Burn-out of depressie?

Burnout of depressie?

Omdat ik me de laatste tijd niet goed voel, ben ik naar de huisarts gegaan en die vertelde me dat ik een burn-out heb.  Op internet deed ik zojuist een zelfhulptest en daar kwam uit dat ik waarschijnlijk een depressie heb. Wie moet ik nu geloven? En wat is precies het verschil tussen een burn-out en een depressie?  Meneer Bosman, Arnhem.  

Ofschoon het in veel gevallen verre van gemakkelijk is een burn-out en een depressie van elkaar te onderscheiden, hebben ze een verschillend klachtenpatroon.  Meest typerend  voor een burn-out zijn ongewone vermoeidheidsklachten.  Zelfs na een goede nachtrust sta je dan nog moe op. De moeheid zit dan immers in je  lichaam en in je hoofd.  Een burn-out komt door het werk, daarom kunnen ook huisvrouwen en mantelzorgers het krijgen.  Als je een burn-out hebt, staat het werk je tegen en bij de gedachte aan je werk voel je vaak al slecht. Tegelijkertijd kun je dan nog wel plezier beleven aan een hobby.  Als je een depressie hebt, voel je je daarentegen ‘overall ‘ ellendig. Ook als  je niet aan je werk denkt. Niets kan je echt opbeuren. Bij een depressie begrijp je vaak niet of maar ten dele waarom je je zo rot voelt. ‘Ik heb alles om gelukkig te zijn, maar toch ..’  Als je burn-out hebt, snap je wel waar je klachten vandaan komen: van je werk. Tenslotte, bij een depressie heb je vaak een veel negatiever zelfbeeld dan bij een burn-out.  

Depressie en burn-out en kunnen vergezeld kunnen gaan van een lange reeks van andere symptomen waarvan ze er ook sommige gemeenschappelijk hebben. Zoals slapeloosheid, besluiteloosheid, concentratieproblemen, geen zin in seks, veel piekeren.  Om het nog ingewikkelder te maken, gaan burn-out en depressie ook nogal eens samen. Een burn-out zonder depressie komt zelfs niet zo vaak voor (Sommige wetenschappers zien burn-out daarom als een vorm van depressie en niet als een op zich staand begrip). Het kan dus goed zijn dat u aan beide aandoeningen leidt. Een andere mogelijkheid is dat u  een aan een zuivere depressie leidt. Hoewel deze wel vaak op zichzelf staat, geeft menige huisarts zijn patiënten ook dan toch liever de diagnose burn-out.  Hij doet dat omdat hij weet dat mensen, vooral mannen, zich voor een depressie schamen.  Burn-out wordt immers eerder geassocieerd met hard werken en met winnaars, depressie met falen en met losers.

Het belangrijkste is dat u nu een goede behandeling krijgt.  Gelukkig komen de meest werkzame elementen van een burn-out behandeling overeen met die van een depressiebehandeling:   anders leren denken ‘door niet helpende gedachten  aan te pakken (zoals “als ik niet hard werk, vindt niemand me aardig),  stressbronnen in het leven verminderen, meer  reële eisen aan jezelf stellen (goede balans werk-privé), zinvolle sociale contacten op- of uitbouwen en voldoende bewegen.     

Ver lezen? Huub Buijssen. Ik zie het weer zitten. Stap voor stap van je depressie af. Spectrum, Houten, 2009

 

Drink ik te veel?

 

Mijn huisarts vroeg me toen hij me medicijnen voorschreef om beter te kunnen slapen hoeveel alcohol ik dronk. Toen ik hem vertelde dat ik dagelijks  vier glazen wijn drink, adviseerde hij me te minderen naar hooguit anderhalf glas per dag.  ‘’Voor u als vrouw is anderhalf glas per dag het maximum en nu u ook slaapmedicatie gaat gebruiken, zou u eigenlijk nóg minder moeten drinken.’ Ik was te perplex om te reageren. Is mijn huisarts niet een te strenge calvinist? Mevrouw Haas, Rotterdam.

Uw huisarts heeft gelijk.  Voor vrouwen is een kwart van een fles wijn van 0,75 cl (met een alcoholpercentage van 12%) het maximum, mannen mogen per dag een derde van een fles wijn drinken. En alcoholdeskundigen zijn het er verder over eens dat men twee aangesloten alcoholvrije dagen in acht moet nemen.  Het verschil tussen mannen en vrouwen komt onder meer doordat het mannelijke lichaam alcohol beter afbreekt. Mannen zijn daarom minder snel onder invloed dan vrouwen.  Maar boven de zestig adviseert  de Gezondsheidsraad  mannen te minderen naar het niveau van vrouwen. Wat kunnen de twee of drie extra’s glazen nu kwaad? Welnu, meer drinken dan de norm vergroot de kans op allerlei ziektes diverse vormen van darmkanker, leverziektes, hart- en vaatlijden, dementie en diabetes.   Een te hoge dosis alcohol verstoort ook de gezonde slaap. Men slaapt weliswaar eerder in, maar de kwaliteit van de slaap is veel minder.  Het gevolg kan dan zijn dat men dan gaat vragen om  ..slaapmedicatie.  Maar dat is nog niet alles. Bij alcoholverslaving denken mensen meestal aan mensen die zich al bijna jaren bijna elke dag laveloos drinken.  Maar ook mensen die minder, maar wel regelmatig meer dan de norm drinken, kunnen door alcoholgebruik in de problemen komen.  Normale veroudering gaat gepaard met verandering in het lichaam, zoals een mindere werking van lever en nieren,  waardoor het lichaam alcohol niet meer zo goed aankan. Bij gelijkblijvend gebruik, van bijvoorbeeld 4 glazen, kunt u zo toch een kritische grens passeren.  Sluipenderwijs kan het dan zover komen  dat u niet meer zonder alcohol te kan.  Ongeveer 1 op de 10 oudere verslaafden – een groep die de laatste jaren snel groeit – hoort tot deze categorie.   Uw huisarts heeft ook gelijk dat hij adviseert bij slaapmedicatie nog wat minder te drinken dan de norm omdat alcohol en medicatie elkaars werking versterken en ook omdat de combinatie gemakkelijk tot verslaving leidt.   Is uw huisarts een calvinist die u het genieten wil verbieden?  Nee, het optimale effect, de heerlijke combinatie van lichte roes en ontremming,  krijgt u meestal  al bij de toegestane hoeveelheid.  Omdat uw lichaam enige tijd nodig heeft om alcohol in het bloed op te nemen, ervaart u  dit effect echter vaak pas als u een paar glazen méér op hebt. Ten onrechte denkt u dan dat u zich  dankzij het vierde of vijfde zo goed voelt. Kortom, wilt u genieten, drink dan met mate.    

 

 

Soms word ik gek van mijn man.

