‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’ Eindhovens Dagblad 20 -3 1999

Als je beroep een nachtmerrie wordt. Daarover spreken verpleegkundigen in twee boeken die volgende week verschijnen. Ze vertellen over hun traumatische ervaringen met dood en agressie. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’.

Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’. Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkt nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar:

‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. ‘Rustig aan, kalm blijven’, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos.’ ‘Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, ligt ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar één gedachte: ‘weg van hier, naar huis’. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik wil niet met hen praten. Ik schaam me te erg.’ ‘Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weet dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is één van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken Geraakt (psychiatrie) en Geschokt (algemene gezondheidszorg) van de klinisch psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. ‘Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen. Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of de zelfmoord van een patiënt: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt’, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging.

Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er -’s nachts letterlijk en figuurlijk alleen voor staat. Ze voelen zich onveilig. Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

CECIEL HEEFT NACHTDIENST: ‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname-afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gil, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.’ Meer dan de helft van de ondervraagden uit de NU’91-enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. ‘Ongelofelijk en onbegrijpelijk’, vindt beleidsmedewerker Bogers van NU’91.

De gezondheidszorg loopt op het gebied van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe een psychiatrisch patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadegeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van getraumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recente studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaar beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen.

Het meest diepgaand onderzoek is een studie uit 1994 van de Utrechtse psycholoog Peter van der Velden en verpleegwetenschapper T. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot dreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de veertien bedraagt. De slachtoffers van geweldsdelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide-incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘ZIJN ZE AL AFGELEGD?’ Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer: ‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (…) de spanning loopt bij mij steeds verder op. ‘Doe ik alles wel goed?’ Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’ Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die lieve snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: ‘dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan’. Pieter moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van een deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijdens de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd?’, vraagt de ochtenddienst. ‘Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: ‘O, dat is misschien wel wat zwaar geweest’. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim, een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

HOEVEEL VERPLEEGKUNDIGEN hun beroep vaarwel zeggen ten gevolge van een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna een op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: ‘De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.’

Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams en tijdige signalering en goede begeleiding van verpleegkundigen, en in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek Geen tijd om aardig te zijn, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben besefd, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden ze verdrongen had. Buis: ‘Omdat ik als verpleeghulp vaak geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.’

‘Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.’

Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50; Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00. Beide boeken verschijnen 25 maart.

 

‘Wie zorgt voor het zorgpersoneel?’ Metro dinsdag 16 oktober 2001

Verpleegkundigen komen, vaker dan de gemiddelde mens, in aanraking met een opeenstapeling van indringende gebeurtenissen, blijkt uit een evaluatie van de Arbowet (Soethout en Sloep, 2000). Zij worden bijna dagelijks geconfronteerd met het hele scala aan intense menselijke gedragingen: verlies, dood en verdriet.

In veel gevallen blijkt pas later de impact van zo’n gebeurtenis. Vaak als het al te laat is en fysieke klachten zich openbaren als gevolg van niet goed verwerkte psychische ervaringen. Goede opvang is daarom belangrijk. Opvang van collega’s, die kunnen meevoelen met het verdriet en de pijn. Het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht heeft oog voor haar werkers. In het symposium ‘Flink zijn is link’ werden onlangs de gevaren van het niet goed verwerken belicht. Een van de sprekers was Huub Buijssen, klinisch psycholoog en de Nederlands goeroe van de ‘traumaopvang in de zorg’. Van zijn hand zijn enkele boeken verschenen over dit onderwerp. Een van de belangrijkste aspecten bij een nare ervaring is dat het iemand onverwacht overkomt. “je wordt erdoor overvallen. Daarna blijft de gebeurtenis zich voor je ogen afspelen. Je kunt aan niets anders meer denken. Maar omdat de beelden en gedacht je zo’n ellendig gevoel bezorgen, doe je er juist alles aan om ze te verdringen. Je lichaam en geest bevinden zich in een verhoogde staat van paraatheid, alsof je het ieder moment opnieuw kunt beleven. Ongeveer 1 0p de 10 lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten. Ze hebben er na twee maanden nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer dan vlak na de gebeurtenis. Dan praten we over een posttraumatische stress stoornis. Soms komt de klap of ‘naschok’ van de traumatische gebeurtenis veel later, in uitzonderlijke gevallen pas jaren nadat het incident plaatsvond.”

Risico
Volgens het World Health Report van 1997 is geweld in de afgelopen decennia enorm toegenomen. Uit cijfers blijkt dat vooral verpleegkundigen het meeste risico lopen om slachtoffer te worden van geweld. Van verpleegkundige respondenten van een omvangrijke enquête in Engeland gaf 97 procent te kennen een verpleegkundige te weten die in het afgelopen jaar was aangevallen. Bijna 75 procent gaf aan dat zij met ongewenst seksueel gedrag op het werk te maken hebben gehad. Het is daarom niet vreemd dat verpleegkundigen extra risico lopen op een posttraumatische stress stoornis. Vooral omdat deze groep in het dagelijks werk door de grote werkdruk hun verhaal niet altijd kwijt kan en men er in deze beroepsgroep van uitgaart dat ziekte en dood, verdriet en pij bij het beroep horen. Het idee bestaat dat je niet professioneel bent als je last hebt van de duistere kanten van je vak. Een van de andere sprekers van symposium was Willem van Hoogstraten. Hij werkt bij de Arbo Unie als bedrijfsarts en word regelmatig geconfronteerd et de gevolgen van een posttraumatische stress stoornis(PTSS). “Een tijd naast mij zitten bij het spreekuur voor het Albert Schweitzer ziekenhuis is voldoende om een indruk te krijgen van de narigheid die een medewerken van het ziekenhuis zoal kan overkomen. Om een paar voorbeelden te noemen: agressie van bezoekers of patiënten, ongewenste lichamelijke intimiteiten, vermeende besmetting met hepatitis B of HIV. Het maken van een medische fout, het verzorgen van ernstige zieke mensen, het overlijden van jonge patiënten. Het verwerken van dergelijke incidenten kost tijd en energie een daarmee moet, hoe lastig soms ook, rekening worden gehouden.” De commissie Donner (2000)stelde dat er jaarlijks ongeveer honderduizend arbeidsongeschikten bij komen. Daarvan heeft eenderde een psychische diagnose. Aannemelijk is dat bij de anderen, bijvoorbeeld iemand met rugklachten, ook psychische klachten op de achtergrond meespelen. Een voorzichtige schatting is dat rond de helft van de instroom in de WAO direct of indirect het gevolg is van psychische klachten. Het hoog op de strategische agenda plaatsen is dan ook een voorwaarde om stress en burnout te kunnen voorkomen.” Het Albert Schweitzer ziekenhuis heeft dat ook gedaan. Er is een Project Vangnet opgezet. Tien mensen uit de organisatie werden door Huub Buijssen getraind om hun collega’s als eerst op te vangen. Om hen de ruimte te geven het probleem en het verdriet te verwerken.

