Burn-out of depressie?

Burnout of depressie?

Omdat ik me de laatste tijd niet goed voel, ben ik naar de huisarts gegaan en die vertelde me dat ik een burn-out heb.  Op internet deed ik zojuist een zelfhulptest en daar kwam uit dat ik waarschijnlijk een depressie heb. Wie moet ik nu geloven? En wat is precies het verschil tussen een burn-out en een depressie?  Meneer Bosman, Arnhem.  

Ofschoon het in veel gevallen verre van gemakkelijk is een burn-out en een depressie van elkaar te onderscheiden, hebben ze een verschillend klachtenpatroon.  Meest typerend  voor een burn-out zijn ongewone vermoeidheidsklachten.  Zelfs na een goede nachtrust sta je dan nog moe op. De moeheid zit dan immers in je  lichaam en in je hoofd.  Een burn-out komt door het werk, daarom kunnen ook huisvrouwen en mantelzorgers het krijgen.  Als je een burn-out hebt, staat het werk je tegen en bij de gedachte aan je werk voel je vaak al slecht. Tegelijkertijd kun je dan nog wel plezier beleven aan een hobby.  Als je een depressie hebt, voel je je daarentegen ‘overall ‘ ellendig. Ook als  je niet aan je werk denkt. Niets kan je echt opbeuren. Bij een depressie begrijp je vaak niet of maar ten dele waarom je je zo rot voelt. ‘Ik heb alles om gelukkig te zijn, maar toch ..’  Als je burn-out hebt, snap je wel waar je klachten vandaan komen: van je werk. Tenslotte, bij een depressie heb je vaak een veel negatiever zelfbeeld dan bij een burn-out.  

Depressie en burn-out en kunnen vergezeld kunnen gaan van een lange reeks van andere symptomen waarvan ze er ook sommige gemeenschappelijk hebben. Zoals slapeloosheid, besluiteloosheid, concentratieproblemen, geen zin in seks, veel piekeren.  Om het nog ingewikkelder te maken, gaan burn-out en depressie ook nogal eens samen. Een burn-out zonder depressie komt zelfs niet zo vaak voor (Sommige wetenschappers zien burn-out daarom als een vorm van depressie en niet als een op zich staand begrip). Het kan dus goed zijn dat u aan beide aandoeningen leidt. Een andere mogelijkheid is dat u  een aan een zuivere depressie leidt. Hoewel deze wel vaak op zichzelf staat, geeft menige huisarts zijn patiënten ook dan toch liever de diagnose burn-out.  Hij doet dat omdat hij weet dat mensen, vooral mannen, zich voor een depressie schamen.  Burn-out wordt immers eerder geassocieerd met hard werken en met winnaars, depressie met falen en met losers.

Het belangrijkste is dat u nu een goede behandeling krijgt.  Gelukkig komen de meest werkzame elementen van een burn-out behandeling overeen met die van een depressiebehandeling:   anders leren denken ‘door niet helpende gedachten  aan te pakken (zoals “als ik niet hard werk, vindt niemand me aardig),  stressbronnen in het leven verminderen, meer  reële eisen aan jezelf stellen (goede balans werk-privé), zinvolle sociale contacten op- of uitbouwen en voldoende bewegen.     

Ver lezen? Huub Buijssen. Ik zie het weer zitten. Stap voor stap van je depressie af. Spectrum, Houten, 2009

 

Drink ik te veel?

 

Mijn huisarts vroeg me toen hij me medicijnen voorschreef om beter te kunnen slapen hoeveel alcohol ik dronk. Toen ik hem vertelde dat ik dagelijks  vier glazen wijn drink, adviseerde hij me te minderen naar hooguit anderhalf glas per dag.  ‘’Voor u als vrouw is anderhalf glas per dag het maximum en nu u ook slaapmedicatie gaat gebruiken, zou u eigenlijk nóg minder moeten drinken.’ Ik was te perplex om te reageren. Is mijn huisarts niet een te strenge calvinist? Mevrouw Haas, Rotterdam.

Uw huisarts heeft gelijk.  Voor vrouwen is een kwart van een fles wijn van 0,75 cl (met een alcoholpercentage van 12%) het maximum, mannen mogen per dag een derde van een fles wijn drinken. En alcoholdeskundigen zijn het er verder over eens dat men twee aangesloten alcoholvrije dagen in acht moet nemen.  Het verschil tussen mannen en vrouwen komt onder meer doordat het mannelijke lichaam alcohol beter afbreekt. Mannen zijn daarom minder snel onder invloed dan vrouwen.  Maar boven de zestig adviseert  de Gezondsheidsraad  mannen te minderen naar het niveau van vrouwen. Wat kunnen de twee of drie extra’s glazen nu kwaad? Welnu, meer drinken dan de norm vergroot de kans op allerlei ziektes diverse vormen van darmkanker, leverziektes, hart- en vaatlijden, dementie en diabetes.   Een te hoge dosis alcohol verstoort ook de gezonde slaap. Men slaapt weliswaar eerder in, maar de kwaliteit van de slaap is veel minder.  Het gevolg kan dan zijn dat men dan gaat vragen om  ..slaapmedicatie.  Maar dat is nog niet alles. Bij alcoholverslaving denken mensen meestal aan mensen die zich al bijna jaren bijna elke dag laveloos drinken.  Maar ook mensen die minder, maar wel regelmatig meer dan de norm drinken, kunnen door alcoholgebruik in de problemen komen.  Normale veroudering gaat gepaard met verandering in het lichaam, zoals een mindere werking van lever en nieren,  waardoor het lichaam alcohol niet meer zo goed aankan. Bij gelijkblijvend gebruik, van bijvoorbeeld 4 glazen, kunt u zo toch een kritische grens passeren.  Sluipenderwijs kan het dan zover komen  dat u niet meer zonder alcohol te kan.  Ongeveer 1 op de 10 oudere verslaafden – een groep die de laatste jaren snel groeit – hoort tot deze categorie.   Uw huisarts heeft ook gelijk dat hij adviseert bij slaapmedicatie nog wat minder te drinken dan de norm omdat alcohol en medicatie elkaars werking versterken en ook omdat de combinatie gemakkelijk tot verslaving leidt.   Is uw huisarts een calvinist die u het genieten wil verbieden?  Nee, het optimale effect, de heerlijke combinatie van lichte roes en ontremming,  krijgt u meestal  al bij de toegestane hoeveelheid.  Omdat uw lichaam enige tijd nodig heeft om alcohol in het bloed op te nemen, ervaart u  dit effect echter vaak pas als u een paar glazen méér op hebt. Ten onrechte denkt u dan dat u zich  dankzij het vierde of vijfde zo goed voelt. Kortom, wilt u genieten, drink dan met mate.    

 

 

Soms word ik gek van mijn man.

