechte, want praten is niet altijd de beste manier om een ingrijpende gebeurtenis te verwerken. Vooral niet in het begin als ze het liefst met rust gelaten willen worden. En die rust krijgen ze niet als collega’s, familieleden en vrienden steeds weer over het incident willen praten. Door hun opstelling dwingen ze iemand min of meer terug te gaan naar de gebeurtenis, terwijl hij juist bezig is om die achter zich te laten. Wilt u een collega steunen, ga dan niet graven in zijn gevoelens. Door uw manier van helpen, kunt u zelfs meer schade aanrichten dan tot steun zijn. Vooral bij kwetsbare personen kunnen de gevolgen groot zijn, ook op langere termijn.

“Wat kan ik voor je doen?”
Wilt u uw collega echt steunen, speel dan in op zijn behoeften en houd er rekening mee dat elk verlies of vervelende gebeurtenis tijd kost om te verwerken. De vraag “wat kan ik voor je doen?” is de beste u kunt stellen. Zo toont u wel belangstelling, maar dringt u zich niet op. Uw collega krijgt de ruimte om aan te geven waar hij op dat moment behoefte aan heeft. Hij heeft de regie in handen en kan in alle vrijheid aangeven als u op dat moment niets voor hem kunt doen.
Is u zelf iets vervelends overkomen, besef dan dat niet iedereen even goed reageert op het voorval dat u hebt meegemaakt. Meestal is er geen sprake van boze opzet, maar weten collega’s, familieleden of vrienden niet goed raad met de situatie. Uit onmacht of onzekerheid kunnen ze op een manier reageren die u niet had verwacht of waar u op dat moment niet op zat te wachten. Veroordeel dergelijke reacties niet, maar accepteer ze.
Voor de mensen in uw omgeving kan het lastig zijn om af te wegen wanneer ze u met rust moeten laten en wanneer aandringen gepast is. Maar u mag er vanuit gaan dat degenen die u echt goed kennen, weten hoe ze zich het beste kunnen opstellen.

Toon belangstelling
Mensen die iets ergs hebben meegemaakt, waarderen belangstelling en blijken van medeleven. Een kaartje, bloemetje, telefoontje of sms’je doen het altijd goed. Meeleven is prima, maar aan medelijden hebben ze niets. Ze willen niet zielig gevonden worden en kunnen zich door blijken van medelijden zelfs slechter voelen. Is uw collega iets ergs overkomen en wilt u na verloop tijd weten hoe het met hem gaat, stel dan niet de vraag “hoe is het?”. Deze beleefdheidsvraag kan hij bijna niet anders beantwoorden dan met “goed”. Het is verstandiger een andere formulering te kiezen, zoals: “Je hebt laatst iets vervelends meegemaakt. Hoe gaat het op dit moment met je”.
Leidinggevenden spelen na een ingrijpende gebeurtenis een belangrijke rol. Juist omdat het incident in de werksituatie is gebeurd, verwacht de betrokkene iets extra’s. “Ik heb me altijd ingezet voor mijn werkgever, nu moet hij er voor mij zijn”, zo is vaak de reactie. Een medewerker zal de rol van zijn leidinggevende extra kritisch bekijken. Belangstelling tonen, aandacht geven en de juiste toon aanslaan zijn noodzakelijk. Een vraag als “wanneer kom je weer werken?” kan bij een medewerker in het verkeerde keelgat schieten. Hij voelt zich onder druk gezet en niet serieusgenomen.

Sterker in je schoenen
De impact die een incident op u kan hebben, heeft voor een deel te maken met uw persoonlijkheid. Wanneer u als stagiair(e) of onervaren medewerker iets ergs meemaakt, kunnen de gevolgen groter zijn dan wanneer u al langer werkt. Hoe aangrijpend een voorval ook geweest kan zijn, u wordt er in veel gevallen weerbaarder en sterker van. U hebt leren ontdekken wat u zoal aankunt. Er is iets erg gebeurd, maar u bent niet bezweken. U bent overeind gekrabbeld en hebt na verloop van tijd de draad weer opgepakt. Deze ervaring kan ervoor zorgen dat u sterker in de schoenen komt te staan.

 

Nathalie Muskens is betrokken maar kan werk loslaten
‘Soms moet ik een traantje wegpinken’

