TraumaOpvang
Zoeken 
   Print de pagina  Sitemap
  • Trainingen
  • Psychotherapie
  • Nieuws
  • Publicaties
  • Onze opdrachtgevers
  • Contact
  • Actueel
  • Nieuwsarchieven
    (Buijssen in de media)
    • Gezondheidszorg
    • Onderwijs
    • Welzijn
    • Verkeersongelukken
    • Diversen
Bergtop
Home » Nieuws » Hij past wel op zichzelf De Volkskrant 9 december 2006

Hij past wel op zichzelf De Volkskrant 9 december 2006

Twee maanden na de dood van haar man, bezocht Tineke van Veen de plek waar hij overleed, langs het spoor achter het gebouw waar hij 25 jaar lang als hoofd van de Nijmeegse crisisdienst de heftigste problemen van anderen had opgelost. Twee treinen kwamen stil te staan, ze werd weggejaagd. Toen ze weer over het hek langs de spoorbaan klom, kwam uit een van de treinen een machinist rennen die haar vroeg wat ze deed. Ze vertelde over haar man, hij nam haar mee in de trein en zei: ‘Wij gaan straks praten.'

In Nijmegen werd ze opgevangen door twee agenten van de spoorwegpolitie die getuige waren geweest van de zelfmoord. Ze had graag met de machinist gesproken die haar man had aangereden, zegt ze, maar de psycholoog van de NS leek dat geen goed idee. ‘Zo zorgvuldig als met hem werd omgegaan, ik had gewild dat mijn man zo was afgeschermd.'

Martien Hagens (52) was net weer een paar maande aan het werk toen hij op 1 juni 2005 rond het middaguur tegen zijn collega's zei dat hij even ging stemmen en rechtstreeks naar het spoor fietste. Een jaar ervoor had hij zich totaal opgebrand, zwaar depressief en alcoholverslaafd, laten opnemen op de gesloten psychiatrische afdeling van ziekenhuis Rijnstaete in Arnhem; hij, de man die de ouders van de vermoorde tiener Maja Bradaric had bijgestaan en de nabestaanden van de zes jonge dodelijke slachtoffers van de brand in Groesbeek, die altijd inzetbaar was bij calamiteiten en traumatische gebeurtenissen.

Tien weken had de opname geduurd, toen vond hij dat hij voldoende was hersteld en was hij teruggekeerd op zijn werk, in een van de zwaarste functies die de geestelijke gezondheidszorg (ggz) kent. Dat had nooit mogen gebeuren, zegt zijn weduwe stellig: hoe kan een patiënt zelf bepalen dat hij beter is? ‘Het is niet zomaar een bedrijf waar hij werkte, het is een bedrijf waar patiënten zoals hij worden behandeld. Niemand die vragen stelde, niemand die zag dat hij ziek was. Allemaal professionals om hem heen en hij is niet in bescherming genomen.'

In een In Memoriam in het personeelsblad stond het als volgt: ‘Het is nauwelijks te bevatten dat een collega werkzaam als hulpverlener en met zoveel collega hulpverleners om zich heen een fataal besluit nam zonder eerst te kunnen delen in zijn hopeloosheid: dat brengt vanzelfsprekend zeer gemengde gevoelens met zich mee.'

Wie beroepshalve alle signalen van psychische nood behoort te kennen, wordt geacht problemen bij zichzelf of naasten te zien aankomen maar dat gebeurt vaak juist niet, zegt klinisch psycholoog Huub Buijssen. Het is dé valkuil voor personeel in de geestelijke gezondheidszorg, meent hij. ‘Hulpverleners hebben een gezond wantrouwen tegen andere hulpverleners maar in tijden van nood breekt dat ze op. Hun omgeving denkt vaak: ze zeggen het wel als er iets is.'

Buijssen trainde tal van ggz-instellingen de afgelopen jaren hoe ze personeel met traumatische ervaringen leren omgaan maar erkent dat het tijdig signaleren van psychische problematiek bij leidinggevenden een heikel punt blijft. ‘Wie spreekt hen aan als het fout dreigt te gaan?'