 

Ik ben gek op mijn man, maar soms word ik ook gek van hem.  Als ik hem ergens op aanspreek, dan trekt hij zich terug en zegt hij niets meer. Meestal een paar dagen, soms zelfs een week. Ik voel me dan zo alleen en beroerd. Ik slaap dan slecht en elke dag word ik moe wakker.  Mevr. Hoek, Vlaardingen

Relationele spanningen kunnen inderdaad letterlijk ziekmakend zijn.  Onderzoek heeft aangetoond dat in periodes van relationele stress mensen eerder een verkoudheid oplopen, sneller griep krijgen, wondjes minder snel herstellen en het hart het dan ook overuren maakt. Hoewel bij sommige stellen de rollen precies andersom zijn, is wat u beschrijft het klassieke patroon: de vrouw levert kritiek op haar man en deze sluit zich vervolgens af. Vrouwen kan dit tot razernij brengt. ‘Hij negeert me gewoon, zo gevoelloos!’ Het laatste klopt echter niet, zo toonde de psycholoog dr. John Gottman aan. In een onderzoek koppelde hij echtparen die huwelijkstherapie ondergingen aan apparatuur die een breed scala van fysiologische reacties registreerden en ontdekte zo dat mannen bij ruzies fysiologisch geprikkelder raakten dan vrouwen: hun hart klopte sneller, ze transpireerden meer en ze werden gespanne­ner. Gottman concludeerde dat veel mannen ruzies via terugtrekgedrag proberen te vermijden omdat ze gevoeliger zijn dan hun echtgeno­tes en omdat ze de hevige emoties die ruziema­ken met hun echtgenote oproept, niet aankunnen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de meeste mannen so wie so op stress – en kritiek is voor hen stress – reageren met oestergedrag.

Wat kun je doen? Bespreek niet meteen je ergernis, maar wacht er een dag mee. Doe dit zeker als je het liefst meteen wilt losbranden. Als je ruim baan aan je boosheid, wordt deze in plaats van minder juist heviger. Jij verliest dan je redelijkheid en je man eveneens. Een dag of enkele uren later, ben je rustiger. En net zo belangrijk: de meeste ergernissen vind je dan niet meer de moeite waard. De andere bespreek je dan met je partner. Liefst zo kort mogelijk waarbij je vooral het oog richt op de toekomst. ´Ik kom nog even terug op gisteren. Toen ik van huis kwam, was de vaat nog niet uitgeruimd. Wil je voortaan op ‘jouw huishouddag’ dit doen zonder dat ik er bij thuiskomst om moet vragen. Je doet er me een groot plezier mee?´´ Het laatste zinnetje doet er ook toe! Je geeft hem het gevoel dat hij je gelukkig kan maken. En geloof het of niet:de meeste mannen willen niets liever. 

Meer lezen: Huub Buijssen: Nu begrijp ik je. Beter met je partner communiceren  (2010).

Met romantiek heeft het huwelijk weinig te maken.

 

Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben? Dat ideaalbeeld is de bron van veel relationeel ongeluk. ‘Want in praktijk heeft het huwelijk heel wat verrassingen in petto.’

Uit naam van de ‘eeuwige liefde’ verwachten partners het vrijwel onmogelijke van elkaar. De ander moet niet alleen leuk zijn, maar ook lief, woest aantrekkelijk, vol begrip, slim, attent en succesvol. ‘Daar kan natuurlijk bijna niemand aan voldoen’, zegt klinisch psycholoog en communicatietrainer Huub Buijssen (57). Vroeger, zegt hij, was het voldoende als een man zijn gezin kon onderhouden, terwijl de vrouw huis, haard en kinderen bestierde. Mannen en vrouwen leefden feitelijk altijd in verschillende werelden. Totdat in het midden van de 19e eeuw de overtuiging ontstond dat mensen vooral uit liefde met elkaar moesten trouwen. Het romantisch ideaal is sindsdien onuitroeibaar gebleken. ‘Nu móet je elkaar totaal en voor altijd gelukkig maken. Maar zet twee mensen bij elkaar en je hebt dubbel zoveel problemen. Je deelt samen veel sores, maar de extra belasting zorgt ook voor stress die je vervolgens op elkaar afreageert.’

Het ís me wat met partnerrelaties, erkent Buijssen. ‘Het ideaalbeeld heeft voor veel relationeel ongeluk gezorgd, en nog steeds. Want zo werkt het in praktijk niet. Daarvoor verschillen liefdespartners meestal te veel van elkaar. Het idee dat je door een huwelijk nog lang en gelukkig zult leven, is vragen om moeilijkheden. Want het heeft heel wat verrassingen in petto.’

Welke dat zijn, waardoor ze worden veroorzaakt en hoe de onaangenaamheden, de misverstanden en de valkuilen enigszins kunnen worden omzeild heeft Buijssen beschreven in het boek Nu begrijp ik je, over verborgen verwachtingen en verlangens tussen mannen en vrouwen. Eén ding is duidelijk: partners verwachten te veel van elkaar, ze koesteren verschillende – en soms tegenstrijdige – verwachtingen én ze zijn daar tegenover elkaar niet duidelijk (genoeg) over. ‘Mensen willen vaak  een twee-eenheid zijn en tegelijk onbelemmerd hun eigen leven leiden. Vaak is het een heel gevecht om een goede balans te vinden.’

Portefeuillehouder

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek eindigt een op de vier huwelijken binnen twintig jaar in een echtscheiding. Op de langere termijn eindigt circa een op de drie huwelijken in een scheiding. ‘Onthutsender vind ik dat vooral vrouwen hun huwelijk een mager zesje geven. Zij zijn meestal de portefeuillehouder van de relatie en stellen die aan de orde, terwijl mannen over het algemeen tevredener over hun relatie zijn. Bovendien moet hij buitenshuis, op het werk, figuurlijk al ‘vechten’; eenmaal thuis wil hij rust en vooral geen strijd met zijn vrouw. Er ontspint zich vaak een vast patroon: de vrouw zoekt toenadering of de confrontatie, de man deinst terug.’

Wat zo’n confrontatie bemoeilijkt, is dat mannen en vrouwen een verschillende kijk op de werkelijkheid hebben. ‘Zij verschillen in karakter, in sekse, in behoeftes, in manier van communiceren en houden er andere normen en waarden op na. Ieder heeft zijn eigen waarheid, of een stukje ervan, en heeft dus een beetje gelijk. Dat maakt dat een juiste omgang met een partner ingewikkelder kan zijn dan het besturen van een straaljager. En een gebruiksaanwijzing is er niet. Mensen ontdekken van lieverlede meestal dat de verschillen met hun partner niet zozeer voortkomen uit onwil of gebrek aan liefde, als wel uit de verschillen in behoeftes en opvattingen.’

Toch is het geloof in De Ware bijna onuitroeibaar, zegt Buijssen. ‘Via kunst, hard werken en de liefde zijn we altijd op zoek naar een gevoel van eeuwigheid en onsterfelijkheid. We blijven op zoek, en we blijven teleurgesteld worden. Toch geven we niet op; het verlangen naar die ene is groter dan wij zelf. En ook al ben je wel gelukkig met een partner: geluk went en je wilt altijd méér. Dat verschijnsel maakt partnerrelaties tot explosieve bommetjes.’

