Burn-out of depressie?

Burnout of depressie?

Omdat ik me de laatste tijd niet goed voel, ben ik naar de huisarts gegaan en die vertelde me dat ik een burn-out heb.  Op internet deed ik zojuist een zelfhulptest en daar kwam uit dat ik waarschijnlijk een depressie heb. Wie moet ik nu geloven? En wat is precies het verschil tussen een burn-out en een depressie?  Meneer Bosman, Arnhem.  

Ofschoon het in veel gevallen verre van gemakkelijk is een burn-out en een depressie van elkaar te onderscheiden, hebben ze een verschillend klachtenpatroon.  Meest typerend  voor een burn-out zijn ongewone vermoeidheidsklachten.  Zelfs na een goede nachtrust sta je dan nog moe op. De moeheid zit dan immers in je  lichaam en in je hoofd.  Een burn-out komt door het werk, daarom kunnen ook huisvrouwen en mantelzorgers het krijgen.  Als je een burn-out hebt, staat het werk je tegen en bij de gedachte aan je werk voel je vaak al slecht. Tegelijkertijd kun je dan nog wel plezier beleven aan een hobby.  Als je een depressie hebt, voel je je daarentegen ‘overall ‘ ellendig. Ook als  je niet aan je werk denkt. Niets kan je echt opbeuren. Bij een depressie begrijp je vaak niet of maar ten dele waarom je je zo rot voelt. ‘Ik heb alles om gelukkig te zijn, maar toch ..’  Als je burn-out hebt, snap je wel waar je klachten vandaan komen: van je werk. Tenslotte, bij een depressie heb je vaak een veel negatiever zelfbeeld dan bij een burn-out.  

Depressie en burn-out en kunnen vergezeld kunnen gaan van een lange reeks van andere symptomen waarvan ze er ook sommige gemeenschappelijk hebben. Zoals slapeloosheid, besluiteloosheid, concentratieproblemen, geen zin in seks, veel piekeren.  Om het nog ingewikkelder te maken, gaan burn-out en depressie ook nogal eens samen. Een burn-out zonder depressie komt zelfs niet zo vaak voor (Sommige wetenschappers zien burn-out daarom als een vorm van depressie en niet als een op zich staand begrip). Het kan dus goed zijn dat u aan beide aandoeningen leidt. Een andere mogelijkheid is dat u  een aan een zuivere depressie leidt. Hoewel deze wel vaak op zichzelf staat, geeft menige huisarts zijn patiënten ook dan toch liever de diagnose burn-out.  Hij doet dat omdat hij weet dat mensen, vooral mannen, zich voor een depressie schamen.  Burn-out wordt immers eerder geassocieerd met hard werken en met winnaars, depressie met falen en met losers.

Het belangrijkste is dat u nu een goede behandeling krijgt.  Gelukkig komen de meest werkzame elementen van een burn-out behandeling overeen met die van een depressiebehandeling:   anders leren denken ‘door niet helpende gedachten  aan te pakken (zoals “als ik niet hard werk, vindt niemand me aardig),  stressbronnen in het leven verminderen, meer  reële eisen aan jezelf stellen (goede balans werk-privé), zinvolle sociale contacten op- of uitbouwen en voldoende bewegen.     

Ver lezen? Huub Buijssen. Ik zie het weer zitten. Stap voor stap van je depressie af. Spectrum, Houten, 2009

 

Drink ik te veel?

 

Mijn huisarts vroeg me toen hij me medicijnen voorschreef om beter te kunnen slapen hoeveel alcohol ik dronk. Toen ik hem vertelde dat ik dagelijks  vier glazen wijn drink, adviseerde hij me te minderen naar hooguit anderhalf glas per dag.  ‘’Voor u als vrouw is anderhalf glas per dag het maximum en nu u ook slaapmedicatie gaat gebruiken, zou u eigenlijk nóg minder moeten drinken.’ Ik was te perplex om te reageren. Is mijn huisarts niet een te strenge calvinist? Mevrouw Haas, Rotterdam.

Uw huisarts heeft gelijk.  Voor vrouwen is een kwart van een fles wijn van 0,75 cl (met een alcoholpercentage van 12%) het maximum, mannen mogen per dag een derde van een fles wijn drinken. En alcoholdeskundigen zijn het er verder over eens dat men twee aangesloten alcoholvrije dagen in acht moet nemen.  Het verschil tussen mannen en vrouwen komt onder meer doordat het mannelijke lichaam alcohol beter afbreekt. Mannen zijn daarom minder snel onder invloed dan vrouwen.  Maar boven de zestig adviseert  de Gezondsheidsraad  mannen te minderen naar het niveau van vrouwen. Wat kunnen de twee of drie extra’s glazen nu kwaad? Welnu, meer drinken dan de norm vergroot de kans op allerlei ziektes diverse vormen van darmkanker, leverziektes, hart- en vaatlijden, dementie en diabetes.   Een te hoge dosis alcohol verstoort ook de gezonde slaap. Men slaapt weliswaar eerder in, maar de kwaliteit van de slaap is veel minder.  Het gevolg kan dan zijn dat men dan gaat vragen om  ..slaapmedicatie.  Maar dat is nog niet alles. Bij alcoholverslaving denken mensen meestal aan mensen die zich al bijna jaren bijna elke dag laveloos drinken.  Maar ook mensen die minder, maar wel regelmatig meer dan de norm drinken, kunnen door alcoholgebruik in de problemen komen.  Normale veroudering gaat gepaard met verandering in het lichaam, zoals een mindere werking van lever en nieren,  waardoor het lichaam alcohol niet meer zo goed aankan. Bij gelijkblijvend gebruik, van bijvoorbeeld 4 glazen, kunt u zo toch een kritische grens passeren.  Sluipenderwijs kan het dan zover komen  dat u niet meer zonder alcohol te kan.  Ongeveer 1 op de 10 oudere verslaafden – een groep die de laatste jaren snel groeit – hoort tot deze categorie.   Uw huisarts heeft ook gelijk dat hij adviseert bij slaapmedicatie nog wat minder te drinken dan de norm omdat alcohol en medicatie elkaars werking versterken en ook omdat de combinatie gemakkelijk tot verslaving leidt.   Is uw huisarts een calvinist die u het genieten wil verbieden?  Nee, het optimale effect, de heerlijke combinatie van lichte roes en ontremming,  krijgt u meestal  al bij de toegestane hoeveelheid.  Omdat uw lichaam enige tijd nodig heeft om alcohol in het bloed op te nemen, ervaart u  dit effect echter vaak pas als u een paar glazen méér op hebt. Ten onrechte denkt u dan dat u zich  dankzij het vierde of vijfde zo goed voelt. Kortom, wilt u genieten, drink dan met mate.    

