‘Medische missers eerder melden’ Brabants Dagblad 6 december 2003

Brabants Dagblad 6 december 2003

door: Wim Arts

Tilburg. Ziekenhuizen moeten veel opener worden over medische missers. Een systeem dat het snel melden van fouten in principe niet wordt bestraft, zou de veiligheid in ziekenhuizen sterk bevorderen. Dat is de conclusie van de Tilburgse psycholoog H. Buijssen, na een onderzoek onder artsen en specialisten.
Buijssen stelt verder vast dat artsen en specialisten in ziekenhuizen grote trauma’s kunnen overhouden aan schokkende gebeurtenissen als zelfmoord, euthanasie en de geboorte van zwaar gehandicapte of dode baby’s. Andere constateringen van hem zijn dat pesten onder personeel in ziekenhuizen een onderschat probleem is.
Dat het werk in ziekenhuizen voor verpleegkundigen heel traumatisch kan zijn, had Buijssen bij een eerder onderzoek al vastgesteld. Dat professionals als artsen en medisch specialisten zwaar aangeslagen kunnen raken na bepaalde gebeurtenissen, is iets wat in Nederland niet eerder is belicht.
Buijssen begon een onderzoek onder artsen, maar het viel nog niet mee om verhalen boven water te krijgen. Er rust een groot taboe op het onderwerp, ontdekte Buijssen. “En als een arts al bereid was om zijn verhaal te vertellen, dan gebeurde het dat hij het later weer introk”. Uiteindelijk verzamelde hij en zijn mede-auteur Suzanne Buis (ex-arts in opleiding en journaliste) 17 verhalen: veertien van Nederlandse artsen, twee van Duitse en een van een Belgische arts.
Het zijn aangrijpende verhalen over trieste en schokkende gebeurtenissen waarbij de arts soms beroepsmatig betrokken is en in sommige gevallen als patiënt of betrokkene. Enkele verhalen gaan over bedreigingen en agressie. Wat opvalt in de verhalen van artsen is dat ze in kwesties waarbij ze persoonlijk betrokken zijn begrip en steun van collega’s en ziekenhuisdirecties missen.

  • Ziekenhuizen in Tilburg en Den Bosch laten desgevraagd weten dat ze geen grote problemen kennen. Ze hebben regelingen getroffen voor het melden van fouten en voor de opvang van medewerkers.
    Het Twee Steden Ziekenhuis kent een protocol ‘schokkende gebeurtenissen’. De vertrouwenspersonen voor medewerkers zijn vorig jaar dertien keer geraadpleegd, maar over pesten is niets bekend.
  • Het Twee Steden Ziekenhuis kent een ‘zeer actieve’ meldingscommissie voor fouten en bijna-fouten. ‘Incidentenanalyse en procesverbetering staan voorop, niet de schuldvraag’.
  • Het Elisabethziekenhuis in Tilburg kent geen cijfers over traumatische gebeurtenissen en klachten omdat die zaken decentraal, per afdeling, aangepakt. “Als er zaken fout gaan wordt dat in alle openheid besproken. We moffelen niets weg”, aldus J. Jongerius van de Raad van Bestuur.
  • De commissie van het Elisabeth Ziekenhuis Tilburg die ‘incidenten patiëntenzorg’ registreert, kreeg vorig jaar 350 meldingen over ‘zaken die niet goed gaan’. Het ziekenhuis kent geen cijfers over traumatische gebeurtenissen en klachten omdat het die decentraal aanpakt.
  • Het Jeroen Bosch Ziekenhuis meldt dat het melden van fouten en bijna-ongelukken wordt gestimuleerd ‘om de kwaliteit te verbeteren en te leren van onze fouten’. Schuldvragen komen zelden aan de orde.
  • Ziekenhuis Bernhoven in Oss/Vechel heeft vorig jaar 365 meldingen van incidenten gehad.
  • ‘Ook hulpverleners raken van slag.” Brabants Dagblad, 24 september 2002

    Door Marie-Catrien van Deijck

    Hulpverleners van verstandelijk gehandicapten kunnen getraumatiseerd raken door indringende ervaringen met hun patiënten. Ze worden geconfronteerd met de dood van dierbare bewoners of met heftig geweld, waardoor ze zelf in levensbedreigende situaties belanden. Een Tilburgse psycholoog verzamelde een aantal verhalen van hen en schreef hierover het boek Van Slag.