Toiletbril

Neem bijvoorbeeld de kleine ergernissen. Het spreekwoordelijke dopje van de tandpasta, het natplassen van de toiletbril, een slordig huishouden. ‘Partners verwachten van elkaar dat de ander begrijpt hoe jij het wilt hebben en wat jij bedoelt. Maar wat de éen verwacht kan erg afwijken van de verwachtingen van de ander. Een van beiden kan iets superlogisch vinden en denkt dat hij of zij het er daarom verder niet over hoeft te hebben. Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben?’

Bij ruzie tussen partners komt vervolgens een explosief goedje naar voren: een combinatie van feiten, gevoelens, eigen identiteit (verdien ik dit eigenlijk?) en behoefte aan verbondenheid. In no time kan de boel daardoor escaleren. ‘Stel een gesprek liever uit als je merkt dat je te boos bent. Wacht een dag, maak een ommetje, zoek een constructieve oplossing. Dat vergt veel zelfbeheersing, maar heeft veel meer effect. Want in feite is een ruzie een voortdurend gevecht om liefde. De boodschap erachter luidt: hou van me, wees mijn ideaal, begrijp me, wees attent en lief voor me. Zolang mensen ruziën, is er sprake van verbondenheid. Ze willen er graag samen uit komen.’

Gezien de praktische voetangels en klemmen van het romantisch ideaal, is een verstands- of zelfs een gearrangeerd huwelijk misschien toch niet zo heel verkeerd? ‘Uit onderzoek blijkt dat die partners aanvankelijk minder gelukkig zijn, maar de schade na een paar jaar inhalen. Nog wat jaren later zijn zij zelfs gelukkiger dan mensen die uit liefde met elkaar zijn getrouwd. Zij weten dat ze er iets van moeten maken, en dat lukt vaak ook. In het westerse huwelijk staat altijd de deur van de nooduitgang – echtscheiding – op een kier. Ik wil geen propaganda maken voor het gearrangeerde huwelijk, maar het maakt wel duidelijk dat ons romantische ideaal niet zaligmakend is.’

Nu begrijp ik je, Huub Buijssen. Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum. ISBN 978 90 491 0437 5, prijs ….euro.

 

 

 

Hij past wel op zichzelf

 

Twee maanden na de dood van haar man, bezocht Tineke Haegens de plek waar hij overleed, langs het spoor vlak bij het gebouw waar hij 23 jaar lang als hoofd van de Nijmeegse crisisdienst de heftigste problemen van anderen had opgelost. Twee treinen kwamen stil te staan, ze werd weggejaagd. Toen ze weer over het hek langs de spoorbaan klom, kwam uit een van de treinen een machinist rennen die haar vroeg wat ze deed. Ze vertelde over haar man, de machinist nam haar mee in de trein en zei: ‘Wij gaan straks praten.’Hij bleek hem te hebben aangereden.

 In Nijmegen werd ze opgevangen door twee agenten van de spoorwegpolitie die ter plekke waren geweest kort na de zelfmoord. De machinist mocht ze niet spreken, dat leek de psycholoog van de NS geen goed idee. ‘Zo zorgvuldig als met die machinist werd omgegaan…, ik had gewild dat mijn man zo was afgeschermd.’

 

Martien Haegens (52) was net weer een paar maanden aan het werk toen hij op 1 juni 2005 rond het middaguur tegen zijn collega’s zei dat hij even ging stemmen voor de Europese grondwet waarna hij rechtstreeks naar het spoor fietste. Een jaar ervoor was hij totaal opgebrand, zwaar depressief en alcoholverslaafd, en had hij zich laten opnemen op de gesloten afdeling van de medisch psychiatrische unit van ziekenhuis Rijnstate in Arnhem; Martien Haegens, de man die de ouders van de vermoorde tiener Maja Bradaric had bijgestaan en de nabestaanden van de zes jonge dodelijke slachtoffers van een brand in Groesbeek,hij die altijd inzetbaar was bij calamiteiten en traumatische gebeurtenissen.

 Tien weken had de opname geduurd, toen vond hij dat hij voldoende was hersteld en was hij binnen een week na zijn ontslag uit het ziekenhuis teruggekeerd op zijn werk, in een van de zwaarste functies die de geestelijke gezondheidszorg (ggz) kent: de acute psychiatrie. Dat had 

nooit mogen gebeuren, zegt zijn weduwe stellig: hoe kan een patiënt zelf bepalen dat hij beter is? ‘Het is niet zomaar een bedrijf waar hij werkte, het is een bedrijf waar patiënten zoals hij worden behandeld. De ernst van zijn situatie was bekend. Maar niemand die vragen stelde, niemand die ingreep. Allemaal professionals om hem heen en hij is niet in bescherming genomen.’

 In een In Memoriam in het personeelsblad stond het als volgt: ‘Het is nauwelijks te bevatten dat een collega werkzaam als hulpverlener en met zoveel collega hulpverleners om zich heen een fataal besluit nam zonder eerst te kunnen delen in zijn hopeloosheid: dat brengt vanzelfsprekend zeer gemengde gevoelens met zich mee.’

 Wie beroepshalve alle signalen van psychische nood behoort te kennen, wordt geacht problemen bij zichzelf of naasten te zien aankomen maar dat gebeurt vaak juist niet, zegt klinisch psycholoog Huub Buijssen. Het is dé valkuil voor personeel in de geestelijke gezondheidszorg, meent hij. ‘Hulpverleners hebben een gezond wantrouwen tegen andere hulpverleners maar in tijden van nood breekt dat ze op. Hun omgeving denkt vaak: ze zeggen het wel als er iets is.’

 Buijssen trainde tal van ggz-instellingen de afgelopen jaren hoe met werkgerelateerde traumatische ervaringen om te gaan maar erkent dat het tijdig signaleren van psychische problematiek bij leidinggevenden een heikel punt blijft. ‘Wie spreekt hen aan als het fout dreigt te gaan?’

 Het is een groot probleem dat psychiaters bij zichzelf en hun naasten niet in staat zijn om psychische aandoeningen te diagnosticeren, zegt psychiater Bram Bakker. Van alle artsen scoren psychiaters het hoogst met verbroken relaties, verslavingen en dood door eigen toedoen, schrijft hij in zijn boek Te gek om los te lopen.

 Hij tekent daarin het verhaal op van de psychiater die ten prooi viel aan depressies en psychoses en uiteindelijk zelfmoord pleegde. ‘Collega’s hadden hem gedwongen moeten laten opnemen maar zij beschouwden dat als een te grote krenking.’ Een goede vriend van Bakker was op de crematie en vertelde hem hoe woedend de vader was dat niemand had ingegrepen.

 

Bakker: ‘Ik denk dat collega’s op alle mogelijke manieren duidelijk moeten maken dat ze zich zorgen maken. Maar dat gebeurt te weinig, het geeft blijkbaar toch een ongemakkelijk gevoel.’