 

 

Soms word ik gek van mijn man.

 

Ik ben gek op mijn man, maar soms word ik ook gek van hem.  Als ik hem ergens op aanspreek, dan trekt hij zich terug en zegt hij niets meer. Meestal een paar dagen, soms zelfs een week. Ik voel me dan zo alleen en beroerd. Ik slaap dan slecht en elke dag word ik moe wakker.  Mevr. Hoek, Vlaardingen

Relationele spanningen kunnen inderdaad letterlijk ziekmakend zijn.  Onderzoek heeft aangetoond dat in periodes van relationele stress mensen eerder een verkoudheid oplopen, sneller griep krijgen, wondjes minder snel herstellen en het hart het dan ook overuren maakt. Hoewel bij sommige stellen de rollen precies andersom zijn, is wat u beschrijft het klassieke patroon: de vrouw levert kritiek op haar man en deze sluit zich vervolgens af. Vrouwen kan dit tot razernij brengt. ‘Hij negeert me gewoon, zo gevoelloos!’ Het laatste klopt echter niet, zo toonde de psycholoog dr. John Gottman aan. In een onderzoek koppelde hij echtparen die huwelijkstherapie ondergingen aan apparatuur die een breed scala van fysiologische reacties registreerden en ontdekte zo dat mannen bij ruzies fysiologisch geprikkelder raakten dan vrouwen: hun hart klopte sneller, ze transpireerden meer en ze werden gespanne­ner. Gottman concludeerde dat veel mannen ruzies via terugtrekgedrag proberen te vermijden omdat ze gevoeliger zijn dan hun echtgeno­tes en omdat ze de hevige emoties die ruziema­ken met hun echtgenote oproept, niet aankunnen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de meeste mannen so wie so op stress – en kritiek is voor hen stress – reageren met oestergedrag.

Wat kun je doen? Bespreek niet meteen je ergernis, maar wacht er een dag mee. Doe dit zeker als je het liefst meteen wilt losbranden. Als je ruim baan aan je boosheid, wordt deze in plaats van minder juist heviger. Jij verliest dan je redelijkheid en je man eveneens. Een dag of enkele uren later, ben je rustiger. En net zo belangrijk: de meeste ergernissen vind je dan niet meer de moeite waard. De andere bespreek je dan met je partner. Liefst zo kort mogelijk waarbij je vooral het oog richt op de toekomst. ´Ik kom nog even terug op gisteren. Toen ik van huis kwam, was de vaat nog niet uitgeruimd. Wil je voortaan op ‘jouw huishouddag’ dit doen zonder dat ik er bij thuiskomst om moet vragen. Je doet er me een groot plezier mee?´´ Het laatste zinnetje doet er ook toe! Je geeft hem het gevoel dat hij je gelukkig kan maken. En geloof het of niet:de meeste mannen willen niets liever. 

Meer lezen: Huub Buijssen: Nu begrijp ik je. Beter met je partner communiceren  (2010).

Met romantiek heeft het huwelijk weinig te maken.

 

Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben? Dat ideaalbeeld is de bron van veel relationeel ongeluk. ‘Want in praktijk heeft het huwelijk heel wat verrassingen in petto.’

Uit naam van de ‘eeuwige liefde’ verwachten partners het vrijwel onmogelijke van elkaar. De ander moet niet alleen leuk zijn, maar ook lief, woest aantrekkelijk, vol begrip, slim, attent en succesvol. ‘Daar kan natuurlijk bijna niemand aan voldoen’, zegt klinisch psycholoog en communicatietrainer Huub Buijssen (57). Vroeger, zegt hij, was het voldoende als een man zijn gezin kon onderhouden, terwijl de vrouw huis, haard en kinderen bestierde. Mannen en vrouwen leefden feitelijk altijd in verschillende werelden. Totdat in het midden van de 19e eeuw de overtuiging ontstond dat mensen vooral uit liefde met elkaar moesten trouwen. Het romantisch ideaal is sindsdien onuitroeibaar gebleken. ‘Nu móet je elkaar totaal en voor altijd gelukkig maken. Maar zet twee mensen bij elkaar en je hebt dubbel zoveel problemen. Je deelt samen veel sores, maar de extra belasting zorgt ook voor stress die je vervolgens op elkaar afreageert.’

Het ís me wat met partnerrelaties, erkent Buijssen. ‘Het ideaalbeeld heeft voor veel relationeel ongeluk gezorgd, en nog steeds. Want zo werkt het in praktijk niet. Daarvoor verschillen liefdespartners meestal te veel van elkaar. Het idee dat je door een huwelijk nog lang en gelukkig zult leven, is vragen om moeilijkheden. Want het heeft heel wat verrassingen in petto.’

Welke dat zijn, waardoor ze worden veroorzaakt en hoe de onaangenaamheden, de misverstanden en de valkuilen enigszins kunnen worden omzeild heeft Buijssen beschreven in het boek Nu begrijp ik je, over verborgen verwachtingen en verlangens tussen mannen en vrouwen. Eén ding is duidelijk: partners verwachten te veel van elkaar, ze koesteren verschillende – en soms tegenstrijdige – verwachtingen én ze zijn daar tegenover elkaar niet duidelijk (genoeg) over. ‘Mensen willen vaak  een twee-eenheid zijn en tegelijk onbelemmerd hun eigen leven leiden. Vaak is het een heel gevecht om een goede balans te vinden.’