‘Angst reden om beroep te verlaten’ Verpleegkunde Nieuws, 4 maart 2004

Verpleegkunde Nieuws, 4 maart 2004

Angst voor de nachtdienst komt vaak voor onder verpleegkundigen, evenals de angst om te reanimeren. Maar ze lopen er niet mee te koop. Gevolg is dat een aantal van hen het vak verlaat. Dat zegt psycholoog Huub Buijssen, bekend van de boeken Geschokt en Geraakt, over traumatische ervaringen van verpleegkundigen.

Buijssen had voor zijn werk contact met vele verpleegkundigen, die hem over hun ervaringen vertelden of schreven. Aan de hand daarvan durft hij te stellen dat onder verpleegkundigen, net als onder politiemensen, brandweerlieden en machinisten, behoorlijk veel angst voorkomt. “Als je ziet wat verpleegkundigen doen, is dat helemaal niet vreemd”, zegt hij. “Zeker niet als je weet dat angst ook onder de rest van de bevolking de meest voorkomende psychische klacht is.”
Omdat verpleegkundigen niet te koop lopen met hun angst, zijn er geen betrouwbare cijfers over. Daarom doet Verpleegkunde Nieuws in samenwerking met de vakbonden CNV Publieke Zaak, de Unie Zorg en Welzijn en NU’91 een lezersonderzoek over het onderwerp via een enquête in dit blad.
Buijssen twijfelt er niet aan dat verpleegkundigen regelmatig bang zijn op hun werk. Angst voor de nacht, agressie en reanimatie, zijn de meest bekende angsten van verpleegkundigen. Maar Buijssen heeft ook gehoord van angst om te injecteren, een dode te vinden of om ernstige fouten te maken.
“Meestal is er geen sprake van een stoornis, maar een redelijk gezonde reactie op een vervelende gebeurtenis. Het is pas een stoornis als de verpleegkundige erdoor belemmerd wordt in het werk. Zulke verpleegkundigen hebben doorgaans een arsenaal aan trucjes om hun angst te verbergen, maar dat houdt een keer op. Het enige wat dan nog kan is een andere, minder confronterende baan zoeken. En dat gebeurt helaas regelmatig.”(ME)

‘Traumatische ervaringen kwellen verpleegkundige’ De Volkskrant, Zaterdag 30 september 1995

Hans van dam

Zorg voor mensen in crisissituaties is even boeiend als riskant. De uitdaging zit in het vinden van een weg uit de crisis, het risico in het maken van verkeerde keuzen of het overvallen worden door onverwachte gebeurtenissen die hulpverleners machteloos of gedesillusioneerd achterlaten. Deze schaduwkanten van de hulpverlening tekenen zich scherp af onder verpleegkundigen en verzorgenden. Hoe ingrijpend onverwachte gebeurtenissen kunnen zijn, blijkt in Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – Als je beroep een nachtmerrie wordt, geschreven door Huub Buijssen, psycholoog en verbonden aan de Rümke Stichting in Den Dolder. Het idee voor dit boekje ontstond in juni 1992, tijdens een wereldcongres over traumatische gebeurtenissen. In de ruim vierhonderd voordrachten tijdens dit congres werd uitvoerig stilgestaan bij traumatische ervaringen van onder anderen brandweerlieden, politiemensen, treinmachinisten, reddingswerkers, militairen, maar niet bij die van verpleegkundigen en verzorgenden. Terwijl de confrontatie met menselijk leed en dood onder die beroepsbeoefenaars toch ook niet gering is, stelt Buijssen terecht vast. Het verzamelen van voorbeelden uit de verpleegkundige praktijk viel niet mee. Angst voor repressie van leidinggevenden en schaamte over eigen emoties bleken de belangrijkste obstakels. Uiteindelijk kon Buijssen toch enkele tot de verbeelding sprekende voorbeelden aanbieden: de onverwachte dood van iemand, een aanranding in de kelder van een verpleeghuis, een zeer gewelddadige aanval van een psychotische patiënt, vier confrontaties met suïcide binnen anderhalf jaar, de geboorte van een kind zonder hoofdje. Bij sommige verpleegkundigen zijn de gevolgen van een ervaring zo ingrijpend dat van een psychotrauma moet worden gesproken, met alle gevolgen op korte en langere termijn van dien. Hoe hard de klap aankomt, is steeds een ingewikkeld samenspel van toevallige omstandigheden, de aard van de gebeurtenissen, iemands persoonlijkheid en de opvang. Helder inventariseert Buijssen kwetsbaarheids- en beschermingsfactoren, afzonderlijk en in hun verbindingen. Vervolgens schetst hij uitvoerig de mogelijkheden voor zelfhulp en opvang. De basis van hulp is de erkenning van psychotraumatische ervaringen – een erkenning die zeker nog geen gemeengoed is. De aanpak verschilt volgens Buijssen in essentie niet van die bij frontsoldaten: veel (laten) praten over het gebeurde en snel het contact herstellen met de eigen mensen, de gevechtsgroep; in de zorgverlening betreft dit de collega’s. De aanpak vraagt een breed gedragen erkenning van de problemen, zowel onder directe collega’s als onder leidinggevenden, en een organisatorische infrastructuur die een adequate opvang mogelijk maakt, met vertrouwelijkheid als hoeksteen. Buijssen verstaat de kunst in kort bestek precies aan te geven hoe problemen kunnen ontstaan en welke verplichtingen een zichzelf respecterende zorginstelling heeft om mogelijkheden van preventie en opvang te realiseren