 Tineke Haegens wil met het verhaal over haar man die praktijk aan de kaak stellen, zegt ze. Ruim een jaar na zijn dood heeft haar verdriet deels plaats gemaakt voor strijdlust en boosheid over wat hem is overkomen. ‘Voor de rest van mijn leven heb ik een knoop in mijn ziel. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’

 Ze citeert een fragment uit het dagboek van haar man, geschreven op de eerste dag van zijn opname: ‘De gekte heeft toegeslagen. Ik heb er geen tegenspel aan kunnen bieden. Het mag toch niet zo zijn dat alle hulp voor niets is geweest.’  

 ‘Wij zijn vogelvrij’, zei een van zijn collega’s haar na de begrafenis. Wie in de psychiatrie werkt en psychisch ziek wordt, bedoelde hij, komt aan alle kanten klem te zitten. En veel managers schieten tekort in aandacht en zorg voor het eigen personeel.

 Het verhaal van Martien Haegens staat niet op zichzelf. In de zomer van 2005 vonden in de regio Nijmegen twee vergelijkbare zelfdodingen plaats, weet zijn weduwe. Ook een directe collega van haar man en een sociotherapeut op de psychiatrische afdeling van een naburig ziekenhuis beroofden zichzelf van het leven.

 

 In het schrift achter de glazen grafsteen getuigen de volgeschreven bladzijden van de enorme waardering voor de man die zo velen jarenlang tot steun was. Martien Haegens was 28 toen hij als sociaal psychiatrisch verpleegkundige werd benoemd tot hoofd van de nog op te richten crisisdienst. Heel lang ging het heel goed, zegt zijn vrouw, maar gaandeweg werd duidelijk dat hij anderen weliswaar bij hun moeilijkheden kon helpen maar dat hij zijn eigen forse psychiatrische problematiek niet de baas kon. Hij werd depressief, begon te drinken. Hij bezocht na aandringen van zijn vrouw een lange rij therapeuten door het hele land; in het verborgene want met het stigma van psychiatrisch patiënt had hij in zijn zware baan niet meer kunnen functioneren. Zijn vrouw: ‘Als ik voor hem de huisarts belde, zei die dat ik de crisisdienst moest inschakelen. Maar dat kon niet, dat waren zijn eigen collega’s. Zelfs in andere regio’s kenden ze hem allemaal.’

 Ruim twee jaar voor zijn dood kwam hij op zijn werk in conflict met de leiding over de vergoeding voor zijn bereikbaarheid als rampen- en calamiteitencoördinator. Na jaren van tomeloze en deels onbezoldigde inzet voelde hij zich geschoffeerd, zegt zijn vrouw. ‘Emotioneel heeft dat hem enorm veel schade gedaan.’ De depressie verergerde, de foto’s van toen die ze toch in een album heeft geplakt, bieden een mistroostig beeld.

 Ooit was hij op en top sportman, in het bezit van de zwarte band judo, maar gaandeweg begon hij ongelukken te krijgen die steeds ernstiger werden. Toen hij in de zomer van 2004 van zijn fiets viel en zijn kaak brak, besloot hij in een ultieme poging het tij te keren tot opname op een gesloten afdeling.

 Zijn vrouw waarschuwde de psychiater dat haar man ‘alle ins en outs van de hulpverlening kende’, dat hij een ontwijkende kant had en zijn ziekte trachtte te bagatelliseren. Maar al na een paar gezamenlijke gesprekken, zegt ze, werd ze buitengesloten. Zijn ontslag, in september 2004, kwam als een volslagen verrassing. Hij ging als vanouds weer aan de slag en stopte een paar maanden later op eigen houtje met de antidepressiva. Tegen zijn leidinggevende zei hij dat de arbo-arts hem had beter gemeld. Die had hij echter nooit bezocht.

 ‘Geen hulpverlener meer maar lotgenoot en medepatiënt’, schreef hij in zijn dagboek tijdens de opname. Ze zegt: ‘Hij wist door zijn werk zó goed wat er allemaal fout kon gaan, dat was zijn tragiek.’ Twee keer ging ze langs op zijn werk om haar zorgen te uiten. Tevergeefs. Ze zag hem bergafwaarts gaan: hij begon weer te drinken, kreeg schulden, hun huwelijk wankelde. ‘Toen hij steeds zieker werd en ik hem niet meer kon beschermen dacht ik: hij loopt ergens vast en dan neemt iemand anders het over. Maar dat bleek ijdele hoop.’

 Na lang aandringen heeft ziekenhuis Rijnstate haar twee maanden geleden ingelicht over de diagnose van haar man. Toen had ze eindelijk op papier dat hij ‘ernstig psychisch belast’ was. Het ziekenhuis, zegt ze, kon alleen zijn depressie en zijn burn-out behandelen, voor zijn andere problemen, waaronder zijn verslaving, moest hij na zijn ontslag zelf hulp zoeken. Maar hij was veel te ver heen om nog voor zichzelf op te komen, zegt zijn vrouw.

 Die gefragmenteerde zorg heeft een succesvolle behandeling bij voorbaat kansloos gemaakt, zegt ze. Ze vindt dat hulpverleners zich met veel meer vasthoudendheid en bemoeizorg in gespecialiseerde teams moeten bezighouden met ‘hopeloze gevallen’. Dat juist haar man, die zich zijn hele leven inzette voor de psychisch kwetsbaren, zelf niet in bescherming werd genomen toen hij ziek raakte, noemt ze ‘onverteerbaar’.

 Sinds zijn dood probeert ze te achterhalen waarom niemand ingreep, daarbij gesteund door een van zijn voormalige patiënten, die een goede vriend is geworden. Ze sprak met de Inspectie voor de Gezondheidszorg, ging langs bij de psychiater die haar man op de gesloten afdeling behandelde, ze zocht contact met de arbo-arts, maakte een afspraak met zijn leidinggevenden.

 Tientallen vragen zette ze op papier: Wist zijn leidinggevende dat haar man helemaal niet bij de arbodienst was geweest? Had de psychiater zich tijdens de behandeling van een collega onafhankelijk genoeg opgesteld? Hadden ze hem voldoende gewaarschuwd toen hij rigoureus stopte met de medicatie? Had zijn werkgever niet veel alerter moeten zijn en moeten aandringen op een verantwoorde reïntegratie op het werk?

 Naaste collega’s bleken duidelijk te hebben gemerkt dat het niet goed met hem ging. Hun twijfels hadden ze bij de leiding aangekaart. Maar overal liep Tineke Haegens tegen hetzelfde argument op: dat haar man deed wat hij wilde. Dat ze waren afgegaan op wat hij zei en hij zei dat het goed ging. Het maakt haar boos: ‘Ze verschuilen zich achter hem. Maar hij was ernstig ziek. En niemand die daar doorheen prikte.’

 Het was wrang genoeg haar man, herinnert Tineke Haegens zich, die ruim tien jaar geleden de nazorg opzette voor personeel van de spoorwegen dat een ernstig ongeval had meegemaakt. ‘Maar op hem heeft niemand gepast. Ze dachten: hij past wel op zichzelf.’