Portefeuillehouder

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek eindigt een op de vier huwelijken binnen twintig jaar in een echtscheiding. Op de langere termijn eindigt circa een op de drie huwelijken in een scheiding. ‘Onthutsender vind ik dat vooral vrouwen hun huwelijk een mager zesje geven. Zij zijn meestal de portefeuillehouder van de relatie en stellen die aan de orde, terwijl mannen over het algemeen tevredener over hun relatie zijn. Bovendien moet hij buitenshuis, op het werk, figuurlijk al ‘vechten’; eenmaal thuis wil hij rust en vooral geen strijd met zijn vrouw. Er ontspint zich vaak een vast patroon: de vrouw zoekt toenadering of de confrontatie, de man deinst terug.’

Wat zo’n confrontatie bemoeilijkt, is dat mannen en vrouwen een verschillende kijk op de werkelijkheid hebben. ‘Zij verschillen in karakter, in sekse, in behoeftes, in manier van communiceren en houden er andere normen en waarden op na. Ieder heeft zijn eigen waarheid, of een stukje ervan, en heeft dus een beetje gelijk. Dat maakt dat een juiste omgang met een partner ingewikkelder kan zijn dan het besturen van een straaljager. En een gebruiksaanwijzing is er niet. Mensen ontdekken van lieverlede meestal dat de verschillen met hun partner niet zozeer voortkomen uit onwil of gebrek aan liefde, als wel uit de verschillen in behoeftes en opvattingen.’

Toch is het geloof in De Ware bijna onuitroeibaar, zegt Buijssen. ‘Via kunst, hard werken en de liefde zijn we altijd op zoek naar een gevoel van eeuwigheid en onsterfelijkheid. We blijven op zoek, en we blijven teleurgesteld worden. Toch geven we niet op; het verlangen naar die ene is groter dan wij zelf. En ook al ben je wel gelukkig met een partner: geluk went en je wilt altijd méér. Dat verschijnsel maakt partnerrelaties tot explosieve bommetjes.’

Toiletbril

Neem bijvoorbeeld de kleine ergernissen. Het spreekwoordelijke dopje van de tandpasta, het natplassen van de toiletbril, een slordig huishouden. ‘Partners verwachten van elkaar dat de ander begrijpt hoe jij het wilt hebben en wat jij bedoelt. Maar wat de éen verwacht kan erg afwijken van de verwachtingen van de ander. Een van beiden kan iets superlogisch vinden en denkt dat hij of zij het er daarom verder niet over hoeft te hebben. Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben?’

Bij ruzie tussen partners komt vervolgens een explosief goedje naar voren: een combinatie van feiten, gevoelens, eigen identiteit (verdien ik dit eigenlijk?) en behoefte aan verbondenheid. In no time kan de boel daardoor escaleren. ‘Stel een gesprek liever uit als je merkt dat je te boos bent. Wacht een dag, maak een ommetje, zoek een constructieve oplossing. Dat vergt veel zelfbeheersing, maar heeft veel meer effect. Want in feite is een ruzie een voortdurend gevecht om liefde. De boodschap erachter luidt: hou van me, wees mijn ideaal, begrijp me, wees attent en lief voor me. Zolang mensen ruziën, is er sprake van verbondenheid. Ze willen er graag samen uit komen.’

Gezien de praktische voetangels en klemmen van het romantisch ideaal, is een verstands- of zelfs een gearrangeerd huwelijk misschien toch niet zo heel verkeerd? ‘Uit onderzoek blijkt dat die partners aanvankelijk minder gelukkig zijn, maar de schade na een paar jaar inhalen. Nog wat jaren later zijn zij zelfs gelukkiger dan mensen die uit liefde met elkaar zijn getrouwd. Zij weten dat ze er iets van moeten maken, en dat lukt vaak ook. In het westerse huwelijk staat altijd de deur van de nooduitgang – echtscheiding – op een kier. Ik wil geen propaganda maken voor het gearrangeerde huwelijk, maar het maakt wel duidelijk dat ons romantische ideaal niet zaligmakend is.’

Nu begrijp ik je, Huub Buijssen. Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum. ISBN 978 90 491 0437 5, prijs ….euro.

 

 

 

Tweede Nursing event 2004 een succes Nursing, januari, 2005

Educatie maakt enthousiast

door Margot Hamel

Zes congressen, 170 workshops, tachtig exposanten, een collegeserie verplegingswetenschappen, een markt van patiëntenverenigingen en een praktijkschool voor verpleegkundige vaardigheden. De 2500 bezoekers van het Nursing Event 2004 konden kiezen uit een ruim aanbod van verpleegkundige vakinformatie. Zowel voor het opfrissen van de basiskennis als voor verdieping. Nursing vroeg workshopbezoekers naar hun ervaringen.

De zeven gouden stappen van effectieve gesprekken
Spreker: Huub Buijssen, klinisch psycholoog, auteur en eigenaar Buijssen training en Educatie.