    ,,Zijn vuist treft me onverwacht midden in mijn gezicht. Ik voel een felle pijn. De volgende slagen hameren op mij hoofd. In mijn achtjarige carrière op deze afdeling ben ik vaak geslagen. Deze klappen zijn anders. Ze kunnen doden. Met alle kracht die ik in mij heb, begin ik Robert van mij af te schoppen en druk tegelijk mijn persoonlijke alarm in. De slagen houden op. ‘Ik spring naar beneden’, gilt Robert. Hij loopt op het raam af. Ik onderdruk de reflex om hem tegen te houden en te beschermen. Ik moet hier weg, al stort hij zich vierkant van het balkon. Het is hij of ik.”

    Dit is een fragment uit Van Slag, een onlangs verschenen boek over indringende ervaringen van hulpverleners in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Auteur van dit boek is Huub Buijssen, een Tilburgse psycholoog die gespecialiseerd is in traumaopvang. Als directeur van cursusbureau Buijssen Training en Educatie leert hij werknemers in gezondheidsinstellingen hoe ze elkaar na traumatische gebeurtenissen kunnen opvangen. Van Slag bevat aangrijpende verhalen van hulpverleners die, vaak door gebrek aan goede opvang, last krijgen van een depressie of posttraumatische stresstoornis.

    Kwetsbaar en afhankelijk
    Volgens Buijssen bestaan trauma’s al zolang als de verpleging bestaat, maar worden ze in de gezondheidszorg pas sinds enkele jaren erkend. ,,Er is altijd gedacht dat áls deze beroepen al trauma’s met zich meebrengen, de hulpverleners er maar tegen moeten kunnen of maar een ander beroep moeten kiezen. Nou kunnen zij ook tegen veel ellende en tegen leed waar jij en ik misschien van moeten overgeven, maar bij een traumatische ervaring gaat het juist om iets wat in hun beroep uitzonderlijk is.” Als voorbeelden noemt Buijssen het maken van een fout, met fatale gevolgen voor de patiënt, de dood van een bewoner van een afdeling of de confrontatie met geweld. ,,Verstandelijk gehandicapten kunnen soms heel sterk zijn en onverwacht uit de hoek komen. Je kunt af en toe een klap krijgen, maar als je echt in elkaar wordt geslagen, is dat heel moeilijk. Ook al weet je dat het kan gebeuren.”
    Hulpverleners van verstandelijk gehandicapten lopen meer risico te maken te krijgen met een traumatische ervaring dan collega’s in andere sectoren van de gezondheidszorg. Dit heeft volgens de psycholoog te maken met de onvoorspelbaarheid van de betrokkenen, waardoor zelfs ervaren krachten vaak verrast worden. ,,Toch ken ik geen beroepsgroep waar de liefde voor het vak en de betrokkenheid zo groot zijn. De kwetsbaarheid en afhankelijkheid van de groep zorgt ervoor dat er een diepe band ontstaat tussen hulpverlener en patiënt. Dit maakt ook de dood van een bewoner extra moeilijk. Ook geweldsconfrontaties met verstandelijk gehandicapten zijn gecompliceerd: de hulpverlener moet zich verweren en tegelijk hulpverlener blijven. Hij kan een bewoner niet in elkaar slaan en daarmee zijn eigen zaken in veiligheid brengen. Hij komt zo in een spagaat.”