Praten of zwijgen? Psychologie Magazine nr 1 januari 2001

De psychotherapeuten G. van Vugt en T. Besems zijn van mening dat het niet nodig, nee zelfs schadelijk is om mensen na een ramp te laten praten, omdat volgens hen uit neurologisch onderzoek blijkt dat het trauma dan juist in de hersenen ‘brandt’ Het Instituut voor Psychotrauma vindt deze opvatting ‘absolute flauwekul’ en stelt dat mensen juist grote behoefte hebben om te praten. Wie heeft er nu gelijk? Ik denk beiden. Het psychotrauma heeft – hoe wonderbaarlijk ook – het herstel zelf ingebouwd.

De twee hoofdverschijnselen van het psychotrauma zijn: veelvuldige herbeleving en ontkenning. Het wezen van psychotrauma is de strijd tussen deze twee krachten. De sleutel tot verwerking is deze beide afwisselend aan bod te laten komen. Verwerking stagneert als een van beide de overhand krijgt. De kunst is om – en dat gebeurt bij de meeste vanzelf! – herbeleving een kans te geven tot het moment dat het zeer gaat doen, om daarna via afleidende bezigheden en andere vormen van bewust of onbewuste verdringing weer tijd te vinden om de accu op te laden. Totdat men weer in staat is een volgende confrontatie aan te gaan. Hoeveel confrontatie iemand aankan, verschilt per individu. Aan het verwerken van een psychotrauma hoeft doorgans geen psycholoog te pas te komen. Sterker nog: als een professionele hulpverlener die zweert bij praten er zich meteen mee gaat bemoeien, is de kans juist groter dat het misgaat. Als hij het slachtoffer heviger en langer met de gebeurtenis confronteert dan het aankan, doet hulpverlening meer kwaad dan goed. Het trauma brandt in. Kortom, de juiste balans vinden tussen praten en zwijgen, daar komt het op aan. Zowel voor het slachtoffer als voor degene die wel helpen.

Machinisten gebaat bij bescheiden opvang Utrechts Nieuwsblad, 18 januari 2000

Door Dylan de Gruijl
Tilburg/Utrecht

Traumadeskundige Huub Buijssen wil snel een wijdverbreid misverstand uit de weg ruimen: geestelijke bijstand aan iemand die in een shock verkeert, werkt averechts.

Laat een machinist die net een zelfmoordgeval voor zijn trein heeft gehad dus vooral even met rust, adviseert hij. ,,Anders verleng je de post-traumatische periode.”

Buijssen verbaast zich over de Hengelose ex-machinist die de Nederlandse Spoorwegen aansprakelijk stelt voor zijn psychisch trauma. De man kreeg tussen 1978 en 2000 negen zelfmoordgevallen onder zijn trein, maar kreeg geen enkele hulp van zijn voormalige werkgever. Hij is nu arbeidsongeschikt.

De rechtszaak is een opmerkelijke stap, vindt Buijssen. ,,Misschien denkt die man: als ik direct hulp had gekregen was het nu niet zo slecht met me gegaan. Maar dat is dus een misvatting. Goede opvang is bescheiden opvang.”

Jaarlijks springen ongeveer tweehonderd mensen voor de trein. Dat aantal is al tijden stabiel, aldus de Nederlandse Spoorwegen. Ook de locaties zijn veelal dezelfde: bij psychiatrische inrichtingen.

Het aantal machinisten dat kampt met psychische klachten is niet bekend. Hoeveel collega’s bijvoorbeeld bij Vangrail, een gespreksgroep van NS-collega’s, hulp zoeken is ook onbekend. Hangende de rechtszaak doen de NS geen mededelingen.

Maar machinisten weten dat de negen zelfmoordgevallen die de Hengeloër voor zijn trein heeft gekregen, geen uitzondering is. Sommigen hebben twintig kruisjes achter hun naam, of nog een paar meer. Buijssen: ,,De meeste mensen worden weerbaarder van tegenslagen. Ze krijgen een dikkere huid. Anderen worden kwetsbaarder voor toekomstige tegenslagen.”

Zoiets is pas na verloop van tijd merkbaar. Direct na een traumatische ervaring is het slachtoffer nog verdoofd, leeft in een realiteit die onwerkelijk is. ,,Je zag het vlak na de ramp met het WTC. Mensen liepen verdwaasd rond. Het beste is praktische hulp bieden. En vooral niet teveel vragen.”

,,Vergelijk die toestand met een blaar. Daar moet je ook niet in wroeten, anders komen er bacteriën in. Zo werkt het ook bij een trauma. Niet in gaan wroeten door meteen een gesprek willen. Dan ga je door die natuurlijke barrière en verleng je de post-traumatische periode.”

Bij de meesten duurt die periode twee maanden. Daarna krabbelen ze weer uit de depressie of post-traumatische periode. Toch zal de wond nooit echt genezen, waarschuwt de traumadeskundige. ,,Veel mensen weten het niet, maar een depressie is een chronische ziekte. Heb je die een keer gehad, dan kan die altijd terugkeren.”

Bij tachtig tot negentig procent van de slachtoffers blijft een depressie een zeldzaamheid. Zij worden weerbaarder, zoals het merendeel van de machinisten die een zelfmoordgeval hebben meegemaakt. Voor de Hengelose ex-machinist geldt het tegendeel, vreest hij. ,,Sommige mensen herstellen nooit helemaal en blijven elke nieuwe dag als een last ervaren.”

 

Hoe de dood van je partner te verwerken Opzij april 2002

 

Door Anke Manschot

En altijd is het zo geweest dat de liefde haar eigen diepte niet kent dan op het uur van de scheiding. Deze in overlijdensannonces veelgeciteerde spreuk staat ook op de website van ,,Jong je partner verloren”, een lotgenotengroep op internet.

Michèle Busselaar (32), IT-consultant, surft af en toe naar deze site als ze het in de late avonduren weer eens flink te kwaad heeft. Het biedt troost om dan te ervaren dat zij niet de enige is die op zo jonge leeftijd al haar partner verloor. 29 april 2001 overleed haar man Louk, haar grote liefde. Hij had lymfeklierkanker. ‘Het is een leeftijd waarop je met de opbouw van je leven bezig bent en dan komt de dood echt als een schok.’ Waarom moest hij dood, heeft ze zich vaak afgevraagd. Zijn taak in het leven was klaar, luidt het enige antwoord waarmee ze enigszins vrede kan hebben.

Goed dat jullie nog geen kinderen hadden, zeggen mensen soms. Een zin die veel pijn doet. Want de enige echte dip in hun bijna twaalf jaar durende relatie hadden ze in 1997 omdat Louk graag een kind wilde en zij daar op dat moment nog niet aan toe was. Twee jaar later wilde ze wel moeder worden, maar vrij snel daarna bleek haar man een ernstige ziekte te hebben. ‘Dat ik geen kind heb, is een feit, geen keuze.’