‘Advies geven als hulpverlener raad ik af’
De zeven gouden stappen voor effectieve gesprekken, zijn te gebruiken voor coaching, conflicthantering en supervisie, maar ook voor gesprekken met patiënten. De essentie van deze methode is dat je iemand in zeven stappen naar een door hemzelf bedachte en uitvoerbare oplossing leidt. Om dit concreet te maken, krijgen de deelnemers aan de drukbezochte workshop een casus op schoot van de 53 jarige Annelies Weehuize. Zij kan niet loskomen van haar dementerende moeder en merkt dat zij steeds verder verwijderd raakt van haar man. Huub Buijssen vraagt: ‘Hoe begin je het gesprek?’ Allerlei antwoorden vliegen door de zaal. Zo zou iemand voorstellen beetje bij beetje minder langs te gaan bij moeder. Huub vindt alle antwoorden interessant, maar geeft aan dat het de voorkeur heeft geen adviezen moeten geven. En hulpverleners willen dat juist zo graag! En deze gespreksmethode start er mee om primair het verhaal van de ander door zijn ogen trachten te zien. Via verschillende stappen bepaalt de ander zelf zijn favoriete oplossing, en in stap 7 evalueer je samen hoe het is gegaan. Blijft het nog vaag? Volgend jaar verschijnt een boekje over dit onderwerp van Huub’s hand.

 

Geloven in toveren? PSY Tijdschrift voor geestelijke gezondheidszorg, Januari 2002

Ik geef toe, suggestibel als ik ben, heb ik jaren lang op het punt gestaan me ook te bekeren tot ‘het toveren met ogen’. Het was te mooi om niet waar te zijn!

Ik verloor het geloof in het emdr-sprookje echter in april 2001 toen ik een nummer van de The Journal of Consulting en Clinical Psychology onder ogen kreeg. Daarin stond een meta-analyse naar de effectiviteit van deze wonderlijke behandelvorm. Voor de emdr-aanhangers hadden de onderzoekers Davidson & Parker, die in hun mega-studie 34 gecontroleerde onderzoeken betrokken, slecht nieuws. Maar laat ik met het goede nieuws beginnen dat er ook was, namelijk dat emdr beter is dan geen behandeling of placebo. Het slechte nieuws was dat emdr het niet beter doet dan de gangbare therapieën voor ptss: in vivo exposure, not vivo exposure of cognitieve gedragstherapie. Maar er was nog meer slecht nieuws, véél slechter nieuws. Ik doel niet op de bevinding dat therapeuten die een gecertificeerde emdr-opleiding hadden gevolgd geen betere resultaten behaalden dan hun collega’s zonder deze opleiding. Neen, ik doel op de ontluisterende uitkomst dat emdr zónder snelle oogbewegingen even effectief bleek te zijn als emdr mét oogbewegingen. Datgene wat emdr zo bijzonder maakt doet er dus totaal niet toe. Of zoals Salkovskis in een commentaar zo treffend verwoordde: ‘Wat nieuw is aan emdr is niet effectief en wat effectief is (de confrontatie, zoals ook bij cognitieve gedragstherapie) is niet nieuw.’

Ik moest een aarzeling overwinnen om dit stukje te schrijven. De patiënten die hun heil zoeken bij emdr zouden er de dupe van kunnen worden. Uit onderzoek weten we dat de therapeuten die zelf geloven in hun behandeling – om het even of het om praten of pillen gaat – aanzienlijk betere behandelresultaten behalen dan hun minder gelovige collega’s. Therapieën doen het daarom tijdens de jeugdjaren het beste: therapeuten en patiënten zijn dan nog niet bedorven door allerlei relativerende studies en commentaren. Maar emdr-adepten zullen zich door dit stukje vast niet van de wijs laten brengen, integendeel zelfs. Festinger’s theorie van de cognitieve dissonantie voorspelt immers dat juist de ‘die-hards’ nu nog fanatieker zullen vasthouden aan hun geloof.

Huub Buijssen
klinisch psycholoog NIP

 

Inzet traumaspecialisten bij opvang na rampen werkt averechts De Volkskrant 4 februari 2004

door Huub Buijssen

Sinds begin jaren negentig is het gebruikelijk om na elke ramp of heftige gebeurtenis (Bijlmer, Enschede, Volendam) meteen traumaspecialisten in te zetten voor het bieden van nazorg aan de slachtoffers. Zo ook weer na de moord op de conrector van het Terra-college. Het is echter de vraag of dat wel zo verstandig is. Talloze onderzoeken (onder andere bij de slachtoffers van de Bijlmer en ook bij die van de Twin Towers, waar voor elk slachtoffer vier counselors beschikbaar waren) en diverse meta-analyses hebben inmiddels aangetoond dat dergelijke specialistische hulp geen meerwaarde heeft in vergelijking met de steun van vrienden, collega’s, vrijwilligers en familieleden. Sterker nog, dat de specialistische hulp zelfs iatrogeen kan zijn en dat deze met name bij de psychisch meer kwetsbare personen (ca. een kwart van de bevolking), meer kwaad kan doen dan goed. Zo liet een studie naar de effecten van specialistische nazorg bij slachtoffers van verkeersongelukken zien dat deze zelfs drie jaar na het ongeluk meer klachten hebben dan degenen die niet deze hulp hebben gekregen Er zijn diverse verklaringen waarom opvang door specialisten geen meerwaarde heeft en voor sommige slachtoffers zelfs gevaarlijk kan zijn. Om te beginnen gaat van een dergelijke opvang impliciet de boodschap uit dat men ‘ziek’ is, dat er ineens iets mis is met het slachtoffer: ‘Anders komt er toch geen psycholoog of maatschappelijk werkende’. Wat een normale reactie is op een abnormale/heftige gebeurtenis wordt daarmee gemedicaliseerd. Plots is men een geval, voelt men zich een object. Zo krijgt het zelfvertrouwen dat door de gebeurtenis is aangetast, een extra knauw. Personen die niet of minder geschokt reageerden op de gebeurtenis, gaan óók twijfelen. ‘Ben ik misschien gevoelloos, ik hoor het toch moeilijk te hebben’. Ook de naaste omgeving die er vanuit gaat het slachtoffer te kunnen steunen, gaat twijfelen: ‘Om goed te kunnen steunen, moet je blijkbaar een speciale opleiding genoten hebben’. Het gevaar bestaat bovendien dat de naaste omgeving zich terugtrekt van het slachtoffer: ‘Hij is nu in goede handen’. Maar een terugtrekkende beweging van de omgeving is nu net het laatste wat het slachtoffer wil, want naast erkenning heeft hij in deze fase vooral behoefte aan echte compassie, echt medeleven. Deze kan een professional per definitie niet bieden, want deze staat te ver weg van het slachtoffer.