 

Ik ben gek op mijn man, maar soms word ik ook gek van hem.  Als ik hem ergens op aanspreek, dan trekt hij zich terug en zegt hij niets meer. Meestal een paar dagen, soms zelfs een week. Ik voel me dan zo alleen en beroerd. Ik slaap dan slecht en elke dag word ik moe wakker.  Mevr. Hoek, Vlaardingen

Relationele spanningen kunnen inderdaad letterlijk ziekmakend zijn.  Onderzoek heeft aangetoond dat in periodes van relationele stress mensen eerder een verkoudheid oplopen, sneller griep krijgen, wondjes minder snel herstellen en het hart het dan ook overuren maakt. Hoewel bij sommige stellen de rollen precies andersom zijn, is wat u beschrijft het klassieke patroon: de vrouw levert kritiek op haar man en deze sluit zich vervolgens af. Vrouwen kan dit tot razernij brengt. ‘Hij negeert me gewoon, zo gevoelloos!’ Het laatste klopt echter niet, zo toonde de psycholoog dr. John Gottman aan. In een onderzoek koppelde hij echtparen die huwelijkstherapie ondergingen aan apparatuur die een breed scala van fysiologische reacties registreerden en ontdekte zo dat mannen bij ruzies fysiologisch geprikkelder raakten dan vrouwen: hun hart klopte sneller, ze transpireerden meer en ze werden gespanne­ner. Gottman concludeerde dat veel mannen ruzies via terugtrekgedrag proberen te vermijden omdat ze gevoeliger zijn dan hun echtgeno­tes en omdat ze de hevige emoties die ruziema­ken met hun echtgenote oproept, niet aankunnen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de meeste mannen so wie so op stress – en kritiek is voor hen stress – reageren met oestergedrag.

Wat kun je doen? Bespreek niet meteen je ergernis, maar wacht er een dag mee. Doe dit zeker als je het liefst meteen wilt losbranden. Als je ruim baan aan je boosheid, wordt deze in plaats van minder juist heviger. Jij verliest dan je redelijkheid en je man eveneens. Een dag of enkele uren later, ben je rustiger. En net zo belangrijk: de meeste ergernissen vind je dan niet meer de moeite waard. De andere bespreek je dan met je partner. Liefst zo kort mogelijk waarbij je vooral het oog richt op de toekomst. ´Ik kom nog even terug op gisteren. Toen ik van huis kwam, was de vaat nog niet uitgeruimd. Wil je voortaan op ‘jouw huishouddag’ dit doen zonder dat ik er bij thuiskomst om moet vragen. Je doet er me een groot plezier mee?´´ Het laatste zinnetje doet er ook toe! Je geeft hem het gevoel dat hij je gelukkig kan maken. En geloof het of niet:de meeste mannen willen niets liever. 

Meer lezen: Huub Buijssen: Nu begrijp ik je. Beter met je partner communiceren  (2010).

Met romantiek heeft het huwelijk weinig te maken.

 

Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben? Dat ideaalbeeld is de bron van veel relationeel ongeluk. ‘Want in praktijk heeft het huwelijk heel wat verrassingen in petto.’

Uit naam van de ‘eeuwige liefde’ verwachten partners het vrijwel onmogelijke van elkaar. De ander moet niet alleen leuk zijn, maar ook lief, woest aantrekkelijk, vol begrip, slim, attent en succesvol. ‘Daar kan natuurlijk bijna niemand aan voldoen’, zegt klinisch psycholoog en communicatietrainer Huub Buijssen (57). Vroeger, zegt hij, was het voldoende als een man zijn gezin kon onderhouden, terwijl de vrouw huis, haard en kinderen bestierde. Mannen en vrouwen leefden feitelijk altijd in verschillende werelden. Totdat in het midden van de 19e eeuw de overtuiging ontstond dat mensen vooral uit liefde met elkaar moesten trouwen. Het romantisch ideaal is sindsdien onuitroeibaar gebleken. ‘Nu móet je elkaar totaal en voor altijd gelukkig maken. Maar zet twee mensen bij elkaar en je hebt dubbel zoveel problemen. Je deelt samen veel sores, maar de extra belasting zorgt ook voor stress die je vervolgens op elkaar afreageert.’

Het ís me wat met partnerrelaties, erkent Buijssen. ‘Het ideaalbeeld heeft voor veel relationeel ongeluk gezorgd, en nog steeds. Want zo werkt het in praktijk niet. Daarvoor verschillen liefdespartners meestal te veel van elkaar. Het idee dat je door een huwelijk nog lang en gelukkig zult leven, is vragen om moeilijkheden. Want het heeft heel wat verrassingen in petto.’

Welke dat zijn, waardoor ze worden veroorzaakt en hoe de onaangenaamheden, de misverstanden en de valkuilen enigszins kunnen worden omzeild heeft Buijssen beschreven in het boek Nu begrijp ik je, over verborgen verwachtingen en verlangens tussen mannen en vrouwen. Eén ding is duidelijk: partners verwachten te veel van elkaar, ze koesteren verschillende – en soms tegenstrijdige – verwachtingen én ze zijn daar tegenover elkaar niet duidelijk (genoeg) over. ‘Mensen willen vaak  een twee-eenheid zijn en tegelijk onbelemmerd hun eigen leven leiden. Vaak is het een heel gevecht om een goede balans te vinden.’

Portefeuillehouder

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek eindigt een op de vier huwelijken binnen twintig jaar in een echtscheiding. Op de langere termijn eindigt circa een op de drie huwelijken in een scheiding. ‘Onthutsender vind ik dat vooral vrouwen hun huwelijk een mager zesje geven. Zij zijn meestal de portefeuillehouder van de relatie en stellen die aan de orde, terwijl mannen over het algemeen tevredener over hun relatie zijn. Bovendien moet hij buitenshuis, op het werk, figuurlijk al ‘vechten’; eenmaal thuis wil hij rust en vooral geen strijd met zijn vrouw. Er ontspint zich vaak een vast patroon: de vrouw zoekt toenadering of de confrontatie, de man deinst terug.’

Wat zo’n confrontatie bemoeilijkt, is dat mannen en vrouwen een verschillende kijk op de werkelijkheid hebben. ‘Zij verschillen in karakter, in sekse, in behoeftes, in manier van communiceren en houden er andere normen en waarden op na. Ieder heeft zijn eigen waarheid, of een stukje ervan, en heeft dus een beetje gelijk. Dat maakt dat een juiste omgang met een partner ingewikkelder kan zijn dan het besturen van een straaljager. En een gebruiksaanwijzing is er niet. Mensen ontdekken van lieverlede meestal dat de verschillen met hun partner niet zozeer voortkomen uit onwil of gebrek aan liefde, als wel uit de verschillen in behoeftes en opvattingen.’

Toch is het geloof in De Ware bijna onuitroeibaar, zegt Buijssen. ‘Via kunst, hard werken en de liefde zijn we altijd op zoek naar een gevoel van eeuwigheid en onsterfelijkheid. We blijven op zoek, en we blijven teleurgesteld worden. Toch geven we niet op; het verlangen naar die ene is groter dan wij zelf. En ook al ben je wel gelukkig met een partner: geluk went en je wilt altijd méér. Dat verschijnsel maakt partnerrelaties tot explosieve bommetjes.’