Ze kan ook niet tegen de veelgebezigde opmerking: de dood van een kind is erger dan de dood van een partner. ‘Mensen weten niet wat ze zeggen, hoe loos die woorden overkomen als je net je grote liefde verloren hebt.’

Vasalis dichtte het al: zoveel soorten van verdriet, ik noem ze niet.

Voor jong en oud is de dood van een partner een van de meest stressvolle situaties in het leven. Voor driekwart van de mensen het ergst wat ze ooit zullen meemaken.

Klinisch psycholoog NIP en psychogerontoloog Huub Buijssen, auteur van Verstoorde rouw bij ouderen, verdiepte zich in de verschillen tussen op jonge of oude leeftijd je geliefde verliezen. ‘Je kunt in het algemeen zeggen dat dit verlies voor ouderen iets minder hard aankomt. Ouderen anticiperen veel meer dan jongeren op de dood. Ze lezen vaker overlijdensadvertenties, ze hebben niet zelden al over de begrafenis van hun geliefde gefantaseerd en spreken op oudejaarsavond de wens uit: hopelijk blijven we in het nieuwe jaar bij elkaar.’ Niet toevallig dus dat bij ouderen een plotseling overlijden een minder grote impact heeft dan bij jongeren.

Mogelijk omdat de omgeving vindt dat de dood hoort bij het ouder worden, heeft ze minder oog voor de pijn van de oudere nabestaande. Daarentegen is de veerkracht van oudere weduwen en weduwnaars, in het Engels ,,forgotten grievers” genoemd, om verlies op te vangen weer minder groot dan bij jongeren. Bovendien blijkt de omgeving minder oog te hebben voor de pijn van de oudere nabestaande. ‘Je man heeft een mooie leeftijd bereikt’ of ‘wees blij dat jullie zo lang bij elkaar mochten zijn’ zijn dooddoeners die het verdriet van de overgeblevene negeren. ‘De eerste vraag die men vaak stelt, is: ‘Hoe oud was hij?’ alsof de leeftijd een excuus is voor het verdriet,’ schrijft klinisch psycholoog Manu Keirse in Helpen bij verlies en verdriet. Terwijl steun en erkenning van het leed enorm belangrijk zijn voor een goede verliesverwerking, zeggen hulpverleners unaniem. Ook hier zijn ouderen nog meer in het nadeel: hun netwerk is door de dood van familie en vrienden vaak uitgedund. Bovendien is voor jongeren de kans om een nieuwe partner te vinden beduidend groter. Voor de oudere weduwe gloort er wat dit betreft de minste hoop. ‘Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,’ dichtte Rilke op jongere leeftijd al somber. ‘Veel oudere weduwen willen ook geen nieuwe partner meer. Ze willen niet voor de tweede keer een slopend ziekbed of dementie van hun man meemaken,’ hoort Buijssen vaak van hen.

In de jaren zeventig werkten therapeuten met de vijf stadia van verlies van de Zwitserse psychiater Elisabeth Kübler Ross: ontkenning, woede, schuldgevoel, depressie en acceptatie. Tegenwoordig spreken hulpverleners van ‘rouwtaken’, een term die de Amerikaanse psychotherapeut William Worden in 1992 introceerde in zijn boek Verdriet en rouw. Een gids voor hulpverleners en therapeuten.

Tot die vier taken behoren: Het echt tot je door laten dringen dat iemand overleden is. ‘In het begin wilde ik er niet aan dat Louk nooit meer zou terugkomen,’ vertelt Michèle Busselaar. ‘Het voelde alsof hij op cursus in het buitenland was. Het is net of je geest je wil beschermen tegen de gruwelijke waarheid. Die dringt pas langzamerhand tot je door.’

De andere drie rouwtaken: niet weglopen voor het verdriet, maar het intens voelen, hoe zeer dat ook doet. Het aanpassen aan een leven zonder de overledene. Het verlies een plaats in je bestaan geven, niet te groot en niet te klein.

‘Rouwen is topsport,’ zegt Huub Buijssen. ‘Het kost ook lichamelijk veel energie.’

Uit een in 1989 gehouden onderzoek aan de Universiteit van Nijmegen onder 130 vrouwen die drie tot vijf jaar daarvoor hun partner hadden verloren, blijkt dat meer dan een kwart van hen helemaal hersteld was. Een kwart was er nog steeds heel slecht aan toe, voelde zich erg eenzaam en had last van depressieve buien. Met de rest ging het ‘redelijk goed’, al voelde deze groep zich wel een ‘beetje eenzaam’ en werd de partner wel degelijk nog flink gemist.

Verlieskunde en verliesverwerking zijn sinds de jaren negentig specialisaties in de hulpverlening. In 1996 werd aan de Universiteit van Utrecht de eerste hoogleraar verliesverwerking aangesteld.

Psycho-sociaal therapeute Ans Hijman opende een jaar later in diezelfde stad de praktijk Verlieskunde. Meer vrouwen dan mannen schakelen haar hulp in na de dood van hun partner. De meesten komen driekwart tot een jaar na de begrafenis. ‘Ze voelen dat ze op eigen kracht niet verder komen. Ze zijn ook vaak bang dat ze hun omgeving tot last zijn. Ze hebben dan de neiging zich te isoleren, waardoor ze zich nog eenzamer voelen. Hoe intenser de relatie, hoe dieper de rouw,’ weet Hijman.

Voor veel van haar cliënten geldt dat ze in hun jeugd niet mochten voelen wat ze voelden. ‘Wanneer je als kind niet gerespecteerd bent in je gevoelens, niet geleerd hebt je verdriet te uiten, heb je een grotere kans dat je later bij een groot verlies vastloopt.’ Een belangrijk onderdeel van haar therapie: aandacht besteden aan oud verdriet en oud verlies. Pas dan komt er ruimte voor het verwerken van het huidige drama in hun leven. En ook dan blijken haar cliënten vaak te kampen met ‘onaffe zaken’. Hijman hoort geregeld: ik heb mijn man niet vaak genoeg gezegd dat ik van hem hield of hem niet genoeg bedankt voor wat hij allemaal voor me deed. ‘Rituelen helpen als iets niet klaar is. Je kunt bijvoorbeeld een brief aan de dode schrijven waarin je hem alsnog bedankt voor alles en waarin je hem je liefde betuigt.’

Verlieskundige Nelleke Wijnhof, sinds negen jaar coördinator van het Steunpunt Rouw en Verliesbegeleiding in Soest, begeleidt rouwverwerkingsgroepen. In het begin domineerden vrouwen deze groepen, tegenwoordig melden mannen zich evenveel als vrouwen aan. De meesten kloppen hier een tot drie jaar na het overlijden van hun partner aan. ‘Ze komen vooral om lotgenoten te ontmoeten. Ze zoeken ook bevestiging dat ze niet gek zijn, bijvoorbeeld als ze jaloers zijn op elk stel dat ze op straat tegenkomen. Veel rouwenden kampen met emoties die ze niet van zichzelf kennen. Niet zelden zijn ze boos op alles en iedereen: op artsen die het in hun ogen niet goed hebben gedaan, op de schoonfamilie die te weinig van zich laat horen, op een vriend of vriendin die hen lelijk in de steek heeft gelaten.’ Ze kunnen ook boos zijn op de overledene zelf omdat die een ongeluk veroorzaakte door roekeloos rijgedrag of longkanker kreeg vanwege een rookverslaving. ‘Boosheid hoort bij het rouwproces. Net zoals concentratieverlies, stemmingsstoornissen, slaapproblemen, verminderde of vermeerderde eetlust en energieverlies.’