    In goede handen
    Om te voorkomen dat hulpverleners na heftige incidenten getraumatiseerd raken, is adequate opvang van belang. Buijssen is ervan overtuigd dat naaste collega’s daar de aangewezen personen voor zijn. ,,Zij zitten in dezelfde situatie en doen hetzelfde werk. Hen kan het ook overkomen. Daarom kunnen zij het beste bieden waar iemand dan het meeste behoefte aan heeft: echte betrokkenheid! Wat een collega nooit moet doen, is een veroordeling uitspreken. Wanneer iemand een verkeerde handeling deed bij een reanimatie, nooit zeggen: hoe kun je nu zo stom zijn dat je dat zo gedaan hebt. Te snel na het incident indringende gesprekken voeren is ook niet goed, bij personen die steun het hardste nodig hebben werkt het zelfs averechts. Weinig zeggen, weinig vragen. Alleen vragen: kan ik iets voor je doen? En altijd belangstelling blijven tonen, ook al gaat de opvang elders verder.” Daarnaast hebben leidinggevenden een cruciale rol. Zij moeten volgens de psycholoog niet alleen zorgen dat er opvang is, maar ook zelf blijk geven van betrokkenheid. ,,Belangstelling tonen is erkenning geven en dat is heel belangrijk. Veel mensen maken een fout door de opvang bij een professional neer te leggen. Stel je voor dat je iets heel ergs meemaakt en er een uur later een psycholoog op de stoep staat die is gestuurd door je werkgever. Dat werkt niet. Zijn komst maakt dat je denkt dat er iets goed fout met je zit, terwijl het hier om een volstrekt normale reactie gaat. Nog schadelijker is het dat mensen in je omgeving denken dat je nu in goede handen bent en zij zelf niets meer hoeven doen. Een psycholoog moet pas worden ingeschakeld wanneer het uit de hand loopt en je het zelf niet trekt. Dus op zijn vroegst na een paar maanden!”

    In Van Slag geeft Buijssen adviezen over hoe de betrokkenen in een zorginstelling met traumatische ervaringen om kunnen gaan. Dankzij eerder verschenen boeken van zijn hand, over ervaringen van verpleegkundigen, maatschappelijk werkenden en hulpverleners in de psychiatrie, is twee jaar geleden in de CAO van zorginstellingen vastgelegd dat er verplicht structurele opvang moet plaatsvinden na een traumatisch incident.
    Van Slag. Indringende ervaringsverhalen van hulpverleners in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. wordt uitgegeven door Elsevier Gezondheidszorg, isbn 90 352 2474 4.prijs €9.50

    Feiten
    · In Nederland wonen ruim 100 duizend mensen met een verstandelijke handicap.
    · Eenderde van hen leeft in een instelling en 17.500 verstandelijk gehandicapten wonen in gezinsvervangend tehuis.
    · Binnen de verstandelijk gehandicaptenzorg zijn 100 duizend mensen werkzaam.

     

    ‘Verpleegkundige wil niet als kneus overkomen’ Het Parool 6 -02-95

    Psycholoog bepleit opvang na schokkende voorvallen

    Verpleegkundigen maken vaak ingrijpende gebeurtenissen mee waartegen ze niet zijn gewapend. Psycholoog Huub Buijssen schreef er een boekje over: Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – als je beroep een nachtmerrie wordt. Bij de beroepsgroep is het enthousiast ontvangen. Eindelijk erkenning.
    Door ROELFIEN SANT

    DEN DOLDER – ‘Het is mijn laatste avond van de nachtdienst. Om half drie schiet me plotseling te binnen dat ik nog niet naar het lek in de kelder ben geweest. De kelder heeft een zijdeur waardoor de bewoners na elf uur het verpleeghuis binnen kunnen komen.’ (…) ‘Als ik de kelder binnen ga, voel ik plotseling dat er iemand achter me staat. Voordat ik om kan kijken pakken twee handen me beet. Mijn eerste gedachte is dat het een collega is die een grap uithaalt. Ik kijk schuin over mijn schouder en zie een vrij grote, blonde man. Ik schrik enorm. Puur uit angst geef ik een keiharde gil. De man verslapt zijn greep, ik ruk me los en zet het op een lopen. Ik neem de trap en ren de eerste verdieping. Ik ben gepakt, er was iemand in de kelder, breng ik met moeite uit tegen het nachthoofd.’ “Deze traumatische ervaring heeft eigenlijk niks met het vak te maken.” Zegt Buijssen. “Verpleegkundigen in grote verpleeghuizen of psychiatrische inrichtingen hebben steeds vaker te maken met insluipers. Maar er was meer. Deze vrouw is hierdoor totaal van slag geraakt.” “Ze stuurt de ondernemingsraad een briefje met voorstellen voor extra beveiliging en wil, omdat er allerlei verhalen over het incident de ronde doen, een verslag schrijven in het mededelingenblad van het verpleeghuis. De directie verbiedt het. De leiding wil het voorval, dat vier maanden eerder plaatsvond, niet weer alle aandacht te geven. Het slachtoffer voelt zich hierdoor onbegrepen en geïsoleerd. Ze zoekt en vindt na vierteen maanden een andere baan. Maar de gebeurtenis blijft haar achtervolgen. Na vier jaar is ze er nog niet overheen.”