Het is een groot probleem dat psychiaters bij zichzelf en bij anderen niet in staat zijn om psychische aandoeningen te diagnosticeren, zegt psychiater Bram Bakker. Van alle artsen scoren psychiaters het hoogst met verbroken relaties, verslavingen en dood door eigen toedoen, schrijft hij in zijn boek Te gek om los te lopen.

In zijn boek beschrijft hij het verhaal van de psychiater die ten prooi viel aan depressies en psychotische denkbeelden en uiteindelijk zelfmoord pleegde. ‘Collega's hadden hem gedwongen moeten laten opnemen maar zij beschouwden dat als een te grote krenking.' Een goede vriend van Bakker was op de crematie en vertelde hem hoe woedend de vader was dat niemand had ingegrepen.

Bakker: ‘Ik denk dat collega's op alle mogelijke manieren duidelijk moeten maken dat ze zich zorgen maken. Maar dat gebeurt te weinig, het geeft blijkbaar toch een ongemakkelijk gevoel.'

Tineke van Veen wil met het verhaal over haar man die praktijk aan de kaak stellen, zegt ze. Ruim een jaar na zijn dood heeft haar verdriet plaats gemaakt voor strijdlust en boosheid over wat hem is overkomen. ‘Voor de rest van mijn leven heb ik een knoop in mijn ziel. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?'

‘Wij zijn vogelvrij', zei een van zijn collega's haar na de begrafenis. Ze citeert een fragment uit zijn dagboek, geschreven op de eerste dag van zijn opname: ‘De gekte heeft toegeslagen. Ik heb er geen tegenspel aan kunnen bieden. Het mag toch niet zo zijn dat alle hulp voor niets is geweest.' Zijn naam blijft, omwille van haar vier deels jonge kinderen, ongenoemd.

In het schrift dat achter de glazen grafsteen ligt, hebben de ouders van Maja Bradaric opgeschreven dat ze niet weten hoe ze verder moeten zonder de man die hen jarenlang tot steun was. ‘Ze liepen met hem weg', zegt Tineke van Veen. 'Hij zocht ze ook privé op, hij ging zelfs naar de rechtszaak.' Tekenend, vindt ze: hij was veel te betrokken. ‘Maar er was niemand die hem daarop wees.'

Hij was 28 toen hij als sociaal psychiatrisch verpleegkundige werd benoemd tot hoofd van de crisisdienst.

Heel lang ging het heel goed, zegt zijn vrouw, maar gaandeweg werd duidelijk dat hij anderen weliswaar bij hun moeilijkheden kon helpen maar dat hij zijn eigen forse persoonlijkheidsproblematiek niet de baas kon. Hij werd depressief, begon te drinken. Hij bezocht een lange rij therapeuten door het hele land; een beetje in het verborgene want dat hij als hulpverlener zelf hulp nodig had, hoefde verder niemand te weten. Zijn vrouw: ‘Als ik voor hem de huisarts belde, zei die dat ik de crisisdienst moest bellen. Maar dat kon niet, dat waren zijn eigen collega's. Zelfs in andere regio's kenden ze hem allemaal.'

Anderhalf jaar voor zijn dood kwam hij op zijn werk in conflict met de leiding over de vergoeding voor zijn bereikbaarheidsdiensten als rampen- en calamiteitencoördinator. Na jaren van tomeloze inzet voelde hij zich geschoffeerd, zegt zijn vrouw. ‘Emotioneel heeft dat hem enorm veel schade gedaan.' De depressie verergerde, de foto's van toen die Tineke van Veen toch in het familiealbum heeft geplakt, bieden een mistroostig beeld.

Ooit was hij op en top sportman, in het bezit van de zwarte band judo, maar gaandeweg begon hij ongelukken te krijgen die steeds ernstiger werden. Toen hij in de zomer van 2004 van zijn fiets viel en zijn kaak brak, besloot hij in een ultieme poging het tij te keren tot opname op een gesloten afdeling.