In de rouwverwerkingsgroepen in Soest zitten mensen die getrouwd waren, samenwoonden of een LAT-relatie hadden, met of zonder kinderen, hetero of homo. ‘Homo’s en lesbiennes hebben dezelfde rouwtaken als hetero’s. Het gaat in alle gevallen om het verlies van een mens, iemand voor wie jij nummer een was.’ Nu homoseksualiteit meer geaccepteerd is, vallen homoseksuele en lesbische nabestaanden minder vaak onder de categorie ‘niet erkende rouw’. ‘Integendeel, ze hebben vaak een goed netwerk opgebouwd dat erg met hen meeleeft.’ Vrijwel alle leden in deze rouwverwerkingsgroepen hebben veel van hun partner gehouden. ‘Mensen die een ambivalente relatie met de overledene hadden, kiezen eerder voor een individuele therapie bij ons.’ Hetzelfde geldt voor de overgeblevenen na een buitenechtelijke relatie. ‘Het taboe om dit verdriet in een groep te delen is te groot.’

Heeft een kinderloze nabestaande het moeilijker of gemakkelijker? ‘De meeste mensen met kinderen zeggen; als ik geen kinderen zou hebben gehad, had ik het niet overleefd. De kinderen hebben me erdoor heen gesleept. Maar kinderloze nabestaanden zeggen op hun beurt tegen groepsleden met kinderen: als ik hoor hoeveel verdriet jullie kinderen hebben en hoeveel zorg ze behoeven, ben ik blij dat ik ze niet heb.’

De meeste rouwverwerkingsgroepen in Soest mondden uit in vriendenkringen. ‘Een groep heeft zelfs oud en nieuw met elkaar gevierd.’

Orthopedagogisch therapeute Carine Kappeijne van de Coppello begeleidt samen met Sineke Janssen rouwverwerkingsgroepen van mannen en vrouwen die alleen overblijven met thuiswonende kinderen. In het najaar gaat er weer zo’n groep van start.

‘Deze mensen horen vaak: je hebt toch nog prachtige kinderen om je heen. Maar kinderen zijn niet de remedie voor het verdriet, voor de eenzaamheid, voor het lichamelijk en geestelijk missen van de partner.’

Mensen kiezen niet zelden voor deze groep omdat ze hun kinderen beter willen begeleiden. ‘Wij stellen allereerst hun eigen welzijn centraal: want het welzijn van de kinderen is direct verbonden met dat van de overgebleven ouder.’

Door de dood van een vader of moeder van een jong gezin staat het hele leven op z’n kop. ‘Niks blijft hetzelfde. Met de dood van hun partner verliezen ze ook hun oppasser, klusjesman, klaagmuur, tuinman, boekhouder, kok, etcera. En niet te vergeten: de mede-opvoeder van de kinderen. Wij zeggen altijd: je kunt geen vader en moeder tegelijk zijn.’

Weduwnaars met jonge kinderen blijken zich na het overlijden van hun vrouw meer met de praktische reorganisatie van de huishouding bezig te houden, waardoor ze te maken kunnen krijgen met uitgestelde rouw. Weduwen in diezelfde situatie kunnen door het verdriet zo overspoeld worden dat er weer minder energie voor het regelen van alle praktische beslommeringen overblijft.

Het omgaan met het verdriet van de kinderen is een vast onderdeel in deze groepen. ‘Vooral mannen zeggen nogal eens: de kinderen praten er niet over. Dan blijkt meestal dat er ze zelf niet over praten.’ Kinderen hebben zondermeer de neiging hun overgebleven ouder te beschermen. ‘Ze zullen niet gauw hun verdriet uiten als ze weten dat mama dan gaat huilen.’ Kappeyne adviseert groepsleden om met hun jonge kinderen tekeningen te maken over hun verdriet, of met hen een boekje te lezen over de dood, bijvoorbeeld De kikker en het vogeltje van Max Velthuis.

Net zoals in andere rouwverwerkingsgroepen komt ook hier de overleden partner ruimschoots aan bod. Alle goede eigenschappen, maar ook dingen die je minder mist. ‘Een jonge vrouw zei eens: zelfs zijn eigenschappen waaraan ik een hekel had, mis ik nu.’ En ook hier wisselen de deelnemers veel onderlinge tips uit of steunen ze elkaar met praktische zaken.

Maatschappelijk werkster Anne-Marie Vermaat, auteur van Lieverd, ik mis je zo, heeft samen met haar partner Wijnand de Boer bureau Nazorg opgezet voor rouwverwerking en verliescommunicatie. Ze houdt zich veel bezig met de relatie rouwen en werk. 24 procent van de werknemers die een partner verliezen, meldt zich een tot drie maanden ziek, 10 procent blijft langer weg. Deze percentages liggen dicht bij die van werknemers die een kind verloren. ‘Rouw is geen ziekte, maar je kunt er wel goed ziek van worden.’ Vermaat geeft vaak in opdracht van bedrijven verliescoaching aan rouwende werknemers. Daarnaast traint ze leidinggevenden in verliescommunicatie. ‘Niet zelden zegt een chef tegen iemand die na de begrafenis weer met bloedend hart aan het werk gaat: “Maria, we hebben je zo gemist. Fijn dat je weer aan de slag gaat. Er ligt al flink wat werk op je bureau.” Terwijl je zo iemand juist minder zou moeten belasten of misschien zelfs tijdelijk een andere functie zou moeten geven.’ Een anesthesiste die ze coachde koos er zelf voor om na de dood van haar man een tijdlang op de poli eenvoudiger werk te doen. Gelukkig ontmoet Vermaat ook steeds meer werkgevers die openstaan voor de impact van privéverlies op mens en organisatie.