Toiletbril

Neem bijvoorbeeld de kleine ergernissen. Het spreekwoordelijke dopje van de tandpasta, het natplassen van de toiletbril, een slordig huishouden. ‘Partners verwachten van elkaar dat de ander begrijpt hoe jij het wilt hebben en wat jij bedoelt. Maar wat de éen verwacht kan erg afwijken van de verwachtingen van de ander. Een van beiden kan iets superlogisch vinden en denkt dat hij of zij het er daarom verder niet over hoeft te hebben. Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben?’

Bij ruzie tussen partners komt vervolgens een explosief goedje naar voren: een combinatie van feiten, gevoelens, eigen identiteit (verdien ik dit eigenlijk?) en behoefte aan verbondenheid. In no time kan de boel daardoor escaleren. ‘Stel een gesprek liever uit als je merkt dat je te boos bent. Wacht een dag, maak een ommetje, zoek een constructieve oplossing. Dat vergt veel zelfbeheersing, maar heeft veel meer effect. Want in feite is een ruzie een voortdurend gevecht om liefde. De boodschap erachter luidt: hou van me, wees mijn ideaal, begrijp me, wees attent en lief voor me. Zolang mensen ruziën, is er sprake van verbondenheid. Ze willen er graag samen uit komen.’

Gezien de praktische voetangels en klemmen van het romantisch ideaal, is een verstands- of zelfs een gearrangeerd huwelijk misschien toch niet zo heel verkeerd? ‘Uit onderzoek blijkt dat die partners aanvankelijk minder gelukkig zijn, maar de schade na een paar jaar inhalen. Nog wat jaren later zijn zij zelfs gelukkiger dan mensen die uit liefde met elkaar zijn getrouwd. Zij weten dat ze er iets van moeten maken, en dat lukt vaak ook. In het westerse huwelijk staat altijd de deur van de nooduitgang – echtscheiding – op een kier. Ik wil geen propaganda maken voor het gearrangeerde huwelijk, maar het maakt wel duidelijk dat ons romantische ideaal niet zaligmakend is.’

Nu begrijp ik je, Huub Buijssen. Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum. ISBN 978 90 491 0437 5, prijs ….euro.

 

 

 

Machinisten gebaat bij bescheiden opvang Utrechts Nieuwsblad, 18 januari 2000

Door Dylan de Gruijl
Tilburg/Utrecht

Traumadeskundige Huub Buijssen wil snel een wijdverbreid misverstand uit de weg ruimen: geestelijke bijstand aan iemand die in een shock verkeert, werkt averechts.

Laat een machinist die net een zelfmoordgeval voor zijn trein heeft gehad dus vooral even met rust, adviseert hij. ,,Anders verleng je de post-traumatische periode.”

Buijssen verbaast zich over de Hengelose ex-machinist die de Nederlandse Spoorwegen aansprakelijk stelt voor zijn psychisch trauma. De man kreeg tussen 1978 en 2000 negen zelfmoordgevallen onder zijn trein, maar kreeg geen enkele hulp van zijn voormalige werkgever. Hij is nu arbeidsongeschikt.

De rechtszaak is een opmerkelijke stap, vindt Buijssen. ,,Misschien denkt die man: als ik direct hulp had gekregen was het nu niet zo slecht met me gegaan. Maar dat is dus een misvatting. Goede opvang is bescheiden opvang.”

Jaarlijks springen ongeveer tweehonderd mensen voor de trein. Dat aantal is al tijden stabiel, aldus de Nederlandse Spoorwegen. Ook de locaties zijn veelal dezelfde: bij psychiatrische inrichtingen.

Het aantal machinisten dat kampt met psychische klachten is niet bekend. Hoeveel collega’s bijvoorbeeld bij Vangrail, een gespreksgroep van NS-collega’s, hulp zoeken is ook onbekend. Hangende de rechtszaak doen de NS geen mededelingen.

Maar machinisten weten dat de negen zelfmoordgevallen die de Hengeloër voor zijn trein heeft gekregen, geen uitzondering is. Sommigen hebben twintig kruisjes achter hun naam, of nog een paar meer. Buijssen: ,,De meeste mensen worden weerbaarder van tegenslagen. Ze krijgen een dikkere huid. Anderen worden kwetsbaarder voor toekomstige tegenslagen.”

Zoiets is pas na verloop van tijd merkbaar. Direct na een traumatische ervaring is het slachtoffer nog verdoofd, leeft in een realiteit die onwerkelijk is. ,,Je zag het vlak na de ramp met het WTC. Mensen liepen verdwaasd rond. Het beste is praktische hulp bieden. En vooral niet teveel vragen.”

,,Vergelijk die toestand met een blaar. Daar moet je ook niet in wroeten, anders komen er bacteriën in. Zo werkt het ook bij een trauma. Niet in gaan wroeten door meteen een gesprek willen. Dan ga je door die natuurlijke barrière en verleng je de post-traumatische periode.”

Bij de meesten duurt die periode twee maanden. Daarna krabbelen ze weer uit de depressie of post-traumatische periode. Toch zal de wond nooit echt genezen, waarschuwt de traumadeskundige. ,,Veel mensen weten het niet, maar een depressie is een chronische ziekte. Heb je die een keer gehad, dan kan die altijd terugkeren.”

Bij tachtig tot negentig procent van de slachtoffers blijft een depressie een zeldzaamheid. Zij worden weerbaarder, zoals het merendeel van de machinisten die een zelfmoordgeval hebben meegemaakt. Voor de Hengelose ex-machinist geldt het tegendeel, vreest hij. ,,Sommige mensen herstellen nooit helemaal en blijven elke nieuwe dag als een last ervaren.”

 

Hoe de dood van je partner te verwerken Opzij april 2002

 

Door Anke Manschot

En altijd is het zo geweest dat de liefde haar eigen diepte niet kent dan op het uur van de scheiding. Deze in overlijdensannonces veelgeciteerde spreuk staat ook op de website van ,,Jong je partner verloren”, een lotgenotengroep op internet.

Michèle Busselaar (32), IT-consultant, surft af en toe naar deze site als ze het in de late avonduren weer eens flink te kwaad heeft. Het biedt troost om dan te ervaren dat zij niet de enige is die op zo jonge leeftijd al haar partner verloor. 29 april 2001 overleed haar man Louk, haar grote liefde. Hij had lymfeklierkanker. ‘Het is een leeftijd waarop je met de opbouw van je leven bezig bent en dan komt de dood echt als een schok.’ Waarom moest hij dood, heeft ze zich vaak afgevraagd. Zijn taak in het leven was klaar, luidt het enige antwoord waarmee ze enigszins vrede kan hebben.

Goed dat jullie nog geen kinderen hadden, zeggen mensen soms. Een zin die veel pijn doet. Want de enige echte dip in hun bijna twaalf jaar durende relatie hadden ze in 1997 omdat Louk graag een kind wilde en zij daar op dat moment nog niet aan toe was. Twee jaar later wilde ze wel moeder worden, maar vrij snel daarna bleek haar man een ernstige ziekte te hebben. ‘Dat ik geen kind heb, is een feit, geen keuze.’