‘Verpleegkundigen vinden overlijden kind het meest traumatisch’ “De Telegraaf, woensdag 5 mei 1998”

AMSTERDAM – „Handjes en voetjes glijden naar buiten. De baarmoedermond echter klemt als een ijzeren halsband om het hoofd van het kindje en houdt het gevangen. Met man en macht wordt getrokken. Maar het is te laat. Het kindje is dood. De teleurstelling en machteloosheid zijn groot. Vooral bij de arts-assistent. Als naar hem was geluisterd en een keizersnede was uitgevoerd, had het nog geleefd. De artsen verdwijnen. Aan mij de taak alles af te wikkelen en de ouders te troosten…”
Door Denise Hoogland

De ervaringsverhalen van verpleegkundigen in de onlangs verschenen boeken ‘Geschokt‘ en ‘Geraakt’, van Huub Buijssen en Suzanne Buis zijn, zoals ook de ondertitels aangeven, indringend. Soms zo indringend dat ze betrokkene een psychotrauma, een psychische wond, bezorgen. De auteurs laten aan de hand van talloze korte verhalen zien hoe een schokkende gebeurtenis tot problemen kan leiden, wat de gevolgen zijn en hoe deze (moeten) worden verwerkt. de boekjes onderstrepen het pleidooi van de bond van verpleegkundigen NU’91 voor een betere opvang na schokkende ervaringen. Uit een peiling die de vond recent onder 500 verpleegkundigen liet uitvoeren, bleek dat meer dan de helft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis had meegemaakt. Een groot percentage zelfs drie tot vijf keer. In maar liefst 22 procent van de gevallen werd daardoor serieus ander werk overwogen. Tijdens de vorige week gestarte CAO- onderhandelingen eiste NU’91 dan ook dat zorginstellingen, gelijk aan politie en brandweer, duidelijke protocollen voor nazorg ontwikkelen.

Ontregeld
„Dat is echt nodig”, zegt auteur Buijssen, in het dagelijks leven klinisch psycholoog en trainer sociale vaardigheden in Tilburg. „Een traumatische ervaring zet je leven compleet op zijn kop. Kenmerkend voor een psychotrauma is dat je totaal ontregeld bent. Het lichaam voert een hevige innerlijke strijd: enerzijds moet je voortdurend aan het gebeurde denken, anderzijds wil je dat helemaal niet. Een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet binnen een maand de draad weer op te pakken en ontwikkelt op den duur zelfs een posttraumatische stresstoornis, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld.”

Volgens de psycholoog, die al meer dan twintig boeken schreef over prangende ‘hoofdzaken’, wordt het overlijden van een kind het meest genoemd als traumatische ervaring. Dat bleek ook uit het onderzoek van NU’91, waarvoor Buijssen een groot aantal vragen formuleerde. „Ook het maken van een fatale fout, door de persoon zelf of een collega, wordt vaak in dit verband vermeld”, vertelt hij. „Daarnaast is zelfmoord van een patiënt een ingrijpende gebeurtenis. Dat heeft de langste nasleep en wordt met name veroorzaakt door schuldgevoelens.”

 

‘Cursus luisteren naar collega in ziekenhuis.’ Utrechts Nieuwsblad woensdag 31 januari 2001

Cursus luisteren naar collega in ziekenhuis
Door Helma van den Berg
Utrecht

Het centraal Militair Hospitaal in Utrecht heeft als een van de eerste ziekenhuizen in Nederland personeel opgeleid om collega’s te helpen na traumatische ervaringen op het werk. Vandaag worden aan de eerste zeven personeelsleden de certificaten ‘collegiale trauma-opvang’ uitgereikt. Het CMH volgt hiermee de ziekenhuizen in Den Helder, Leidschendam en Winschoten. De meeste brandweer- en politiekorpsen in Nederland hebben al eerder de cursus ingevoerd.

In de nieuwe CAO voorverplegend personeel is vorig jaar opgenomen dat elk ziekenhuis opvang structureel moet regelen voor personeel dat geconfronteerd wordt met aangrijpende gebeurtenissen op het werk. Het plotselinge overlijden van een patiënt kan zo’n ervaring zijn, maar ook een mislukte reanimatie, zelfmoord, mishandeling door een psychiatrische patiënt of verpleegkundige fout. De aanpassing van CAO gebeurde op aandringen van de bond voor verpleegkundigen NU 91. Volgens de bond laten ziekenhuizen verpleegkundigen na zo’n traumatische ervaring vaak in de kou staan. Uit onderzoek van NU 91, in het voorjaar van 1999, bleek dat ruim de helft van het verplegend personeel in algemene ziekenhuizen de voorgaande vijf jaar op het werk een zodanig ingrijpende gebeurtenis meemaakte, dat ze daar minimaal enige dagen helemaal door in beslag werden genomen. Hoewel slechts een op de twintig zich na zo’n gebeurtenis ziek meldde, overwoog ruim een op vijf serieus een ander beroep te kiezen. Tweederde van de vijfhonderd ondervraagden meldde dat zij adequaat zijn opgevangen. De meesten door collega’s. Meer dan de helft van de ziekenhuizen had ten tijde van de CAO- onderhandelingen geen protocol voor de opvang van eigen personeel. Volgens beleidsmedewerkers Arbo-coördinator Ferry Zoutenbier en sociaal psychiatrisch verpleegkundige Johan Heine van het Centraal Militair hospitaal (CMH) omdat het voor kort werd gedacht dat verpleegkundigen die hun vak verstaan, door emotionele ervaringen onberoerd blijven.