Nathalie Muskens werkt als ziekenverzorgster psychogeriatrie en is tijdelijk waarnemend afdelingshoofd in verpleeghuis De Weerde in Eindhoven. Het verpleeghuis is onderdeel van De Vitalis Zorg Groep. Door haar werk heeft Nathalie regelmatig te maken met het overlijden van patiënten. ‘Toen ik met dit werk begon, wist ik dat sterfgevallen erbij horen. Ik heb er nooit moeite mee gehad. Dat komt voor een deel doordat vroeger bij ons thuis heel normaal over de dood werd gesproken. Gelukkig heb ik in mijn werk nooit aangrijpende sterfgevallen meegemaakt. Sommige collega’s wel. Laatst vond iemand een patiënt die was gestikt. Dat vond ze heel naar om te zien. Gelukkig hebben we haar kunnen steunen, bijvoorbeeld door met haar te praten. Zo voorkom je dat je er mee blijft rondlopen. Ik ben betrokken bij mijn werk, maar kan het goed loslaten. Dat wil overigens niet zeggen dat een sterfgeval me onberoerd laat. Vooral niet als je een hechte band met iemand hebt opgebouwd. Soms moet ik een traantje wegpinken en daar schaam ik me niet voor. Vaak zie je een sterfgeval aankomen. Je kunt je er dan op voorbereiden. In ons maandelijks zorgoverleg praten we over de gang van zaken. Hoe hebben we gehandeld na een sterfgeval? Waar hadden we het eventueel beter kunnen doen? Daar kunnen we dan van leren.
Bij een sterfval hoort natuurlijk ook het afleggen van de overledene. Dat vind ik iets heel moois. Het is het allerlaatste wat je nog voor iemand kunt doen. En voor mezelf is het de afsluiting van de zorg die ik heb gegeven.
Onze instelling besteedt gelukkig veel aandacht aan de nazorg na een overlijden. Iedereen kan bij collega’s terecht of eventueel bij een psycholoog. Ik heb onlangs extra aandacht gevraagd voor de mogelijkheid om een beroep te doen op professionele hulp. De Vitalis Zorg Groep krijgt er straks een afdeling voor palliatieve zorg bij, waar ook jongeren worden verpleegd. Het overlijden van een leeftijdgenoot kan veel ingrijpender zijn dan een sterfgeval in ons verpleeghuis. Om problemen te voorkomen, moet er goede nazorg zijn.’

Huub Buijssen, klinisch psycholoog en traumadeskundige
‘Zorg voor een goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust’

‘De onverwachte dood van een kind, het maken van een fatale fout of agressief gedrag van een cliënt of bezoeker zijn gebeurtenissen die mensen sterk kunnen aangrijpen. We spreken van een traumatische gebeurtenis als iemand tijdens of vlak na het incident gevoelens had van extreme angst, machteloosheid en afschuw. Iedereen heeft het dan enige tijd heel moeilijk. Hoe lang en hoe hevig, dat hangt voor een groot deel af van iemands persoonlijke veerkracht, de steun die hij krijgt en van de aard van het voorval. Wat het laatste betreft, gebeurt iets heel onverwacht of heeft een medewerker het idee dat hij het voorval had kunnen voorkomen, dan is de impact meestal groter. Een sterfgeval dat je ziet aankomen, brengt vaak minder heftige emoties met zich mee. Je houdt er geen psychotrauma aan over.
Een traumatische gebeurtenis te boven komen, verloopt hetzelfde als het genezingproces bij een ernstige lichamelijke verwonding of blessure. Bij beide gaat het om de goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust. Bij een psychotrauma is afleiding en ontspanning net zo belangrijk als praten. Daarom is het goed dat mensen in de directe omgeving niet steeds ongevraagd het incident ter sprake brengen. Belangstelling tonen en aandacht geven is natuurlijk heel belangrijk, maar dat hoeft niet altijd praten te zijn. Net als bij een lichamelijke wond hebben velen de eerste dagen juist wat behoefte aan rust en afleiding. Betrokkenheid kun je ook laten blijken door te vragen waar de ander behoefte aan heeft of te vragen of je iets voor de ander kunt doen. Zo laat je de regie ook bij de ander.
Laat iemand zijn eigen verwerkingstempo bepalen en respecteer zijn eigen manier van verwerken. Verder is het raadzaam om de “natuur zijn werk te laten doen” en de weerbaarheid van mensen niet te onderschatten. De meeste mensen die iets ergs hebben meegemaakt, komen er weer bovenop. Normaal doen en de hoop op herstel uitstralen, is daarom beter dan medelijden tonen of overbezorgdheid reageren.
Meer informatie: www.traumaopvang.com

 

Vijf tips om uw collega te ondersteunen

Tip 1
Toon medeleven. Na een vervelende ervaring heeft een mens eerst en vooral behoefte aan een gevoel van betrokkenheid. Laat uw collega merken dat u er voor hem bent. Geef een schouderklopje, pak de telefoon, stuur een kaartje, bloemetje of sms’je.

Tip 2
Biedt in het begin vooral praktische steun. Vraag of u iets kunt doen of regelen. Ook op deze manier toont u uw betrokkenheid en medeleven. Voor veel mensen is praktische ondersteuning in het begin belangrijker dan emotionele opvang.

Tip 3
Leg uw verwerkingsstijl niet op aan uw collega. Iedereen heeft een eigen manier van verwerken. Wat voor u goed is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Respecteer dat.

Tip 4
Zeg en vraag niet te veel. Laat uw collega tot rust komen. Te intensieve opvang is vaak goed bedoeld, maar kan verkeerd uitpakken. Stel vragen als: “wat kan ik voor je doen?” en “waar heb je behoefte aan?” Graaf niet in andermans emoties en praat alleen over het incident als uw collega dat wil.

Tip 5
Onderschat de weerbaarheid van uw collega niet. Duw iemand niet te veel in de slachtofferrol en maak geen drama van het incident. Het helpt als uw collega ervan overtuigd is dat hij er wel weer bovenop komt. Stimuleer hem in deze overtuiging.

Tips ontleend aan:
Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt. Elsevier, 2003