    Huub Buijssen werkt bij de H.C. Rümke Groep in Den Dolder met psychiatrische patiënten. Daarvoor was hij onder meer werkzaam als psycholoog bij de kruisvereniging in Breda. “Als verpleegkundigen hun vak goed willen doen, moeten ze hun emotie niet wegdrukken. Je moet je in de patiënt kunnen verplaatsen. Maar als je je gaat inleven ga je ook een beetje van ze houden. Dat maakt je enorm kwetsbaar. Verpleegkundigen hebben het meest met de patiënt te maken. Bijna niet een verpleegkundige heeft een rimpelloos verleden.” “Verpleegkundigen hebben meer dan anderen te maken met mensen in een kritieke situatie in hun leven. Je kunt hun in de opleiding voorbeelden geven van wat anderen is overkomen en vertellen wat ze moeten doen als een collega of zijzelf iets aangrijpends meemaken.” “Het wezen van een trauma is dat er twee sterke krachten opgang komen: de beelden van het gebeurde die zich aan je opdringen en de kracht die beelden te willen verdringen. Die laatste kracht is het sterkste en wint het vaak als de omgeving bepaalde signalen niet opvangt. Bij de verpleegkundigen is er vanaf het begin van de opleiding ingestampt dat ze er zijn voor de patiënten. Dat maakt het moeilijk voor jezelf op te komen, helemaal als het gedrag van een patiënt de oorzaak is van je ellende.” In 1992 werd in Amsterdam het derde wereldcongres gehouden over traumatische gebeurtenissen. Buijssen woonde dat bij als freelance korpspsycholoog van de gemeentepolitie Breda. “Er waren voordrachten over traumatiserende ervaringen van brandweerlieden, politiemensen, treinmachinisten, reddingswerkers, soldaten, maar niet over verpleegkundigen. Dat verbaasde me. Ik heb toen in Verpleegkundige Nieuws een artikel over het onderwerp geschreven. Daarop kwamen zoveel reacties dat ik besloot er een boekje over te maken.” Buijssen is nu bezig een zelfde soort boekje te schrijven, maar dan voor artsen. “Het was niet zo eenvoudig om aan praktijkverhalen te komen. In de medische wereld praat men niet graag over wat er fout gaat. Het blijkt voor verpleegkundigen heel moeilijk om uit de anonimiteit te treden. Sommigen waren bang voor problemen met hun werkgever. Praten over schokkende gebeurtenissen wordt door de leiding van de instellingen vaak gezien als de vuile was buiten hangen.”

    “De meeste verpleegkundigen die ik sprak wilden niet meewerken omdat ze zich schaamden over wat hun was overkomen. Die schaamte kon zelfs niet weggenomen worden als ik toezegde hun naam niet te vermelden en enkele basisgegevens te veranderen om zo de kans op herkenning tot een minimum te beperken.” “Bij banken, bij de politie, kortom in tal van organisaties is een beleid ontwikkeld voor de opvang van personeel dat geconfronteerd is met een schokkende gebeurtenis. Bij gezondheidsinstellingen ontbreekt dat grotendeels. Voor een deel heeft dit te maken met de verzwegen opvatting binnen deze instellingen dat verpleegkundigen bestand dienen te zijn tegen schokkende gebeurtenissen en anders niet geschikt zijn voor het vak.” “Het is al te optimistisch gedacht dat verpleegkundigen zelf aan de bel trekken als ze psychisch in de knel zitten. Uit onderzoek blijkt dat juist de personen die er slecht aan toe zijn geen hulp vragen. Veel verpleegkundigen zijn bang voor kneus of softie te worden uitgemaakt. De belangrijkste reden voor hun zwijgen is echter dat ze schrikken van hun eigen gevoelens. Ze herkennen zichzelf niet meer.” Buijssen pleit voor een betere voorlichting en voor speciale opvangteams in de instellingen. “Het probleem is dat opvangteams geld kosten. Op de leden zal ook buien diensttijd een beroep worden gedaan. Dat moet gecompenseerd worden in tijd of geld, en financiële speelruimte is er bij de gezondheidsinstellingen niet.”