„Er heerste in deze sector een cultuur van’ niet zeuren, dat hoort bij je werk’. Je vond het zelf ook niet professioneel om over je problemen te praten. Met gevolg dat voor menigeen het beroep een nachtmerrie werd.” Aangemoedigd door de nieuwe CAO en de Arbo-wet, krijgen ziekenhuizen nu meer oog voor nazorg van verpleegkundigen. Onder meer door onderlinge opvang waarvoor nu ook de eerste cursussen zijn geïntroduceerd. Opmerkelijk is dat juist het CMH, met de traditie van een machocultuur van het leger, tot die kopgroep behoort. Maar volgens Heine is ook binnen defensie een kentering gekomen: „Juist door onze ervaringen van mensen die naar oorlogslanden zijn uitgezonden geweest, weet defensie dat het verwerken van trauma’s heel belangrijk is. Dat het juist goed is om vaak en veel over je verdriet te praten. En personeel van een ziekenhuis van defensie loopt een extra risico om tegen emotionele problemen aan te lopen.” De cursus is ontwikkeld door psycholoog Huub Buijssen van de geestelijke gezondheidsgroep. Altrecht in Utrecht die ook de trainingen gaf. Volgens hem is het heel goed mogelijk dat collega’s elkaars hulpverlener zijn. „Niet iedereen kan dit even goed. Mensen die zich van nature bij andere mensen betrokken voelen, hebben een fikse voorsprong. Want trauma-opvang bestaat zeker voor de helft uit het kunnen tonen van compassie, van echt meeleven.” De andere helft kun je leren. Ondermeer door geen ongevraagde adviezen te geven, niet te gaan wroeten naar gevoelens en tijdig signalen te herkennen van verstoorde verwerking,. Daarmee kan heel wat leed worden voorkomen, zegt Buijssen: „De kans dat je niet meer afkomt van een posttraumatische stress-stoornis, of er nog andere psychiatrische aandoeningen bij krijgt, neemt toe naarmate je er langer mee rondloopt.” Heine heeft het belang van collegiale opvang aan den lijve ervaren: „Ik zorgde in Zaïre voor psychische ondersteuning van soldaten die in de vluchtelingenkampen moesten werken. Maar na twee, drie weken had ik zoiets van, ik moet vandaag nog naar huis. Tot ik zelf mijn hart bij een collega kon luchten. Toen kon ik er weer even tegen aan.” Carmen Polman (28) waarnemend hoofd bedrijfsvoering van het CMH, is een van de mensen die vandaag het cursuscertificaat krijgt: „Ik zie wel eens dat collega’s niet los kunnen komen van hun werk. Dat zij zich daardoor soms ziek melden. Voor die collega’s wil ik iets kunnen betekenen.” En de cursus heeft al baat gehad, zegt Polman: „Ik heb geleerd dat het geven van tips niets oplevert. Daar had ik namelijk een handje van. Mensen willen jou niet horen, ze willen juist hun eigen verhaal kwijt,”

‘Elke dag een nachtmerrie’ De Volkskrant, 4 oktober 2003

Trauma’s emoties bij artsen nog taboe
Door Ellen de Visser

Bedreigingen, dood, fouten met dodelijke afloop; artsen krijgen in korte tijd meer trauma’s te verwerken dan gewone mensen in een heel leven. Hardheid is voor hen vaak nog de enige bescherming.
Autorijden leer je in de praktijd. Geneeskunde ook’, zei de chef de clinique opgewekt tegen arts-in-opleiding Suzanne Buis toen ze aan haar co-schappen begon. Vervolgens kreeg ze in een paar dagen tijd meer trauma’s voorgeschoteld dan gewone mensen in een heel leven bij elkaar zouden zien. Een man die zijn vriend met HIV had besmet, een moeder met uitgezaaide borstkanker, jonge mensen die spoedig zouden sterven: ‘Elke dag fietste ik de nachtmerrie binnen.’ Haar vrienden zeiden dat het zou wennen, haar mentor dacht dat ze gewoon wat meer levenservaring moest opdoen. Maar van angst begon ze fouten te maken en toen na zes weken het moment naderde waarop ze zelfstandig patiënten zou gaan onderzoeken, stopte ze. Ze voelde zich ‘oneindig’ opgelucht’. Artsen, realiseert ze zich, moeten sterk in hun schoenen staan en dat doen ze vooral door niet aan hun emoties toe te geven. Indringende en ingrijpende gebeurtenissen in overvloed, en de dokter moet overal tegen kunnen. Hardheid fungeert als zelfbescherming.
Hoe groot dat taboe op emotie is, ontdekte Buis toen ze samen met psycholoog Huub Buijssen traumatische ervaringen van artsen wilde boekstaven. Zeven jaar duurde het voordat ze zeventien praktijkverhalen bij elkaar hadden. Drie artsen die een medische fout hadden gemaakt, trokken hun bijdrage, na overleg met hun advocaat, op het laatste moment terug.