Ze kan ook niet tegen de veelgebezigde opmerking: de dood van een kind is erger dan de dood van een partner. ‘Mensen weten niet wat ze zeggen, hoe loos die woorden overkomen als je net je grote liefde verloren hebt.’

Vasalis dichtte het al: zoveel soorten van verdriet, ik noem ze niet.

Voor jong en oud is de dood van een partner een van de meest stressvolle situaties in het leven. Voor driekwart van de mensen het ergst wat ze ooit zullen meemaken.

Klinisch psycholoog NIP en psychogerontoloog Huub Buijssen, auteur van Verstoorde rouw bij ouderen, verdiepte zich in de verschillen tussen op jonge of oude leeftijd je geliefde verliezen. ‘Je kunt in het algemeen zeggen dat dit verlies voor ouderen iets minder hard aankomt. Ouderen anticiperen veel meer dan jongeren op de dood. Ze lezen vaker overlijdensadvertenties, ze hebben niet zelden al over de begrafenis van hun geliefde gefantaseerd en spreken op oudejaarsavond de wens uit: hopelijk blijven we in het nieuwe jaar bij elkaar.’ Niet toevallig dus dat bij ouderen een plotseling overlijden een minder grote impact heeft dan bij jongeren.

Mogelijk omdat de omgeving vindt dat de dood hoort bij het ouder worden, heeft ze minder oog voor de pijn van de oudere nabestaande. Daarentegen is de veerkracht van oudere weduwen en weduwnaars, in het Engels ,,forgotten grievers” genoemd, om verlies op te vangen weer minder groot dan bij jongeren. Bovendien blijkt de omgeving minder oog te hebben voor de pijn van de oudere nabestaande. ‘Je man heeft een mooie leeftijd bereikt’ of ‘wees blij dat jullie zo lang bij elkaar mochten zijn’ zijn dooddoeners die het verdriet van de overgeblevene negeren. ‘De eerste vraag die men vaak stelt, is: ‘Hoe oud was hij?’ alsof de leeftijd een excuus is voor het verdriet,’ schrijft klinisch psycholoog Manu Keirse in Helpen bij verlies en verdriet. Terwijl steun en erkenning van het leed enorm belangrijk zijn voor een goede verliesverwerking, zeggen hulpverleners unaniem. Ook hier zijn ouderen nog meer in het nadeel: hun netwerk is door de dood van familie en vrienden vaak uitgedund. Bovendien is voor jongeren de kans om een nieuwe partner te vinden beduidend groter. Voor de oudere weduwe gloort er wat dit betreft de minste hoop. ‘Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,’ dichtte Rilke op jongere leeftijd al somber. ‘Veel oudere weduwen willen ook geen nieuwe partner meer. Ze willen niet voor de tweede keer een slopend ziekbed of dementie van hun man meemaken,’ hoort Buijssen vaak van hen.

In de jaren zeventig werkten therapeuten met de vijf stadia van verlies van de Zwitserse psychiater Elisabeth Kübler Ross: ontkenning, woede, schuldgevoel, depressie en acceptatie. Tegenwoordig spreken hulpverleners van ‘rouwtaken’, een term die de Amerikaanse psychotherapeut William Worden in 1992 introceerde in zijn boek Verdriet en rouw. Een gids voor hulpverleners en therapeuten.

Tot die vier taken behoren: Het echt tot je door laten dringen dat iemand overleden is. ‘In het begin wilde ik er niet aan dat Louk nooit meer zou terugkomen,’ vertelt Michèle Busselaar. ‘Het voelde alsof hij op cursus in het buitenland was. Het is net of je geest je wil beschermen tegen de gruwelijke waarheid. Die dringt pas langzamerhand tot je door.’

De andere drie rouwtaken: niet weglopen voor het verdriet, maar het intens voelen, hoe zeer dat ook doet. Het aanpassen aan een leven zonder de overledene. Het verlies een plaats in je bestaan geven, niet te groot en niet te klein.

‘Rouwen is topsport,’ zegt Huub Buijssen. ‘Het kost ook lichamelijk veel energie.’

Uit een in 1989 gehouden onderzoek aan de Universiteit van Nijmegen onder 130 vrouwen die drie tot vijf jaar daarvoor hun partner hadden verloren, blijkt dat meer dan een kwart van hen helemaal hersteld was. Een kwart was er nog steeds heel slecht aan toe, voelde zich erg eenzaam en had last van depressieve buien. Met de rest ging het ‘redelijk goed’, al voelde deze groep zich wel een ‘beetje eenzaam’ en werd de partner wel degelijk nog flink gemist.

Verlieskunde en verliesverwerking zijn sinds de jaren negentig specialisaties in de hulpverlening. In 1996 werd aan de Universiteit van Utrecht de eerste hoogleraar verliesverwerking aangesteld.

Psycho-sociaal therapeute Ans Hijman opende een jaar later in diezelfde stad de praktijk Verlieskunde. Meer vrouwen dan mannen schakelen haar hulp in na de dood van hun partner. De meesten komen driekwart tot een jaar na de begrafenis. ‘Ze voelen dat ze op eigen kracht niet verder komen. Ze zijn ook vaak bang dat ze hun omgeving tot last zijn. Ze hebben dan de neiging zich te isoleren, waardoor ze zich nog eenzamer voelen. Hoe intenser de relatie, hoe dieper de rouw,’ weet Hijman.

Voor veel van haar cliënten geldt dat ze in hun jeugd niet mochten voelen wat ze voelden. ‘Wanneer je als kind niet gerespecteerd bent in je gevoelens, niet geleerd hebt je verdriet te uiten, heb je een grotere kans dat je later bij een groot verlies vastloopt.’ Een belangrijk onderdeel van haar therapie: aandacht besteden aan oud verdriet en oud verlies. Pas dan komt er ruimte voor het verwerken van het huidige drama in hun leven. En ook dan blijken haar cliënten vaak te kampen met ‘onaffe zaken’. Hijman hoort geregeld: ik heb mijn man niet vaak genoeg gezegd dat ik van hem hield of hem niet genoeg bedankt voor wat hij allemaal voor me deed. ‘Rituelen helpen als iets niet klaar is. Je kunt bijvoorbeeld een brief aan de dode schrijven waarin je hem alsnog bedankt voor alles en waarin je hem je liefde betuigt.’