    H. Buijssen: Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – als je beroep een nachtmerrie wordt, uitgeverij De Tijdstroom, ƒ24,50.

    ‘We willen ze toch niet vastbinden?!’ Utrechts Nieuwsblad, 30 oktober, 2003

    Utrechts Nieuwsblad, 30 oktober, 2003

    Door Heleen de Bruijn

    Utrecht. ‘Je voelt altijd de verantwoordelijkheid’ zegt voorzitter Koos Thijs van de ondernemingsraad van Stichting Reinaerde. Thijs werkt al 26 jaar in de zorg en is ook als begeleider op een groep begonnen. Hij weet als geen ander dat een ongeluk zomaar gebeurd kan zijn.

    ‘Ik ging eens boodschappen doen met drie kinderen van mijn groep, waarvan we dachten dat dat goed kon. Steekt er plotseling toch eentje zomaar een drukke weg over, terwijl ik hand-in-hand met de andere twee stond. Gelukkig liep het goed af, maar het had ook mis kunnen gaan. Hoe goed je dingen vooraf ook regelt, je kunt altijd in een situatie komen dat je denkt: oeh, dit had zomaar fout kunnen gaan.’En als het dan echt fout gaat, dan is dat een enorm drama, meent Huub Buijssen, psycholoog en traumadeskundige. Ook voor de begeleidster die afgelopen zondag in zorginstelling Dennendal een verstandelijk gehandicapte vrouw in bad deed, liet haar even alleen. Toen ze terug kwam, bleek de 55-jarige gehandicapte vrouw verdronken’. ‘Feitelijk kun je in dit soort situaties spreken van meer slachtoffers: de overledene en haar nabestaanden, maar ook de begeleidster zelf. Het is de nachtmerrie van artsen en alle anderen die in de zorg werken. Als zij een fout maken, kan die fataal zijn. En dat is de ergst mogelijk straf voor degene die daarvoor voor verantwoordelijk is, ongeacht of hij er schuld aan heeft of niet.’

    Buijssen schreef een boek over de ervaringen van artsen die medische fouten maakten, en vorig jaar een boekje over ervaringen van mensen die werken met verstandelijk gehandicapten. ‘Voordat ik die boeken schreef, dacht ik dat bijvoorbeeld artsen die fouten maakten, gewoon nalatige artsen waren. Maar ik kwam erachter dat 95 procent van de artsen die fouten maakten, juist hele vakbekwame mensen waren.’ Waarmee hij maar wil zeggen dat iedereen die met mensen werkt, fouten kan maken, die helaas soms fataal kunnen zijn.
    ‘Als artsen of verzorgers fatale fouten hebben gemaakt, lijden ze daar ontzettend onder, slapeloze nachten hebben ze er van. En het kan ze jarenlang achtervolgen. Ook al weten ze misschien dat ze er niet echt iets aan hadden kunnen doen. De betrokkene wordt opgezadeld met een enorm schuldgevoel. 1 op de vier mensen die iets dergelijks overkomt kan daar nog jaren last van hebben, ze worstelen ermee, hun leven wordt erdoor beheerst. Juist omdat het mensenwerk is, vindt de psycholoog het niet zo gek dat ook in zorginstellingen wel eens van dit soort ongevallen gebeuren. Het gebeurt namelijk overal. Verdrinking staat in de top vijf van doodsoorzaken. Bij kinderen is verdrinking zelfs doodsoorzaak nummer 1. Je kunt het dus niet altijd voorkomen, hoe dramatisch het ook is. Als je dat wel wilt, moet je een dusdanig strak beleid voeren voor de begeleiding van verstandelijk gehandicapten, dat je ze alle vrijheid ontneemt. Maar we willen ze toch niet vastbinden? Je moet dus een balans zien te vinden tussen een zekere mate van veiligheid en van vrijheid.’