Met hun boek Uit de praktijk, dat deze week verschijnt, willen ze artsen een vorm van zelfhulp bieden. Het lezen van andermans ervaringen heeft immers een therapeutisch effect, schrijven ze. De verhalen moeten het management van instellingen er bovendien van overtuigen dat artsen niet gevoelloos zijn en na een traumatische gebeurtenis recht hebben op steun. Een anesthesist die een fout maakt waardoor een patiënt overlijdt, een kinderarts die het leven van een ernstig gehandicapte baby beëindigt. Een bedrijfsarts die wordt bedreigd en noodgedwongen verhuist. Een psychiater in opleiding van wie een patiënt zelfmoord pleegt. Een huisarts die bijkans door twee junks wordt vermoord omdat ze morfine willen hebben. De opgetekende ervaringen zijn divers maar wel eender in hun boodschap: openheid helpt en opvang is vaak zeer gewenst. Voor politieagenten en brandweermannen is die opvang goed geregeld, voor artsen niet. Psychiater René Sorel van het Twenteborgziekenhuis in Almelo ondervond dat verschil aan den lijve toen hij na de vuurwerkramp in Enschede de politie begeleidde.
Samen met een chirurg, een gynaecologe en een reumatoloog zette hij het eerste Nederlandse SOS-team op (Specialisten Ondersteunen Specialisten), dat sinds begin dit jaar functioneert. ‘Als wij horen dat zich ergens een belastende of bedreigende situatie heeft voorgedaan, stappen we erop af’, zegt hij. ‘Wij zijn er, zeggen we dan. En we merken dat collega’s zich alleen al daardoor enorm gesteund voelen.’ Het ziekenhuis betaalde de opleiding van het team bij een traumapsycholoog. Huisartsen kunnen na een traumatische gebeurtenis hun verhaal vaak beter kwijt dan specialisten, weet Arno van Rooijen, coördinator van de Steunen Verwijspunten voor Artsen (SVA) van artsenorganisatie KNMG. ‘Huisartsen zijn de afgelopen jaren allerlei samenwerkingsbanden aangegaan en hebben daardoor automatisch een vangnet voor zichzelf gecreëerd Specialisten zijn veel vaker individuele ondernemers in een maatschap.’ Van Rooijen heeft een soort collegiaal netwerk van artsen opgezet.
Wie problemen heeft met zijn beroepsuitoefening kan terecht bij een van de 32 SVA consulenten. De eerste vier gesprekken worden door de KNMG betaald, daarna kan de SVA- arts zijn collega doorverwijzen naar een tweetal bureaus waarbij onder meer burn-out deskundigen, loopbaanadviseurs en mediators zijn aangesloten. In twee jaar tijd zijn 450 artsen geholpen. Voor aansluiting bij de Anonieme Dokters blijkt de drempel een stuk hoger. De zelfhulpgroep werd in 1982 opgericht door een huisarts die wegens psychische klachten met zijn praktijk moest stoppen. Sindsdien hebben er zo’n tachtig artsen aan meegedaan.
De groep telt momenteel elf leden; twee keer per maand komen ze op een zaterdagmorgen bij elkaar in een hotel in het midden van het land.
De Anonieme Dokters werken naar het voorbeeld van de Anomie Alcoholisten, met een vergelijkbaar stappenplan. ‘Iedereen vertelt zijn verhaal en de rest mag alleen maar luisteren’, vertelt groepslid Barend Ornstein (een gefingeerde naam), die zelf het vak na een crisis verliet. ‘Dat is moeilijk want artsen weten vaak meteen wat er aan de hand is, ze willen vragen stellen, troosten, adviseren. Het uiteindelijke doel is introspectie, bij anderen dingen herkennen over jezelf. En op die manier meer zelfvertrouwen krijgen.’

Ingrijpend Beroep
Artsen worden veelvuldig met ingrijpende gebeurtenissen geconfronteerd. Onderzoek uit 1999 toont aan dat 80 procent van de psychiaters, 68 procent van de verzekeringsartsen, 58 procent van de huisartsen en 32 procent van de specialisten in het voorgaande jaar was geconfronteerd met (verbaal) geweld. Uit een enquête onder psychiaters en arts-assistenten psychiatrie bleek begin jaren negentig dat bijna driekwart ooit een zelfmoord van een patiënt had meegemaakt; 35 procent meldde twee of meer suïcides Uit omzetting van Amerikaanse cijfers naar de Nederlandse gezondheidszorg valt af te leiden dat jaarlijks drie- tot zesduizend patiënten overlijden ten gevolge van medische fouten.
Een Groningse promovendus toonde in 1995 aan dat huisartsen gemiddeld twee keer per jaar een verkeerde beslissing nemen met ernstige gevolgen voor de patiënt. Euthanasie blijft voor veel artsen een ingrijpende gebeurtenis. In 2001 beëindigden artsen het leven van naar schatting 3500 patiënten. Onderzoek uit 1995 toont aan dat artsen jaarlijks van enkele tientallen ernstig zieke baby’s het leven beëindigen.

Huwelijksproblemen, verslaving, tuchtzaken na medische fouten; Ornstein heeft allerhande problemen voorbij zien komen. ‘Artsen hebben een groot risico op een burn-out’, zegt hij. ‘Ze zijn zo gericht op de hulpvraag van een ander dat ze niet goed meer naar zichzelf luisteren.’

Pot gevoelens niet op, gun jezelf ontspanning, rij voorzichtiger dan voorheen en stel je kwetsbaar op; het is een greep uit de zelfhulptips die Buis en Buijssen in hun boek geven.
Na een medische fout is openheid naar de betrokken familie essentieel, schrijven ze. Niet alleen omdat dat oplucht, maar ook omdat patiënten en familie daarna vaak ‘verbazingwekkend vergevingsgezind’ blijken. Uit KNMG – onderzoek bleek drie jaar geleden echter dat vier van de vijf artsen niet tot die openheid bereid zijn. En de juristen van het ziekenhuis al helemaal niet. Sommige artsen zoeken zelf een uitweg als hun vak te heftig wordt. Internist Geert Blijham, bestuursvoorzitter van het UMC Utrecht, vertelde Buis hoe hij tijdens zijn opleiding tot kinderarts de langste nacht van zijn leven doorbracht aan het bed van een kind dat dreigde te stikken. Toen besefte hij dat het vakgebied waarin hij wilde gaan werken hem emotioneel te veel zou kosten Hij besloot ‘kinderarts voor volwassenen’ te worden.
Suzanne Buis werd na het opgeven van haar co-schappen epidemioloog (‘Heel veilig, alleen met computers’). Ze werkte als vertrouwenspersoon in de psychiatrie en als bejaardenverzorgster. Ze durft nog steeds geen arts te worden.