De tegenvallende effecten van debriefing door deskundigen (onder begeleiding van deskundige in groep praten over hetgeen men heeft meegemaakt), ontlokte traumadeskundige professor Gersons, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Amsterdam, zelfs de uitspraak : ‘Als debriefing een medicijn was, dan zou je het uit de handel nemen, want de opvang door professionals blijkt in de praktijk minder effectief dan opvang in de natuurlijke omgeving.’ (AD van 30-3-1999).

Traumaonderzoek heeft ons geleerd dat vooral te snelle (binnen 24 uur), intensieve (meteen moeten praten over gevoelens) en langdurige opvang (langer dan een uur praten) niet zonder risico is. Het lijkt erop dat dit de blootstelling aan de traumatische ervaring juist verlengt en daarmee de kans op verstoorde verwerking vergroot. Collega-psychologe Cokkie Verschuren, die de opvang verzorgde aan de slachtoffers van SE Fireworks en de gegijzelden in de Amsterdamse Rembrandtoren, liet desondanks in de Volkrant van vorige week nog weten dat volgens haar ‘Praten,praten en nog eens praten’ de sleutel is tot verwerking ‘en dat zo snel mogelijk’.
Na een traumatische ervaring zijn mensen echter vaak de eerste uren, soms zelfs de eerste paar dagen, verdoofd. Dit is een gezonde reactie van het brein die ertoe dient om zo de klap gedoseerd te kunnen verwerken. In deze fase traumadeskundigen optrommelen voor het voeren van intensieve opvanggesprekken, kan zelfbeschermende en helende mechanismen afbreken en zo de natuurlijke verwerking verstoren. Daarbij komt dat na deze shockfase weliswaar voor velen praten de meest natuurlijke manier is om het psychotrauma te verwerken, maar niet voor iedereen. Sommigen willen liever eerst nog wat met rust gelaten worden om eerst voor zich zelf alles op een rijtje te zetten. Tussen mensen bestaan überhaupt grote verschillen in het aantal gesprekken of woorden dat men voor het verwerken nodig heeft.

Het is scholen, bedrijven en gemeentes niet aan te rekenen dat ze onmiddellijk na een ramp traumadeskundigen inschakelen. Ze willen gewoon de best mogelijk opvang en hen is door dezelfde traumadeskundigen voorgespiegeld dat dit niet zonder hen kan.

Waarom zeggen deze deskundigen dat ze onmisbaar zijn?
Op de eerste plaats komt dat doordat men tot ca. medio jaren negentig heeft gedacht dat voor opvang specialistische deskundigheid een vereiste is. Toen echter de ene na de andere studie aantoonde dat specialistische opvang geen toegevoegd effect had en geen bijdrage levert aan het voorkomen van posttraumatische stressstoornissen (PTSS) of andere verwerkingsstoornissen, is er in de praktijkvoering niets veranderd. Op congressen en in de media kom ik regelmatig collega-deskundigen tegen die niet op de hoogte zijn van de genoemde onderzoeken. Ook kom ik vaak deskundigen tegen die de uitkomsten van genoemde studies in twijfel trekken. Ze kunnen of willen er niet aan! Tenslotte zijn er ook deskundigen – en onder hen zijn niet de minste – die de resultaten van de studies weliswaar niet betwisten, maar zeggen dat effectiviteit niet de enige of zaligmakende uitkomstmaat van een interventie is of mag zijn. Ze vinden tevredenheid van de slachtoffers (over de geboden nazorg) een minstens even belangrijk criterium. Het valt niet te ontkennen dat de slachtoffers in meerderheid erg tevreden zijn over geboden hulp, maar deze tevredenheid kan ook op andere wijze worden gerealiseerd. Bovendien geldt ook voor traumaopvang het grondbeginsel van iedere geneeskunde: primum nil nocere (‘eerst en vooral geen schade toebrengen’).
Dat traumadeskundigen nog steeds hun diensten aanbieden en op hun websites garanderen binnen 24 uur na de ramp beschikbaar te zijn, heeft tenslotte en niet in de laatste plaats natuurlijk ook met geld te maken. Traumahulpverlening is ook business, een industrie geworden. Geen traumaspecialisten dus meteen na de ramp, maar hoe de opvang dan wèl te verzorgen en te bewerkstelligen dat de getroffenen tevreden zijn over de nazorg?
Welnu, in plaats van (vreemde) mensen van buitenaf te vragen, bij wie mensen zich niet vertrouwd en veilig voelen, kan men het beste de opvang zelf ter hand nemen en inbedden in de eigen organisatie. Een school of bedrijf kan een paar eigen werknemers een spoedcursus van een paar dagen laten volgen over de basisprincipes van collegiale opvang. Als zich een drama voltrekt, kunnen zij, in plaats van externe deskundigen, een voortrekkersrol vervullen in de opvang. De principes van opvang zijn immers gemakkelijk en snel aan te leren, te weten: ga eerst na of praktische hulp nodig is en probeer deze te bieden, geef zo veel mogelijk concrete informatie over de ramp (zeg ook wat men nog niet weet), geef psycho-educatie of voorlichting over traumaverwerking (met als centrale boodschappen dat een heftige reactie nu normaal is, dat een ieder zijn eigen manier en tempo van verwerken heeft, dat men mensen die niet (meteen) willen praten, niet daartoe moet dwingen, dat opvanggesprekken niet te lang mogen duren en dat men niet te snel moet stimuleren over gevoelens te praten). Probeer ook het thuisfront van de slachtoffers te mobiliseren bij het bieden van steun, leer welke mensen verhoogd risico lopen om de klap niet goed te verwerken en op wie men daarom extra moet letten, zorg voor erkenning van slachtofferschap (bijvoorbeeld door de directie of andere hoog geplaatsten in een vroeg stadium contact te laten opnemen met de slachtoffers) en leer hen ook dat de sleutel tot verwerking niet is: ‘praten, praten, praten’, maar een afwisseling van praten en ‘je kop in het zand steken’. Wat het laatste principe betreft: de verwerking van een psychotrauma of geestelijke wond zou men kunnen vergelijken met het revalideren na een lichamelijke blessure. Hierbij komt het immers aan op afwisselend (!) zich inspannen – en daarbij de eigen pijngrens in acht nemen – om daarna weer te rusten.