Verlieskundige Nelleke Wijnhof, sinds negen jaar coördinator van het Steunpunt Rouw en Verliesbegeleiding in Soest, begeleidt rouwverwerkingsgroepen. In het begin domineerden vrouwen deze groepen, tegenwoordig melden mannen zich evenveel als vrouwen aan. De meesten kloppen hier een tot drie jaar na het overlijden van hun partner aan. ‘Ze komen vooral om lotgenoten te ontmoeten. Ze zoeken ook bevestiging dat ze niet gek zijn, bijvoorbeeld als ze jaloers zijn op elk stel dat ze op straat tegenkomen. Veel rouwenden kampen met emoties die ze niet van zichzelf kennen. Niet zelden zijn ze boos op alles en iedereen: op artsen die het in hun ogen niet goed hebben gedaan, op de schoonfamilie die te weinig van zich laat horen, op een vriend of vriendin die hen lelijk in de steek heeft gelaten.’ Ze kunnen ook boos zijn op de overledene zelf omdat die een ongeluk veroorzaakte door roekeloos rijgedrag of longkanker kreeg vanwege een rookverslaving. ‘Boosheid hoort bij het rouwproces. Net zoals concentratieverlies, stemmingsstoornissen, slaapproblemen, verminderde of vermeerderde eetlust en energieverlies.’

In de rouwverwerkingsgroepen in Soest zitten mensen die getrouwd waren, samenwoonden of een LAT-relatie hadden, met of zonder kinderen, hetero of homo. ‘Homo’s en lesbiennes hebben dezelfde rouwtaken als hetero’s. Het gaat in alle gevallen om het verlies van een mens, iemand voor wie jij nummer een was.’ Nu homoseksualiteit meer geaccepteerd is, vallen homoseksuele en lesbische nabestaanden minder vaak onder de categorie ‘niet erkende rouw’. ‘Integendeel, ze hebben vaak een goed netwerk opgebouwd dat erg met hen meeleeft.’ Vrijwel alle leden in deze rouwverwerkingsgroepen hebben veel van hun partner gehouden. ‘Mensen die een ambivalente relatie met de overledene hadden, kiezen eerder voor een individuele therapie bij ons.’ Hetzelfde geldt voor de overgeblevenen na een buitenechtelijke relatie. ‘Het taboe om dit verdriet in een groep te delen is te groot.’

Heeft een kinderloze nabestaande het moeilijker of gemakkelijker? ‘De meeste mensen met kinderen zeggen; als ik geen kinderen zou hebben gehad, had ik het niet overleefd. De kinderen hebben me erdoor heen gesleept. Maar kinderloze nabestaanden zeggen op hun beurt tegen groepsleden met kinderen: als ik hoor hoeveel verdriet jullie kinderen hebben en hoeveel zorg ze behoeven, ben ik blij dat ik ze niet heb.’

De meeste rouwverwerkingsgroepen in Soest mondden uit in vriendenkringen. ‘Een groep heeft zelfs oud en nieuw met elkaar gevierd.’

Orthopedagogisch therapeute Carine Kappeijne van de Coppello begeleidt samen met Sineke Janssen rouwverwerkingsgroepen van mannen en vrouwen die alleen overblijven met thuiswonende kinderen. In het najaar gaat er weer zo’n groep van start.

‘Deze mensen horen vaak: je hebt toch nog prachtige kinderen om je heen. Maar kinderen zijn niet de remedie voor het verdriet, voor de eenzaamheid, voor het lichamelijk en geestelijk missen van de partner.’

Mensen kiezen niet zelden voor deze groep omdat ze hun kinderen beter willen begeleiden. ‘Wij stellen allereerst hun eigen welzijn centraal: want het welzijn van de kinderen is direct verbonden met dat van de overgebleven ouder.’

Door de dood van een vader of moeder van een jong gezin staat het hele leven op z’n kop. ‘Niks blijft hetzelfde. Met de dood van hun partner verliezen ze ook hun oppasser, klusjesman, klaagmuur, tuinman, boekhouder, kok, etcera. En niet te vergeten: de mede-opvoeder van de kinderen. Wij zeggen altijd: je kunt geen vader en moeder tegelijk zijn.’

Weduwnaars met jonge kinderen blijken zich na het overlijden van hun vrouw meer met de praktische reorganisatie van de huishouding bezig te houden, waardoor ze te maken kunnen krijgen met uitgestelde rouw. Weduwen in diezelfde situatie kunnen door het verdriet zo overspoeld worden dat er weer minder energie voor het regelen van alle praktische beslommeringen overblijft.

Het omgaan met het verdriet van de kinderen is een vast onderdeel in deze groepen. ‘Vooral mannen zeggen nogal eens: de kinderen praten er niet over. Dan blijkt meestal dat er ze zelf niet over praten.’ Kinderen hebben zondermeer de neiging hun overgebleven ouder te beschermen. ‘Ze zullen niet gauw hun verdriet uiten als ze weten dat mama dan gaat huilen.’ Kappeyne adviseert groepsleden om met hun jonge kinderen tekeningen te maken over hun verdriet, of met hen een boekje te lezen over de dood, bijvoorbeeld De kikker en het vogeltje van Max Velthuis.

Net zoals in andere rouwverwerkingsgroepen komt ook hier de overleden partner ruimschoots aan bod. Alle goede eigenschappen, maar ook dingen die je minder mist. ‘Een jonge vrouw zei eens: zelfs zijn eigenschappen waaraan ik een hekel had, mis ik nu.’ En ook hier wisselen de deelnemers veel onderlinge tips uit of steunen ze elkaar met praktische zaken.

Maatschappelijk werkster Anne-Marie Vermaat, auteur van Lieverd, ik mis je zo, heeft samen met haar partner Wijnand de Boer bureau Nazorg opgezet voor rouwverwerking en verliescommunicatie. Ze houdt zich veel bezig met de relatie rouwen en werk. 24 procent van de werknemers die een partner verliezen, meldt zich een tot drie maanden ziek, 10 procent blijft langer weg. Deze percentages liggen dicht bij die van werknemers die een kind verloren. ‘Rouw is geen ziekte, maar je kunt er wel goed ziek van worden.’ Vermaat geeft vaak in opdracht van bedrijven verliescoaching aan rouwende werknemers. Daarnaast traint ze leidinggevenden in verliescommunicatie. ‘Niet zelden zegt een chef tegen iemand die na de begrafenis weer met bloedend hart aan het werk gaat: “Maria, we hebben je zo gemist. Fijn dat je weer aan de slag gaat. Er ligt al flink wat werk op je bureau.” Terwijl je zo iemand juist minder zou moeten belasten of misschien zelfs tijdelijk een andere functie zou moeten geven.’ Een anesthesiste die ze coachde koos er zelf voor om na de dood van haar man een tijdlang op de poli eenvoudiger werk te doen. Gelukkig ontmoet Vermaat ook steeds meer werkgevers die openstaan voor de impact van privéverlies op mens en organisatie.