Huub Buijssen en Suzanne Buis: Uit de praktijk. De Stiel en TRED, €25,-. ISBN 90 704 1531 3 http://www.anonieme-dokters.nl/

‘Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe’ De Standaard, 10 september 1995

Huub Buijssen schrijft boek over traumatische ervaringen verpleegkundigen.
“Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe”

Tilly Stuckens
“Ik kijk recht in het gezicht van meneer T. We kijken elkaar aan, maar hij ziet me niet. Hij hangt op de wc, (…) hij zit helemaal onder het bloed. Ik roep M. Lopend door de plassen bloed (…) voel ik een golf van paniek over me komen. Samen leggen we de man op de grond. M. legt hem in stabiele zijligging en knijpt het doorgeknipte uiteinde van de cateter dicht om verder bloedverlies te verkomen”. Een leerling- verpleegster beleefde dit drama tijdens een nachtdienst op een onderbezette afdeling. De patiënt sterft. Anderhalf jaar later leed de leerlinge nog aan de gevolgen van dit trauma. “Ik geloof dat ik nooit meer een nachtdienst doe”, schreef ze. “Ik heb veel te lang alleen doorgemodderd”.

Haar verhaal staat in het onlangs verschenen boek Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt van de Nederlandse psycholoog Huub Buijssen. Het boek kende snel een tweede en derde druk. De weerklank is groot, eerst alleen binnen de Nederlandse grenzen, nu ook erbuiten, de Engelse vertaling ligt klaar. Een boek waarop men zat te wachten? Wel wat vreemd: heeft nooit eerder iemand zich gebogen over hetgeen mensen in een verzorgend beroep zoal meemaken en of zo geholpen worden om de moeilijkste belevenissen te verwerken? Die vraag kwam bij Buijssen op nadat hij 1992 een wereldcongres over traumatische gebeurtenissen had bijgewoond: “Daar werden vierhonderd voordrachten gehouden”, zegt hij, “maar geen enkele was gewijd aan ingrijpende gebeurtenissen in het beroepsleven van verpleegkundigen. Men sprak over brandweerlieden, politie, treinmachinisten, reddingswerkers, soldaten. Terecht, natuurlijk, maar waar bleven de verpleegkundigen?” Met het oog op een boek begon hij getuigenissen te verzamelen. Heel wat mensen vertelden hem hun belevenissen en hoe ze eronder geleden hadden, maar slechts enkelen gaven de toestemming om hun verhaal te publiceren. “Sommige verpleegkundigen waren bang voor problemen met hun werkgever. Praten over schokkende gebeurtenissen wordt door de leiding van instellingen vaak gezien als de vuile was buitenhangen. Maar dat was niet de enige rem. Veel verpleegkundigen wilden niet met hun getuigenis in het boek omdat ze zich schaamden over hetgeen hen was overkomen.” Om die reden, zo bleek vaak, hadden ze nooit eerder willen bekennen hoe ellendig ze zich over het gebeurde hadden gevoeld. Want dat zou als een teken van zwakheid beschouwd worden, wat je je in dit beroep niet kunt veroorloven. Je hebt nu eenmaal gekozen voor een job die een herhaalde en vaak dramatische confrontatie met menselijk lijden en sterven inhoudt. Je moet dus ook tegen het ergste kunnen. Die opvatting leeft, volgens Buijssen, nog sterk in heel wat ziekenhuizen en andere verzorginginstellingen: “Wie emoties toont als er iets ergs gebeurt, wordt al gauw voor een zacht eitje versleten. Dat is toch een foute mentaliteit. Waarom zou je moeten verbergen dat je kwetsbaar bent? Het zou normaal moeten zijn dat je bij een traumatische gebeurtenis steun van collega’s en oversten zou krijgen. En, als het nodig is, professionele opvang. Maar uit de getuigenissen die ik kreeg, blijkt dat men vaak nauwelijks op wat medeleven kon rekenen.” Dat laatste overkwam de reeds geciteerde leerling-verpleegster. Ze was zwaar ontgoocheld over het onbegrip dat ze na de zelfmoord van haar patiënt ondervoed. De dienstdoende chirurg vroeg hoe zij zoiets hadden kunnen laten gebeuren en mompelde: “Dat noemt zich dan verpleegkundige!” De dienstoverste gaf haar een uitbrander, zonder de ware toedracht van het gebeurde te kennen. Een teamleider vroeg haar cynisch of er die nacht nog iets bijzonders was gebeurd. De volgende dagen kreeg ze van collega’s allicht goedbedoelde maar toch onverschillig klinkende opmerkingen zoals “het leven gaat gewoon door”.

Ongewenst
In het boek komen ook verpleegkundigen aan het woord die ernstig ontredderd geraakten nadat in hun afdeling op korte tijd verscheidene patiënten zich van het leven hadden beroofd. Andere verpleegkundigen werden aangevallen, soms verwond door een gewelddadige patiënt. Nog iets wat hen nachtmerries bezorgt is de herinnering aan een echte of vermeende beroepsfout die zijzelf of de arts met wie ze samenwerken, begingen. Ook de dood van een kind of een patiënt die men lang verzorgd heeft, kan diepe wonden slaan.

Verscheidene getuigenissen gaan over ongewenste intimiteiten. Uit een Engels onderzoek blijkt dat die vrij veel voorkomen in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen en dat de verplegers vooral patiënten zijn, soms ook artsen, oversten, collega’s. Ook in brieven die Buijssen na de publicatie van zijn boek ontving, komen beschrijvingen van ongewenste intimiteiten voor, gaande van seksuele insinuaties en aanrakingen tot brutale verkrachtingspogingen. “Dat soort dingen overkomt ook andere vrouwen”, zegt Buijssen, “maar verpleegkundigen en verzorgenden behoren wel tot de beroepsgroepen die er makkelijk mee temaken krijgen. De verzorging van patiënten is nu eenmaal een intieme aangelegenheid die door sommigen misbruikt wordt.”