Concluderend: opvang dient liefst zo bescheiden en sober mogelijk te zijn, niet alleen wat betreft het inschakelen van deskundigen (hooguit als vraagbaak op de achtergrond), maar ook wat frequentie, intensiteit en duur van opvanggesprekken. En vooral ook: bij voorkeur door de eigen omgeving van de slachtoffers. Opvang is immers op de eerste plaats: compassie of (in het Duits: Mitgefühl) laten blijken en zo tevens erkenning bieden voor slachtofferschap.

Drs Huub Buijssen, klinisch psycholoog NIP, directeur Buijssen Training en Educatie en co-auteur van Lesje geleerd? Zelfhulp en collegiale steun bij traumatische ervaringen. Een gids voor docenten voortgezet onderwijs.

 

 

Nederland heeft ’t moeilijk met moord Fortuyn De Telegraaf 10 mei 2002

TILBURG/MAARSSEN – Psychologen signaleren bij zeer veel autochtone en allochtone Nederlanders omvangrijke emotionele verwerkingsproblemen na de brute moord op LPF-lijsttrekker Pim Fortuyn.
Telefonische hulpdiensten op hun beurt krijgen sinds ruim 36 uur beduidend meer noodkreten van mensen. Ruim 34 procent van alle gesprekken gaat over de dood van Fortuyn, meldt de SOS Telefonische Hulpdienst.

“Verreweg de meeste mensen hebben een band met Pim Fortuyn”, stelt de Tilburgse psycholoog drs. H. Buijssen, wiens specialisme rouwverwerking is. “Want zelfs als je tégen iemand bent, heb je een band. De bevolking viel feitelijk in twee delen uiteen: degenen die hem op handen droegen en de groep die faliekant tegen hem was. Het was heel erg zwart-wit; er waren hoegenaamd geen grijstinten en derhalve ook maar heel weinig mensen die geen énkel gevoel bij Fortuyn hadden.”

“Dat verklaart de massale golf van emoties. Want ook al ben je tegenstander, zo’n gruwelijk einde gun je niemand. Bovendien, Fortuyn hield van het leven. Zijn positieve instelling sprak velen aan, ook de tegenstanders van zijn ideeën. Het is plezierig als iemand roept: ‘Ik heb er zin an’.”

De cultuurhistoricus Herman Pley vergeleek onlangs het gedrag van Fortuyn, in gunstige zin, met dat van een nar. Buijssen is het daarmee eens: “De nar maakte in vroeger tijden zeer uiteenlopende reacties los: hij was zowel ludiek als aanstootgevend. Die rol heeft Fortuyn heel duidelijk vervuld en het verklaart ook de reacties die loskomen en die de komende dagen en weken zullen aanhouden. Daarbij zijn mensen verbijsterd dat zo’n moord hier heeft kunnen gebeuren. Maar ze beseffen nu ook dat Nederland als land waar je je mening kunt uiten zonder dat je direct gevaar loopt, niet bestaat.”

Mensen die de telefonische hulpdiensten bellen, hebben behoefte hun emoties te delen. “Ze zijn geschokt, boos en soms angstig”, zegt een woordvoerster van de SOS Telefonische Hulpdienst. “Mensen willen hun hart luchten. Daarna gaat het wel weer.”

 

 

Hij past wel op zichzelf

 

Twee maanden na de dood van haar man, bezocht Tineke Haegens de plek waar hij overleed, langs het spoor vlak bij het gebouw waar hij 23 jaar lang als hoofd van de Nijmeegse crisisdienst de heftigste problemen van anderen had opgelost. Twee treinen kwamen stil te staan, ze werd weggejaagd. Toen ze weer over het hek langs de spoorbaan klom, kwam uit een van de treinen een machinist rennen die haar vroeg wat ze deed. Ze vertelde over haar man, de machinist nam haar mee in de trein en zei: ‘Wij gaan straks praten.’Hij bleek hem te hebben aangereden.

 In Nijmegen werd ze opgevangen door twee agenten van de spoorwegpolitie die ter plekke waren geweest kort na de zelfmoord. De machinist mocht ze niet spreken, dat leek de psycholoog van de NS geen goed idee. ‘Zo zorgvuldig als met die machinist werd omgegaan…, ik had gewild dat mijn man zo was afgeschermd.’

 

Martien Haegens (52) was net weer een paar maanden aan het werk toen hij op 1 juni 2005 rond het middaguur tegen zijn collega’s zei dat hij even ging stemmen voor de Europese grondwet waarna hij rechtstreeks naar het spoor fietste. Een jaar ervoor was hij totaal opgebrand, zwaar depressief en alcoholverslaafd, en had hij zich laten opnemen op de gesloten afdeling van de medisch psychiatrische unit van ziekenhuis Rijnstate in Arnhem; Martien Haegens, de man die de ouders van de vermoorde tiener Maja Bradaric had bijgestaan en de nabestaanden van de zes jonge dodelijke slachtoffers van een brand in Groesbeek,hij die altijd inzetbaar was bij calamiteiten en traumatische gebeurtenissen.