Anne-Marie Vermaat en haar partner zijn ook de bedenkers en ontwerpers van de verliesspeld. De sierlijke ronde broche waaruit heel symbolisch een wig is gehaald, is een hedendaagse vervanger voor de ouderwetse zwarte rouwband. ‘Onlangs ontmoette ik een hoofd personeelszaken die hem droeg. Niet omdat hij zelf een groot verlies had geleden, maar omdat hij wilde uitstralen: ik sta open voor werknemers in de rouw…’

Literatuur:

Manu Kierse. Helpen bij verliet en verdriet. Een gids voor het gezin en de hulpverlener. Uitgeverij Lannoo.
Huub Buijssen. Verstoorde rouw bij ouderen. Signalering en hulpverlening. HB Uitgevers, Baarn
Ans Hijman. Praktijk Verlieskunde. tel. 030-2615851
Landelijke Stichting Rouwbegeleiding. tel. 030-2761500 (9.00-13.00 uur) www.verliesverwerking.nl
Steunpunt Rouw en Verliesbegeleiding in Soest. tel. 035-6022122
Website lotgenotengroep ,,Jong je partner verloren” www.rouwverwerking.pagina.nl 
Anne-Marie Vermaat. Bureau Nazorg. tel. 015-3694457 of www.verliescommunicatie.nl  
Lieverd, ik mis je zo is samen met de verliesspeld te bestellen door overmaking van 15 € op gironummer 6159800 tnv. vermaat & boer.
Inl. rouwverwerkingsgroepen voor mensen met thuiswonende kinderen. Sineke Janssen. 020-4713308 op werkdagen tussen 9.30-10.30

 

 

Een goede relatie is te voorspellen De Telegraaf 16 februari 2009

 

Jolanda Jansen

TILBURG – Vlinders in de buik gekregen op Valentijnsdag? Maar hoe weet je nou of hij de ware is? Volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen uit Tilburg zijn er acht punten aan de hand waarvan je kan voorspellen of de relatie een lang leven is beschoren.

„Het klinkt allemaal heel logisch, en het is ook allemaal bekend, maar ze zijn nog niet eerder op een rijtje gezet”, zegt Buijssen. Hij waarschuwt: „Geen enkele relatie zal op alle acht hoog scoren. En ook al scoor je hoog, je moet er nog steeds wat voor doen. Liefde is een werkwoord. En als je op alle acht negatief scoort, kan je nog steeds een goede relatie hebben. Maar de kans is een stuk kleiner.”

Op nummer één zet hij levenslust. „Heeft hij genoeg aan zichzelf en is hij met zichzelf gelukkig? Gaat hij ergens voor?” verklaart Buijssen. „Als de kachel van de ander brandt, kun je je hieraan warmen. Als er maar een zacht vlammetje in brandt, dan zal je er op dagen dat je het koud hebt weinig warmte van mogen verwachten. Als je partner levenslust heeft, slaat dat op je over, net zoals je somber wordt als híj somber is.

Als tweede is het van belang hoe gelukkig het huwelijk van de ouders van je toekomstige partner was. „Als je partner van hen heeft geleerd hoe hij iemand kan steunen, problemen kan oplossen en liefhebben, is hij beter voorbereid. Als hij geborgenheid, veiligheid en liefde heeft gehad, kan hij dat later zelf ook beter geven”, aldus Buijssen.

Ten derde moet je kijken naar hoeveel je toekomstige partner van zijn eigen ouders hield, en dan met name die van het andere geslacht. Buijssen: „Hoeveel hield het vriendje dat je op het oog hebt van zijn moeder? Dat draagt hij over op zijn relatie met jou. Als dat botste en knetterde, is de kans dat hij dat met jou herhaalt, groot.”

Ten vierde: kan je letterlijk en figuurlijk naar hem opkijken? „Vrouwen vinden het prettig als hij groter is en als ze trots op hem kunnen zijn. Een opleiding of carrière op minimaal hetzelfde niveau, die van hem liefst iets beter. Mannen hebben graag dat een vrouw hen bewondert en hij houdt van applaus. Als de vrouw heel succesvol is, is het vaak moeilijk de relatie in stand te houden”, aldus Buijssen. ‘De kans dat Jan Smit en zijn eveneens succesvolle Yolanthe uit elkaar gaan is, daarom veel groter dan dat Frans Bauer en zijn vrouw Mariskan gaan scheiden.’

Daarop sluit vijf aan: dat je ongeveer dezelfde culturele achtergrond hebt. Buijssen: „Generatie op generatie worden normen en waarden overgedragen.”

Ten zesde is het belangrijk of jullie qua karakter op elkaar lijken. „Vooral op het gebied van open staan voor ervaringen, zorgvuldigheid en geweten, vriendelijkheid en verdraagzaamheid”, aldus Buijssen. „Gelukkige stellen gaat trouwens ook écht op elkaar lijken, qua gezicht. Ze krijgen dezelfde mimiek en op den duur ook dezelfde lijnen in het gezicht.”

Als nummer zeven noemt Buijssen gedeelde interesses: „Je hoeft niet steeds hetzelfde te willen, maar er moeten raakvlakken zijn die beide boeien en bezig houden. Als je geen gemeenschappelijke gespreksstof hebt, droogt het op.”

En tot slot staat de mate waarin de toekomstige partner psychisch gezond is. Buijssen: „Een op de drie mensen heeft een psychische aandoening, van een onschuldige angst voor de lift tot een drankprobleem. Met lichte gevallen valt te leven, maar de zwaardere leiden vaak tot een onevenwichtige, moeilijke relatie.’ Buijssen voegt er nog aan toe dat het so wie so erg belangrijk is dat je partner (en ook jijzelf) ook al gelukkig waren voordat deze trouwde. Ïk ken een Duits boek dat heet: “Wees gelukkig en het maakt niet uit met wie je trouwt.” Dit is meer dan waar.’

 

 

Betrokkenheid geeft geluksgevoel De Telegraaf 10-1 2005

 

 

Psycholoog Huub Buijssen vertelt dat de televisiebeelden iets hebben losgemaakt bij mensen die als helpers naar het rampgebied trekken: het begint allemaal met hevige emoties als ze de indringende beelden op tv zien: afschuw, ontzetting, medeleven.

Ze verplaatsen zich in de slachtoffers: hou zou ik me voelen als ik plotseling van mijn kinderen was beroofd, of mijn ouders broers en zussen had verloren, of mijn huis? Dan gaat het stemmetje klinken: ik moet iets doen. Net als bij aankomende priesters of zusters is het een roeping. Ze zijn bewogen, er is iets in beweging gebracht. De helpers worden zelden door hetzelfde motief gestuurd. De een wil helpen om zin en betekenis aan zijn leven te geven. Anderen willen ontsnappen aan de saaiheid en sleur van hun bestaan. Op naar zo`n ontreddend gebied, op avontuur en nieuwe mensen ontmoeten. Nog een beweegreden: opgenomen worden in een groter geheel. De tsunami was wereldnieuws. Later kunnen de helpers dan zeggen dat ze er middenin stonden. De betekenis, de glans van de grote ramp straalt op hen af: ik help hier. Een andere drijfveer is dat we ons herkennen in de slachtoffers. Ook wij kunnen slachtoffer worden van een overstroming, een oorkaan, een aardbeving. De kracht van de natuur is groot, wij zijn nietige wezens en moeten elkaar helpen. Betrokken geeft bovendien een geluksgevoel. Je doet het deels ook voor jezelf, je helpt jezelf als je geëngageerd bent.

Uit onderzoek blijkt dat helpers na afloop altijd terugblikken op een soort wittebroodsweken. Ondanks alle ellende zien ze het als een mooie tijd. Het heeft meer geluk dan een supervakantie.