Een weerkerende klacht in het boek is dat men, na welke traumatische ervaring ook, meestal in de kou bleef staan. Een nachtverpleegster die aangerand werd in de kelder van het ziekenhuis (waar ze geregeld een emmer onder een lekkende kraan moest leegmaken) mocht daar van de directie geen ruchtbaarheid aan geven. Angst voor negatieve publiciteit woog bij de directie zwaarder dan de veiligheid van het personeel. Buijssen pleit voor een verandering van die mentaliteit bij leidinggevenden en artsen, maar ook bij de betrokkenen zelf. Laatstgenoemden moeten begrijpen wat hen overkomt. Daarom legt Buijssen uit hoe het lichaam op een traumatiserende ervaring reageert (met slapeloosheid, nachtmerries, duizeligheid…), welke gevoelens normaal zijn na zo’n ervaring (angst, boosheid, eenzaamheid) en hoe je ze kunt verwerken. Essentieel is ook, zegt hij dat je als getroffene binnen 24 uur opgevangen wordt en je verhaal kunt doen: “Onmiddellijk na een ingrijpende gebeurtenis word je heen en weer geslingerd tussen twee aan elkaar tegengestelde krachten. De ene kracht bestookt je met steeds maar terugkerende beelden van het geen is gebeurd. De andere kracht doet verwoede pogingen deze beelden te verstoppen. Wanneer geen opvang plaatsvindt, bestaat het risico dat de laatste kracht, de verdringing dus, wint. Voor een goede verwerking zijn echter de beelden en het verhaal van de gebeurtenis nodig. Nog een reden voor opvang is dat je op die manier ervaart dat je oversten en collega’s achter je staan en je willen helpen. Belangrijk, ten slotte, is dat je door het reconstrueren van het geen je hebt doorstaan, opnieuw wat greep krijgt op je bestaan en de chaos kunt vervangen door weer wat structuur en orde.”

In sommige gevallen kan professionele hulp nodig zijn: als je je na een maand nog steeds verdoofd en leeg voelt, of maar nachtmerries over de gebeurtenis blijft hebben, of buitengewoon prikkelbaar blijft…
“Er moet, hoe dan ook, in opvang worden voorzien. Dat is geen luxe, integendeel. Het zou minder kosten dan het ziekteverlof dat nu genomen wordt door mensen die er na een schokkende gebeurtenis onderdoor gingen. Er zijn er ook die het beroep verlaten. Vaak zijn dat waardevolle beroepskrachten. Wat een verlies is dat.”
Op de vraag of de door hem onthulde problematiek ook niet bij artsen voorkomt, antwoordt Buijssen bevestigend: “Ik ga ook daar een boek over schrijven. Het zal niet gemakkelijk zijn. Artsen hebben veel meer nog dan verpleegkundigen het gevoel dat ze zich onkwetsbaar moeten voordoen.”

——————————————————————————–

Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen, Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht
in Vlaanderen te verkrijgen bij Verdi, 015-29.01.21, prijs 490 frank (verzendingskosten niet in begrepen)
Buijssen schreef ook een brochure “De klap te boven” over zelfhulp en opvang bij traumatische gebeurtenissen in verpleeg- en verzorgingssituaties.

‘Verpleegkundigen volgen spoedcursus omgaan met stress.’ Nieuwsblad van het Noorden 19-1-2001

Van onze verslaggever
LOUIS VAN KELCKHOVEN

Winschoten – acht verpleegkundigen van het Sint Lucas-ziekenhuis in Winschoten hebben als eerste in het Noorden een opleiding gevolgd voor hulp bij post traumatische stresstoornissen. Populair gezegd is de opleiding een spoedcursus omgaan met stress bij verpleegkundigen, die bij het uitoefenen van hun beroep met een ingrijpende gebeurtenis zijn geconfronteerd. Leden van dit zogenaamde ‘Collegiaal opvang Team’ krijgen vandaag hun certificaat. Met zijn boek Traumatische ervaringen van verpleegkundigen’ bond psycholoog Huub Buijssen zes jaar geleden de kat de bel aan. “In tegenstelling tot beroepsgroepen als politie, brandweer en reddingswerkers, werden trauma’s bij verpleegkundigen niet erkend. Er werd domweg gezegd dat aangrijpende gebeurtenissen bij het vak hoorden.” Een psychotrauma is een lichamelijke/psychische reactie op een hele ingrijpende gebeurtenis. “Er zijn drie kenmerken”, zegt Buijssen. “Het veelvuldig opnieuw beleven van de gebeurtenis, het proberen te vermijden daarvan en een verhoogde alertheid. We spreken van een post traumatische stresstoornis als er na anderhalve maand geen vooruitgang is en de betrokkene nog steeds door het voorval in beslag wordt genomen.” Als voorbeelden van ingrijpende voorvallen waarmee een verpleegkundige te maken kan krijgen noemt Buijssen een fatale fout van een verpleegkundige, meerdere patiënten die in een nacht overlijden of suïcide van een patiënt. “Maar het kan ook zijn dat er sprake is van ongewenste intimiteiten, bijvoorbeeld als een patiënt in zijn benadering van een verpleegkundige te ver gaat. Verpleegkundigen kunnen ook slachtoffer worden van fysiek geweld, wanneer patiënten naar hun zin te lang moeten wachten voordat worden geholpen.”Buijssen hecht eraan te zeggen dat dergelijke voorvallen weliswaar ingrijpend zijn; maar dat de emotionele reacties puur menselijk zijn. “We moeten er voor oppassen om er niet meteen een psychiatrisch geval van te maken.”