Zijn vrouw waarschuwde de psychiater dat haar man ‘alle ins en outs van de hulpverlening kende', dat hij een ontwijkende en manipulatieve kant had en zijn ziekte trachtte te bagatelliseren. Maar al na een paar gesprekken, zegt ze, werd ze buitengesloten. Zijn ontslag, in september, kwam als een volslagen verrassing. Een paar maanden later stopte hij op eigen houtje met de antidepressiva en ging hij als vanouds weer aan de slag. Tegen zijn leidinggevenden zei hij dat de arbo-arts hem had beter gemeld. In werkelijkheid had hij die nooit bezocht.

Schaamte over zijn ziekte speelde een rol, beseft zijn vrouw. ‘Geen hulpverlener meer maar lotgenoot en medepatiënt', schreef hij in zijn dagboek tijdens de opname. Ze zegt: ‘Hij wist door zijn werk zó goed wat er allemaal fout kon gaan, dat was zijn tragiek.' Twee keer ging ze langs op zijn werk om haar zorgen te uiten. Tevergeefs. Ze zag hem bergafwaarts gaan: hij begon weer te drinken, kreeg schulden, hun huwelijk wankelde. ‘Toen hij steeds zieker werd en ik hem niet meer kon beschermen dacht ik: iemand anders neemt het over, ergens loopt hij vast.'

Sinds zijn dood probeert ze te achterhalen waarom niemand ingreep, daarbij gesteund door een van zijn voormalige patiënten, die een goede vriend is geworden. Ze sprak met de Inspectie voor de Gezondheidszorg, ging langs bij de psychiater die haar man op de gesloten afdeling behandelde, ze zocht contact met de arbo-arts, maakte een afspraak met zijn leidinggevenden.

Tientallen vragen zette ze op papier: Wist de psychiater dat haar man helemaal niet was komen opdagen bij de arbodienst? Hadden de hulpverleners op de gesloten afdeling zich tijdens de behandeling van een collega onafhankelijk genoeg opgesteld? Hadden ze hem gewaarschuwd toen hij rigoureus stopte met de medicatie? Had zijn werkgever niet veel alerter moeten zijn?

Op zijn werk bleken sommige collega's wel te hebben gemerkt dat het niet goed met hem ging. Soms rook hij 's morgens vroeg al naar alcohol en er waren twijfels over zijn veelvuldige ongelukken. Maar overal liep ze tegen hetzelfde argument op: dat haar man deed wat hij wilde. Dat ze waren afgegaan op wat hij zei en hij zei dat het goed ging. Het maakt haar boos: ‘Ze verschuilen zich achter hem. Maar die man was ernstig ziek. Hij blufte zich door het leven heen. En niemand die daar doorheen prikte.'

Inzage in zijn dossier krijgt ze niet, hoewel de Inspectie wel bemiddelde om een gesprek met de psychiater te bewerkstelligen. Ze wil weten waar hij precies aan leed, welk behandelplan was opgesteld, op welke gronden hij in hemelsnaam met ontslag is gestuurd. ‘Ik zie dat als een verplichting jegens mijn kinderen die recht hebben op antwoorden over wat er gepasseerd is rond de dood van hun vader', schreef ze de Inspectie. Maar inzage is in strijd met de privacy van haar overleden man, de gesprekken met de psychiater hebben haar alleen duidelijk gemaakt dat hij ‘ernstig psychisch belast' was.

Het was wrang genoeg haar man, herinnert Tineke van Veen zich, die ruim tien jaar geleden de nazorg opzette voor personeel van de spoorwegen dat een ernstig ongeval had meegemaakt. ‘Maar op hem heeft niemand gepast. Ze dachten: hij past wel op zichzelf.'

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

© 2009 Buijssen training en educatie, all rights reserved
disclaimer