 

 

Dit doodvonnis gun ik iedereen De Telegraaf 27 september 2007

 

Huub Buijssen analyseert nu zijn eigen gevoelens en concludeert dat die anderhalve week hem tot een rijk man heeft gemaakt: “Dit is de beste ervaring van mijn leven. En al klinkt het raar, ik gun het eigenlijk iedereen. Ik ben een herboren mens.”

 

 

door MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL en RENÉ STEENHORST
TILBURG, zaterdag

Die blije lach zit om zijn mondhoeken gebeiteld, Huub Buijssen (54) is een herboren man. Op woensdag 12 september kreeg hij te horen dat hij pancreaskanker had, op donderdag de 20ste bleek dat er niets aan de hand was. Anderhalve lange week keek hij de dood recht in de ogen. “De rijkste ervaring van mijn leven”, vindt de Tilburgse psycholoog.

Huub Buijssen komt al jaren met regelmaat voorbij in onze kolommen, desgevraagd duidt hij dan helder en beeldend het een en ander op psychologisch gebied. En juist deze bevlogen vakidioot maakte een zwieper van jewelste in een emotionele achtbaan.

“Die woensdag kwam mijn nieuwe boek uit, De beleving van dementie. Normaal altijd een feestje, al is het mijn 36ste al.” Die dag kreeg hij echter zijn doodsvonnis. Voor de zomervakantie voelde hij zich al niet best: “Ik verloor gewicht, had pijn, was moe. Die klachten schreef ik toe aan het prikkelbare darmsyndroom waar ik al jaren last van heb. Mijn huisarts weet het ook daaraan. In augustus merkte ik dat ik nog meer kilo’s kwijt was. Ik dacht aan pancreaskanker, maar de huisarts zei dat het dat niet kon: mijn oogwit was niet geel en ik had geen rugpijn. Een eerste darmonderzoek liet een allerminst alarmerend poliepje zien.”

Op zondag 9 september kreeg hij ook nog diarree. “Dinsdag kon ik pas naar de huisarts, een vervanger. Die dacht aan een aneurisma en er werd een echo gemaakt. De radioloog gaf me de uitslag niet, hij zei: ‘ik zal de huisarts bellen, zodat jullie een plan van aanpak kunnen bespreken’. Mijn vermoeden dat er iets mis was werd door deze woorden bevestigd. De huisarts meldde dat het er niet goed uitzag, dat ik pancreaskanker had. Ik beken eerlijk dat ik niet meer weet of hij zei dat ik het had of dat er een verdenking was. Dat laatste las ik de dag erna – mijn Latijn is goed – wel op het verwijsbriefje: verdenking van pancreaskanker.”

Voor Huub Buijssen verging ondertussen zijn wereld: “Op internet zag ik dat dit de meest dodelijke vorm van kanker is. Na de diagnose is de levensverwachting nog maar een paar maanden. In 85% van de gevallen is het op het moment van constateren al uitgezaaid en is er niets meer aan te doen. En omdat ik de diagnose zelf al een maand eerder had gesteld, dacht ik… Als het niet was uitgezaaid zou een operatie de enige redding kunnen zijn, een superzware operatie waarbij 15% overlijdt. Van de geopereerden is na vijf jaar nog maar één op de tien in leven.”

“Op die ene procent overlevingskans vestigde ik al mijn hoop. De chirurg waar de huisarts me meteen naar had verwezen, verteld me dat ik in goede conditie moest zijn voor een eventuele operatie en dus ging ik drie keer per dag wandelen en at ik ondanks dat ik geen eetlust had. Ik was jaloers op iedereen met een dikke buik. Die maandag had ik een gesprek met de maag-lever-darm-arts die een mri-scan en een bloedonderzoek regelde. De huisarts zocht me thuis op, voor mij het signaal dat het er echt slecht voor stond. Toen ik die donderdag voor de uitslag -wel uitzaaiingen of niet – naar het ziekenhuis ging, hoorde ik in gedachten de doodsklokken al luiden.”

“‘Geen spoortje van kanker’, zei de arts. ‘Een echo zegt niet alles en is wel eens grof’. Die man heeft een halfuur nodig gehad om mij ervan te overtuigen dat er echt niets ernstigs aan de hand is…” Onnodig zijn geluk te schetsen: “Had ik al die hele week geen oog dicht gedaan omdat dat zo zonde van de tijd was, die nacht kon ik van blijdschap niet slapen. Ik ben opnieuw geboren, als volwassen mens.”

De psycholoog Buijssen analyseert zijn gevoelens: “Anderhalve week ben ik bezig geweest met afscheid nemen. De dood joeg me eerder altijd schrik aan, nu was ik er niet bang voor. Wel vreesde ik de pijn. Het ergste vond ik dat ik mijn kinderen, Huib van 13 jaar en Ilana van 10, niet zou zien opgroeien. Dat ik hun examens, huwelijken en de geboorte van hun kinderen niet zou meemaken. Als ze naar me zwaaiden als ze naar school vertrokken, schoot ik al vol. Ik heb het hen wel verteld, voor kinderen houd je niks verborgen. Ze hadden al gemerkt dat papa geen grapjes meer maakte. Kinderen zijn flexibel, de dag erna zijn ze al weer aan het buitenspelen en aan het zingen.”

“Ik moest het mijn moeder, broers en zussen, vrienden en collega’s vertellen. Iedereen wilde bij langskomen, maar dat hield ik af. Heel ambivalent, ik wist dat ik hun steun meer dan ooit nodig had, maar toch ik sloot me af. Bovendien had ik weinig tijd en moest veel regelen. Ik wilde alles goed achterlaten en ben naar een notaris gegaan voor een testament.”  

Buijssen kan er nu om lachen: “De notaris vroeg hoe lang ik nog had, voor die beroepsgroep de normaalste vraag van de wereld. Ik wist dat die tijd kort kon zijn. Nee, de uitvaart had ik nog niet geregeld, ik zag de stoet nog niet voor me…, ik dacht al wel na over de muziek bij de mis en ik besloot dat ik begraven wilde worden in mijn Limburgse geboortedorp Hegelsom (gemeente Horst aan de Maas) waar ook mijn vader ligt. Goed, ik liep mijn archief door, ruimde mijn werkkamer en pc op, belde mijn uitgever hoe de drie boeken die ik al grotendeels af had postuum uitgegeven moesten. Alle trainingen (in trauma-opvang en agressie red.) en lezingen die in mijn agenda stonden heb ik afgezegd, na een operatie zou ik immers moeten herstellen. Tot januari ben ik nu werkloos…”

Filosoferend: “Merkwaardig hoe stabiel geluk is. Na vijf, zes huilerige dagen voelde ik me toch weer aardig mezelf en kreeg ik weer zin in het leven.”