Anne-Marie Vermaat en haar partner zijn ook de bedenkers en ontwerpers van de verliesspeld. De sierlijke ronde broche waaruit heel symbolisch een wig is gehaald, is een hedendaagse vervanger voor de ouderwetse zwarte rouwband. ‘Onlangs ontmoette ik een hoofd personeelszaken die hem droeg. Niet omdat hij zelf een groot verlies had geleden, maar omdat hij wilde uitstralen: ik sta open voor werknemers in de rouw…’

Literatuur:

Manu Kierse. Helpen bij verliet en verdriet. Een gids voor het gezin en de hulpverlener. Uitgeverij Lannoo.
Huub Buijssen. Verstoorde rouw bij ouderen. Signalering en hulpverlening. HB Uitgevers, Baarn
Ans Hijman. Praktijk Verlieskunde. tel. 030-2615851
Landelijke Stichting Rouwbegeleiding. tel. 030-2761500 (9.00-13.00 uur) www.verliesverwerking.nl
Steunpunt Rouw en Verliesbegeleiding in Soest. tel. 035-6022122
Website lotgenotengroep ,,Jong je partner verloren” www.rouwverwerking.pagina.nl 
Anne-Marie Vermaat. Bureau Nazorg. tel. 015-3694457 of www.verliescommunicatie.nl  
Lieverd, ik mis je zo is samen met de verliesspeld te bestellen door overmaking van 15 € op gironummer 6159800 tnv. vermaat & boer.
Inl. rouwverwerkingsgroepen voor mensen met thuiswonende kinderen. Sineke Janssen. 020-4713308 op werkdagen tussen 9.30-10.30

 

 

Een goede relatie is te voorspellen De Telegraaf 16 februari 2009

 

Jolanda Jansen

TILBURG – Vlinders in de buik gekregen op Valentijnsdag? Maar hoe weet je nou of hij de ware is? Volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen uit Tilburg zijn er acht punten aan de hand waarvan je kan voorspellen of de relatie een lang leven is beschoren.

„Het klinkt allemaal heel logisch, en het is ook allemaal bekend, maar ze zijn nog niet eerder op een rijtje gezet”, zegt Buijssen. Hij waarschuwt: „Geen enkele relatie zal op alle acht hoog scoren. En ook al scoor je hoog, je moet er nog steeds wat voor doen. Liefde is een werkwoord. En als je op alle acht negatief scoort, kan je nog steeds een goede relatie hebben. Maar de kans is een stuk kleiner.”

Op nummer één zet hij levenslust. „Heeft hij genoeg aan zichzelf en is hij met zichzelf gelukkig? Gaat hij ergens voor?” verklaart Buijssen. „Als de kachel van de ander brandt, kun je je hieraan warmen. Als er maar een zacht vlammetje in brandt, dan zal je er op dagen dat je het koud hebt weinig warmte van mogen verwachten. Als je partner levenslust heeft, slaat dat op je over, net zoals je somber wordt als híj somber is.

Als tweede is het van belang hoe gelukkig het huwelijk van de ouders van je toekomstige partner was. „Als je partner van hen heeft geleerd hoe hij iemand kan steunen, problemen kan oplossen en liefhebben, is hij beter voorbereid. Als hij geborgenheid, veiligheid en liefde heeft gehad, kan hij dat later zelf ook beter geven”, aldus Buijssen.

Ten derde moet je kijken naar hoeveel je toekomstige partner van zijn eigen ouders hield, en dan met name die van het andere geslacht. Buijssen: „Hoeveel hield het vriendje dat je op het oog hebt van zijn moeder? Dat draagt hij over op zijn relatie met jou. Als dat botste en knetterde, is de kans dat hij dat met jou herhaalt, groot.”

Ten vierde: kan je letterlijk en figuurlijk naar hem opkijken? „Vrouwen vinden het prettig als hij groter is en als ze trots op hem kunnen zijn. Een opleiding of carrière op minimaal hetzelfde niveau, die van hem liefst iets beter. Mannen hebben graag dat een vrouw hen bewondert en hij houdt van applaus. Als de vrouw heel succesvol is, is het vaak moeilijk de relatie in stand te houden”, aldus Buijssen. ‘De kans dat Jan Smit en zijn eveneens succesvolle Yolanthe uit elkaar gaan is, daarom veel groter dan dat Frans Bauer en zijn vrouw Mariskan gaan scheiden.’

Daarop sluit vijf aan: dat je ongeveer dezelfde culturele achtergrond hebt. Buijssen: „Generatie op generatie worden normen en waarden overgedragen.”

Ten zesde is het belangrijk of jullie qua karakter op elkaar lijken. „Vooral op het gebied van open staan voor ervaringen, zorgvuldigheid en geweten, vriendelijkheid en verdraagzaamheid”, aldus Buijssen. „Gelukkige stellen gaat trouwens ook écht op elkaar lijken, qua gezicht. Ze krijgen dezelfde mimiek en op den duur ook dezelfde lijnen in het gezicht.”

Als nummer zeven noemt Buijssen gedeelde interesses: „Je hoeft niet steeds hetzelfde te willen, maar er moeten raakvlakken zijn die beide boeien en bezig houden. Als je geen gemeenschappelijke gespreksstof hebt, droogt het op.”

En tot slot staat de mate waarin de toekomstige partner psychisch gezond is. Buijssen: „Een op de drie mensen heeft een psychische aandoening, van een onschuldige angst voor de lift tot een drankprobleem. Met lichte gevallen valt te leven, maar de zwaardere leiden vaak tot een onevenwichtige, moeilijke relatie.’ Buijssen voegt er nog aan toe dat het so wie so erg belangrijk is dat je partner (en ook jijzelf) ook al gelukkig waren voordat deze trouwde. Ïk ken een Duits boek dat heet: “Wees gelukkig en het maakt niet uit met wie je trouwt.” Dit is meer dan waar.’

 

 

Betrokkenheid geeft geluksgevoel De Telegraaf 10-1 2005

 

 

Psycholoog Huub Buijssen vertelt dat de televisiebeelden iets hebben losgemaakt bij mensen die als helpers naar het rampgebied trekken: het begint allemaal met hevige emoties als ze de indringende beelden op tv zien: afschuw, ontzetting, medeleven.

Ze verplaatsen zich in de slachtoffers: hou zou ik me voelen als ik plotseling van mijn kinderen was beroofd, of mijn ouders broers en zussen had verloren, of mijn huis? Dan gaat het stemmetje klinken: ik moet iets doen. Net als bij aankomende priesters of zusters is het een roeping. Ze zijn bewogen, er is iets in beweging gebracht. De helpers worden zelden door hetzelfde motief gestuurd. De een wil helpen om zin en betekenis aan zijn leven te geven. Anderen willen ontsnappen aan de saaiheid en sleur van hun bestaan. Op naar zo`n ontreddend gebied, op avontuur en nieuwe mensen ontmoeten. Nog een beweegreden: opgenomen worden in een groter geheel. De tsunami was wereldnieuws. Later kunnen de helpers dan zeggen dat ze er middenin stonden. De betekenis, de glans van de grote ramp straalt op hen af: ik help hier. Een andere drijfveer is dat we ons herkennen in de slachtoffers. Ook wij kunnen slachtoffer worden van een overstroming, een oorkaan, een aardbeving. De kracht van de natuur is groot, wij zijn nietige wezens en moeten elkaar helpen. Betrokken geeft bovendien een geluksgevoel. Je doet het deels ook voor jezelf, je helpt jezelf als je geëngageerd bent.

Uit onderzoek blijkt dat helpers na afloop altijd terugblikken op een soort wittebroodsweken. Ondanks alle ellende zien ze het als een mooie tijd. Het heeft meer geluk dan een supervakantie.