 Tien weken had de opname geduurd, toen vond hij dat hij voldoende was hersteld en was hij binnen een week na zijn ontslag uit het ziekenhuis teruggekeerd op zijn werk, in een van de zwaarste functies die de geestelijke gezondheidszorg (ggz) kent: de acute psychiatrie. Dat had 

nooit mogen gebeuren, zegt zijn weduwe stellig: hoe kan een patiënt zelf bepalen dat hij beter is? ‘Het is niet zomaar een bedrijf waar hij werkte, het is een bedrijf waar patiënten zoals hij worden behandeld. De ernst van zijn situatie was bekend. Maar niemand die vragen stelde, niemand die ingreep. Allemaal professionals om hem heen en hij is niet in bescherming genomen.’

 In een In Memoriam in het personeelsblad stond het als volgt: ‘Het is nauwelijks te bevatten dat een collega werkzaam als hulpverlener en met zoveel collega hulpverleners om zich heen een fataal besluit nam zonder eerst te kunnen delen in zijn hopeloosheid: dat brengt vanzelfsprekend zeer gemengde gevoelens met zich mee.’

 Wie beroepshalve alle signalen van psychische nood behoort te kennen, wordt geacht problemen bij zichzelf of naasten te zien aankomen maar dat gebeurt vaak juist niet, zegt klinisch psycholoog Huub Buijssen. Het is dé valkuil voor personeel in de geestelijke gezondheidszorg, meent hij. ‘Hulpverleners hebben een gezond wantrouwen tegen andere hulpverleners maar in tijden van nood breekt dat ze op. Hun omgeving denkt vaak: ze zeggen het wel als er iets is.’

 Buijssen trainde tal van ggz-instellingen de afgelopen jaren hoe met werkgerelateerde traumatische ervaringen om te gaan maar erkent dat het tijdig signaleren van psychische problematiek bij leidinggevenden een heikel punt blijft. ‘Wie spreekt hen aan als het fout dreigt te gaan?’

 Het is een groot probleem dat psychiaters bij zichzelf en hun naasten niet in staat zijn om psychische aandoeningen te diagnosticeren, zegt psychiater Bram Bakker. Van alle artsen scoren psychiaters het hoogst met verbroken relaties, verslavingen en dood door eigen toedoen, schrijft hij in zijn boek Te gek om los te lopen.

 Hij tekent daarin het verhaal op van de psychiater die ten prooi viel aan depressies en psychoses en uiteindelijk zelfmoord pleegde. ‘Collega’s hadden hem gedwongen moeten laten opnemen maar zij beschouwden dat als een te grote krenking.’ Een goede vriend van Bakker was op de crematie en vertelde hem hoe woedend de vader was dat niemand had ingegrepen.

 

Bakker: ‘Ik denk dat collega’s op alle mogelijke manieren duidelijk moeten maken dat ze zich zorgen maken. Maar dat gebeurt te weinig, het geeft blijkbaar toch een ongemakkelijk gevoel.’

 Tineke Haegens wil met het verhaal over haar man die praktijk aan de kaak stellen, zegt ze. Ruim een jaar na zijn dood heeft haar verdriet deels plaats gemaakt voor strijdlust en boosheid over wat hem is overkomen. ‘Voor de rest van mijn leven heb ik een knoop in mijn ziel. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’

 Ze citeert een fragment uit het dagboek van haar man, geschreven op de eerste dag van zijn opname: ‘De gekte heeft toegeslagen. Ik heb er geen tegenspel aan kunnen bieden. Het mag toch niet zo zijn dat alle hulp voor niets is geweest.’  

 ‘Wij zijn vogelvrij’, zei een van zijn collega’s haar na de begrafenis. Wie in de psychiatrie werkt en psychisch ziek wordt, bedoelde hij, komt aan alle kanten klem te zitten. En veel managers schieten tekort in aandacht en zorg voor het eigen personeel.

 Het verhaal van Martien Haegens staat niet op zichzelf. In de zomer van 2005 vonden in de regio Nijmegen twee vergelijkbare zelfdodingen plaats, weet zijn weduwe. Ook een directe collega van haar man en een sociotherapeut op de psychiatrische afdeling van een naburig ziekenhuis beroofden zichzelf van het leven.

 

 In het schrift achter de glazen grafsteen getuigen de volgeschreven bladzijden van de enorme waardering voor de man die zo velen jarenlang tot steun was. Martien Haegens was 28 toen hij als sociaal psychiatrisch verpleegkundige werd benoemd tot hoofd van de nog op te richten crisisdienst. Heel lang ging het heel goed, zegt zijn vrouw, maar gaandeweg werd duidelijk dat hij anderen weliswaar bij hun moeilijkheden kon helpen maar dat hij zijn eigen forse psychiatrische problematiek niet de baas kon. Hij werd depressief, begon te drinken. Hij bezocht na aandringen van zijn vrouw een lange rij therapeuten door het hele land; in het verborgene want met het stigma van psychiatrisch patiënt had hij in zijn zware baan niet meer kunnen functioneren. Zijn vrouw: ‘Als ik voor hem de huisarts belde, zei die dat ik de crisisdienst moest inschakelen. Maar dat kon niet, dat waren zijn eigen collega’s. Zelfs in andere regio’s kenden ze hem allemaal.’

 Ruim twee jaar voor zijn dood kwam hij op zijn werk in conflict met de leiding over de vergoeding voor zijn bereikbaarheid als rampen- en calamiteitencoördinator. Na jaren van tomeloze en deels onbezoldigde inzet voelde hij zich geschoffeerd, zegt zijn vrouw. ‘Emotioneel heeft dat hem enorm veel schade gedaan.’ De depressie verergerde, de foto’s van toen die ze toch in een album heeft geplakt, bieden een mistroostig beeld.

 Ooit was hij op en top sportman, in het bezit van de zwarte band judo, maar gaandeweg begon hij ongelukken te krijgen die steeds ernstiger werden. Toen hij in de zomer van 2004 van zijn fiets viel en zijn kaak brak, besloot hij in een ultieme poging het tij te keren tot opname op een gesloten afdeling.