“Verpleegkundigen houden zich vaak groot en willen het team niet lastig vallen met hun problemen. Stelregel is dat het team de plicht heeft om hulp te verlenen, maar dat degene met de klachten het recht heeft om de hulp te weigeren.”Buijssen zegt dat het verhelpen van een klacht moeilijker wordt naarmate iemand er langer mee rondloopt. “Maar hoe hopeloos het soms ook lijkt, het blijft zaak om hulp te bieden. Een luisterend oor betekent al heel veel.” Het verlenen van hulp is vaak een vertrouwenskwestie. “Voor Winschoten hebben we acht mensen, met ruime verpleegkundige ervaring, gevraagd de opleiding te volgen.” Psycholoog Buijssen noemt het belangrijk wanneer hulp bij een ingrijpende gebeurtenis uit de eigen omgeving komt. “Elkaar opvangen, zoals in de gemeenschap van Volendam gebeurt, is veel beter dan psychiaters inschakelen. De omgeving trekt zich terug als ze zien dat professionele hulp verleend wordt. Bovendien denken mensen dat er iets met hen niet in orde is als ze bij de psychiater lopen.”

 

 

‘De dood went niet.’ Volkskrant, zaterdag 5 april 2003

Volkskrant, zaterdag 5 april 2003

Door Ellen de Visser

De dood van een patiënt glijdt ook bij de mensen aan het bed niet langs de koude kleren af. Zorg voor de verzorgenden verdient dan ook meer aandacht.

Buiten­staanders vinden vaak dat de dood bij haar werk hoort: immers, een verpleeg­kundige die kiest voor de kinder-intensive-care moet kunnen omgaan met sterfgevallen. Maar verpleeg­kundige Marie-José Brounen raakt bij een de dood van een kind nog altijd emotioneel. ‘We zijn als team heel betrokken, we hebben 24 uur per dag contact met de ouders. Er zijn periodes dat ik met de kinderen en hun ouders een sterkere band heb dan met mijn eigen familie’. In 1983, toen ze net een paar weken werkte als leerling-verpleeg­kundige, moest ze helpen bij het af­leggen van een overledene. In de opleiding werd geen aandacht besteed aan de omgang met de dood van patïenten. Onaangedaan blijven was de beroeps­code. De klassieke waarschuwing: afstand bewaren om de gevreesde over­betrokkenheid te ontlopen.

In die houding komt langzaam verandering, merkt Brounen. Verpleeg­kundigen van haar afdeling zijn geschoold in de opvang van collega’s. Maandag nog zat ze na haar avond­dienst een uur te praten over wat ze had mee­gemaakt. Op het 8ste congres van Europese Associatie voor Pallia­tieve Zorg, dat deze week in Den Haag werd georga­niseerd, is ‘de zorg voor de zorgenden’ een belangrijk thema. Koningin Beatrix, die vandaag ere­gast is, ontvangt een speciaal samen­gesteld boek waarin twintig profes­sionals vertellen over het sterven van patïenten en aangeven hoe zij hun werk volhouden. Een huisarts schrijft over de euthanasie op een patïent die hij moest uitvoeren in een volle kamer: het was een feestje, iedereen had een glas wijn, ‘ik was een gastspeler in zijn final act.’ Bij thuiskomst is hij uitgeput. Een verpleeg­kundige in een instelling voor verstandelijk gehandi­capten vertelt hoe moeilijk ze het ermee heeft dat de gehandicapten soms ’s nachts alleen op zaal overlijden. Omdat er vanwege personeels­gebrek niemand bij hen kan waken. Een verpleeg­huisarts krijgt te maken met een vrouw van middelbare leeftijd wier rechter­wang door kanker volledig is weggevreten. ‘Ik laat de ravage op me inwerken. In de spiegel zie ik mijn eigen gezicht.’ De pijn moet voor haar zo hels zijn, constateert hij, dat ze over al haar grenzen heen is. Heel voorzichtig brengt hij het onder­werp euthanasie ter sprake: ‘Kan het nu?, vraagt ze met onverwachte gretig­heid.’

Verwerken doet iedereen op zijn eigen manier. De vrijwilliger van de Stichting Thuis Sterven gaat altijd op de fiets naar een patïent zodat hij op de terugweg zijn hoofd kan leegmaken. De sociaal-psychiatrisch verpleeg­kundige sport na het werk. Soms zijn die zelf­ontdekte strategieën niet toereikend. Klinisch psycholoog Huub Buijssen beschrijft in het boek welke gebeurte­nissen in de palliatieve zorg tot psycho­trauma’s kunnen leiden: onverwacht overlijden, verstikking van een patïent, confrontatie met ernstige verminkingen, mislukt reanimatie. Een combinatie van confron­tatie en vermijding is de beste manier om met stressvolle gebeurte­nissen om te gaan, aldus Buijssen. Niet alleen maar praten met collega’s, ook bewust ontspannen of er niet aan denken. Geen arts of verpleegkundige is emotioneel in staat voortdurend contact met patïenten te hebben, zegt Buijssen. ‘Ik denk dat 60 procent van de tijd het maximaal haalbare is.’

De steun vanuit zorginstellingen kan beter, vindt hij. Er zijn verpleeg­huizen, zieken­huizen en hospices met ontspannings­ruimtes voor het personeel, soms zelfs met kisten strandzand en hangmatten. Maar aan de verplichting die sinds drie jaar bestaat om trauma-opvang te regelen voor medewerkers heeft nog maar de helft van de instellingen gehoor gegeven.Verpleeg­kundige Marie-José Brounen heeft meegemaakt dat op de IC twee kinderen tegelijk stierven. ‘Mijn collega en ik moesten samen met een kindje in de armen naar het mortuarium.’ Ze hebben een onderlinge afspraak over de werkverdeling: wie er emotioneel doorheen zit, krijgt tijdelijk de zorg voor minder zware patiëntjes.


Huub Buijssen en Rob Bruntink, Einde goed, allen goed? Oog voor zorgenden in de palliatieve zorg., Uitgeverij De Stiel en TRED uitgeverij, ISBN 90 70 415 29 1, € 13,90