Veel mensen vragen het hem: “Boos om die eerste diagnose? Nee, er is geen fout gemaakt, dat wil ik benadrukken. Maar dit is de rijkste ervaring van mijn leven, zo heb ik ook meteen de maag darm en leverarts laten weten, toen hij me het goede nieuws bracht. Eigenlijk gun ik het iedereen, al klinkt dat raar. Ik heb er zo veel van geleerd. Het enige dat blijft is wat je weggeeft, werd er in de film Babettes Feest gezegd. En dat is zo. Als je het moeilijk hebt, krijg je terug wat je eerder gaf. En ook: waar je niet gaf, krijg je ook niet”

“Sommige mensen hadden het er moeilijk mee dat ik me niet verzette tegen de reële optie dat ik ging sterven. Hen ontnam ik zo ook de hoop. Kennelijk ben ik iemand die zich snel in het onvermijdelijke schikt. Gek hè, ik schaam me nu dat ik iedereen moet bellen dat het goed met me gaat.”

Een zondagskind noemt hij zichzelf: “Ik heb een tweede leven cadeau gekregen. Jazeker, ik blijf psycholoog. Al een paar jaar al heb ik het gevoel gehad dat ik eigenlijk met pensioen ben en dat dit mijn hobby is. Alleen ga ik minder tijd aan regeldingen besteden, daaraan heb ik een hekel. Ik weet nu hoe kostbaar tijd is. Er ligt nog een boek dat ik af wil maken.” Niet gespeend van ironie: “Over succesvol ouder worden. Zonder garantie voor een eeuwig leven, hoor!”

“Spijt van wat ik heb gedaan of gelaten? Zover was ik nog net niet, die vragen had ik even geparkeerd. Wel heb ik meteen stilgestaan bij de vraag wie ik heb gegriefd of gekwetst, of ik om vergeving moest vragen. Ik wilde niet dat mensen met wrok aan me zouden terugdenken.”

“Ik heb ervaren dat bewust afscheid nemen belangrijk is. Dingen afronden, zeggen wat mensen voor me hebben betekend. Als je wordt overvallen door de dood, een fataal auto-ongeluk of hartaanval, of als je dement overlijdt, is dat niet mogelijk. Dan is, al mag ik dat misschien niet zo stellen, kanker voor mij althans geen slechte optie.” Nadenkend: ” Maar stel dat ik over 40 jaar ongeneeslijk ziek word. Maar ik weet niet of het sterven dan makkelijker zal zijn. Als je oud bent heb je minder mensen om je heen en ga je eenzamer dood. Zo zie je dat alles twee kanten heeft. In mijn nieuwe dementieboek staat voorin als motto een zinsnede van de streekromanschrijfster G van Maanen Pieters waar ik de afgelopen dagen ook veel aan moest denken: Ze beseft nu dat verdriet om aantasting van de allerpersoonlijkste dingen, zoals gezondheid en verbondenheid, volstrekt niet lichter te dragen valt naarmate men een groter deel van zijn bestaan achter zich heeft gelaten. Of men achtentwintig, achtenveertig, achtenzestig of zelfs achtentachtig jaren leeft, het hart is altijd jong en kan altijd bloeden.”

Wat hij nu wel mankeert weet Buijssen overigens nog niet. Een fijn lachje: “Als psycholoog ken ik de kracht van de geest wel, mijn achtergrond maakt me niet immuun voor hypochondrie. Mijn broer, de meest briljante man die ik ken, heeft wel een verklaring voor mijn klachten. Vanwege die prikkelbare darm werk ik normaal niet ’s avonds en op feestjes ben ik altijd voor elven weg, anders speelt die darm geheid op. Maar in het maken van dit boek, De beleving van dementie.Een eenvoudige gids voor naasten, had ik zo’n schik dat ik avond aan avond tot laat doorwerkte. Mijn broer zegt dat de computer bepaalt met welke snelheid je leeft en niet jijzelf. Dat is slecht voor je nachtrust, jouw toch al gevoelige darmen krijgen door het gebrek aan rust een opdonder, en daardoor neemt het hongergevoel af, eet je minder, val je af, krijg je last van je een drukkend gevoel in je darmen, mogelijk zelfs pijn… Ik geloof hier wel in.” Peinzend: “Het kán, dat ik een andere vorm van kanker zou hebben. Dan nadert het einde in elk geval langzamer. En ik ben blij met elke gewonnen dag.”

Huub Buijssen. De beleving van dementie. Een eenvoudige gids voor naasten van dementerenden. Spectrum, €14,95

 

 

 

De geheimen van geestelijk fit blijven, 50 plus gids 2004

Velen willen oud worden, niemand wil het zijn. Want oud zijn is voor velen synoniem met ziek en afhankelijk worden. Hoe zo lang mogelijk lichamelijk en geestelijk fit te blijven? Psychogerontoloog Huub Buijssen, directeur van Buijssen Training en Educatie, verbonden aan het Nederlands Kenniscentrum Ouderenpsychiatrie en auteur van o.a. de bestseller De heldere eenvoud van dementie. Een gids voor de familie ging voor u in de wetenschappelijke literatuur op zoek naar het antwoord. De zoektocht resulteerde in vier tips.

Zorg dat u steeds één of meer doelen heeft om u op te richten
Van nature willen uw lichaam en geest altijd naar iets toe dat zich ergens aan de horizon bevindt. Uw gezondheid is er mee gebaat dat u iets heeft om naar uit te zien, om uw energie op te richten. Een doel hoeft niet iets groots te zijn of iets dat in de ogen van anderen belangwekkend is. Het gaat er om dat het er voor ú toe doet.

Investeer in contacten en relaties
Het is belangrijk om bestaande contacten te koesteren en, indien nodig, nieuw leven in te blazen. Via vrijwilligerswerk of het oppakken van ‘sociale hobby’s’ kunt u ook weer nieuwe mensen leren kennen. Probeer in ieder geval niet alle kaarten te zetten op uw kinderen. De kwaliteit van uw relatie met hen kan er onder lijden.

Probeer tenminste drie keer per week een half uur te bewegen
Mensen die voldoende actief zijn, leven langer. Het beschermende effect neemt toe naarmate we ouder worden. Lichaamsbeweging is tevens een probaat middel om stressgevoelens te verminderen, uw geest te verzetten en uw stemming te verbeteren. De geest maakt tijdens bewegen natuurlijke stofjes aan die depressie en angstgevoelens te lijf gaan. Als beweegt helpt u zelfs 50% minder kans op een psychische stoornis. En als u een stoornis hebt, zoals een depressie, herstelt u sneller. Actie geneest en kalmeert.

Lach en geniet en wees niet te lang boos of vijandig.
Lachen versterkt het immuunsysteem, waardoor u minder vatbaar bent voor ziekten. Door te genieten ervaart u minder stress, en maakt u minder kans op een depressie of burn-out.
Boosheid heeft een negatief effect op het immuunsysteem. Probeer steeds op zoek te gaan naar de positieve dingen in het leven. Van deze goede gewoonte heeft u langer plezier.

Voor toelichting op deze tips en voor zes andere tips kunt u terecht op de website van het kenniscentrum: www.ouderenpsychiatrie.nl