 Zijn vrouw waarschuwde de psychiater dat haar man ‘alle ins en outs van de hulpverlening kende’, dat hij een ontwijkende kant had en zijn ziekte trachtte te bagatelliseren. Maar al na een paar gezamenlijke gesprekken, zegt ze, werd ze buitengesloten. Zijn ontslag, in september 2004, kwam als een volslagen verrassing. Hij ging als vanouds weer aan de slag en stopte een paar maanden later op eigen houtje met de antidepressiva. Tegen zijn leidinggevende zei hij dat de arbo-arts hem had beter gemeld. Die had hij echter nooit bezocht.

 ‘Geen hulpverlener meer maar lotgenoot en medepatiënt’, schreef hij in zijn dagboek tijdens de opname. Ze zegt: ‘Hij wist door zijn werk zó goed wat er allemaal fout kon gaan, dat was zijn tragiek.’ Twee keer ging ze langs op zijn werk om haar zorgen te uiten. Tevergeefs. Ze zag hem bergafwaarts gaan: hij begon weer te drinken, kreeg schulden, hun huwelijk wankelde. ‘Toen hij steeds zieker werd en ik hem niet meer kon beschermen dacht ik: hij loopt ergens vast en dan neemt iemand anders het over. Maar dat bleek ijdele hoop.’

 Na lang aandringen heeft ziekenhuis Rijnstate haar twee maanden geleden ingelicht over de diagnose van haar man. Toen had ze eindelijk op papier dat hij ‘ernstig psychisch belast’ was. Het ziekenhuis, zegt ze, kon alleen zijn depressie en zijn burn-out behandelen, voor zijn andere problemen, waaronder zijn verslaving, moest hij na zijn ontslag zelf hulp zoeken. Maar hij was veel te ver heen om nog voor zichzelf op te komen, zegt zijn vrouw.

 Die gefragmenteerde zorg heeft een succesvolle behandeling bij voorbaat kansloos gemaakt, zegt ze. Ze vindt dat hulpverleners zich met veel meer vasthoudendheid en bemoeizorg in gespecialiseerde teams moeten bezighouden met ‘hopeloze gevallen’. Dat juist haar man, die zich zijn hele leven inzette voor de psychisch kwetsbaren, zelf niet in bescherming werd genomen toen hij ziek raakte, noemt ze ‘onverteerbaar’.

 Sinds zijn dood probeert ze te achterhalen waarom niemand ingreep, daarbij gesteund door een van zijn voormalige patiënten, die een goede vriend is geworden. Ze sprak met de Inspectie voor de Gezondheidszorg, ging langs bij de psychiater die haar man op de gesloten afdeling behandelde, ze zocht contact met de arbo-arts, maakte een afspraak met zijn leidinggevenden.

 Tientallen vragen zette ze op papier: Wist zijn leidinggevende dat haar man helemaal niet bij de arbodienst was geweest? Had de psychiater zich tijdens de behandeling van een collega onafhankelijk genoeg opgesteld? Hadden ze hem voldoende gewaarschuwd toen hij rigoureus stopte met de medicatie? Had zijn werkgever niet veel alerter moeten zijn en moeten aandringen op een verantwoorde reïntegratie op het werk?

 Naaste collega’s bleken duidelijk te hebben gemerkt dat het niet goed met hem ging. Hun twijfels hadden ze bij de leiding aangekaart. Maar overal liep Tineke Haegens tegen hetzelfde argument op: dat haar man deed wat hij wilde. Dat ze waren afgegaan op wat hij zei en hij zei dat het goed ging. Het maakt haar boos: ‘Ze verschuilen zich achter hem. Maar hij was ernstig ziek. En niemand die daar doorheen prikte.’

 Het was wrang genoeg haar man, herinnert Tineke Haegens zich, die ruim tien jaar geleden de nazorg opzette voor personeel van de spoorwegen dat een ernstig ongeval had meegemaakt. ‘Maar op hem heeft niemand gepast. Ze dachten: hij past wel op zichzelf.’

Praten of zwijgen? Psychologie Magazine nr 1 januari 2001

De psychotherapeuten G. van Vugt en T. Besems zijn van mening dat het niet nodig, nee zelfs schadelijk is om mensen na een ramp te laten praten, omdat volgens hen uit neurologisch onderzoek blijkt dat het trauma dan juist in de hersenen ‘brandt’ Het Instituut voor Psychotrauma vindt deze opvatting ‘absolute flauwekul’ en stelt dat mensen juist grote behoefte hebben om te praten. Wie heeft er nu gelijk? Ik denk beiden. Het psychotrauma heeft – hoe wonderbaarlijk ook – het herstel zelf ingebouwd.

De twee hoofdverschijnselen van het psychotrauma zijn: veelvuldige herbeleving en ontkenning. Het wezen van psychotrauma is de strijd tussen deze twee krachten. De sleutel tot verwerking is deze beide afwisselend aan bod te laten komen. Verwerking stagneert als een van beide de overhand krijgt. De kunst is om – en dat gebeurt bij de meeste vanzelf! – herbeleving een kans te geven tot het moment dat het zeer gaat doen, om daarna via afleidende bezigheden en andere vormen van bewust of onbewuste verdringing weer tijd te vinden om de accu op te laden. Totdat men weer in staat is een volgende confrontatie aan te gaan. Hoeveel confrontatie iemand aankan, verschilt per individu. Aan het verwerken van een psychotrauma hoeft doorgans geen psycholoog te pas te komen. Sterker nog: als een professionele hulpverlener die zweert bij praten er zich meteen mee gaat bemoeien, is de kans juist groter dat het misgaat. Als hij het slachtoffer heviger en langer met de gebeurtenis confronteert dan het aankan, doet hulpverlening meer kwaad dan goed. Het trauma brandt in. Kortom, de juiste balans vinden tussen praten en zwijgen, daar komt het op aan. Zowel voor het slachtoffer als voor degene die wel helpen.