    ‘Het trauma, een normale reactie op een abnormale gebeurtenis.’ Haagse Courant, 4 januari 2000

    Traumaverwerking krijgt steeds meer aandacht in de zorg
    Het trauma, een normale reactie op een abnormale gebeurtenis
    door Hans Geluk

    Het kan iedereen in de zorg overkomen: je krijgt te maken met een agressieve patiënt, de zelfdoding van een patiënt of de dood van een kind. Zulke ervaringen kunnen je aangrijpen, je bent er dag en nacht mee bezig. Anders gezegd: je hebt een psychotrauma. Belangrijk is dat dergelijke schokkende gebeurtenissen verwerkt worden. Als dat niet gebeurt, bestaat de kans dat er psychische en/of lichamelijke klachten optreden en dat je, in het ergste geval, moet stoppen met werken.

    Ze had het klepje van de couveuse open laten staan. Het afdelingshoofd was haar woedend komen halen en had haar met de neus op de feiten geduwd: het baby’tje had uit de couveuse kunnen vallen. Deze gedachte kreeg ze niet meer uit haar hoofd. Het werd zelfs zo erg, dat ze overwoog te stoppen met haar werk als verpleegkundige. Dit is slechts één van de vele praktijkvoorbeelden, geschetst door klinisch psycholoog Huub Buijssen. Vijf jaar geleden publiceerde hij het boek Traumatische ervaringen van verpleegkundigen, het eerste ter wereld over trauma’s in de zorg. Voor die tijd was dit onderwerp eigenlijk nauwelijks bespreekbaar. Terwijl opvangteams voor traumaverwerking in sectoren als politie en brandweer allang ingeburgerd waren, bleef in de zorg de gedachte heersen dat trauma’s bij zorgpersoneel eigenlijk niet zo vaak voorkwamen. Buijssen: “Trauma’s werden door organisaties als uitzonderlijk gezien. Daar kwam bij dat degenen die een trauma hadden opgelopen, zich daar vaak voor schaamden of een schuldgevoel hadden en er dus niet over spraken.”

    Buijssens boek en een onderzoek van Nu’91, de vakbond voor verpleegkundigen, zorgden ervoor dat traumaverwerking in de zorg op de politieke agenda kwam. Uit het onderzoek onder vijfhonderd zorgverleners bleek, dat meer dan de helft tobde met een traumatische ervaring. Er werden vragen over gesteld in de Tweede Kamer, waarna stappen werden genomen om traumaverwerking in de CAO voor de zorg op te nemen.

    Opvangteams
    Veel zorginstellingen zetten zich momenteel actief in om personeel te helpen met het verwerken van een schokkende gebeurtenis. Er worden opvangteams geformeerd en leidinggevenden krijgen cursussen. Zo ook in het Haagse Bronovo Ziekenhuis. De Tilburgse psycholoog Huub Buijssen gaf daar voorlichting over trauma’s aan de medewerkers. Erik Veltman van de afdeling P&O: “Huub Buijssen heeft hier op een voorlichtingsdag voor alle medewerkers verteld wat een trauma is en hoe je ermee kunt omgaan. Na deze dag merkten we al dat het onderwerp bij veel mensen leeft. Er kwamen veel reacties op. De behoefte aan een opvangteam is relatief groot bij mensen van de praktijkopleiding. Dat zijn mensen van 16, 17 jaar die net van de middelbare school afkomen en hier opeens geconfronteerd worden met sterfgevallen of agressie. Dan is het goed als ze er met mensen over kunnen praten die daar voor getraind zijn.”

    Normale reactie
    Die trainingen geeft Huub Buijssen. Hij vertelt: “Ik leer de mensen van een opvangteam onder andere hoe je een gesprek opent, hoe je een psychotrauma signaleert, welke vragen je moet stellen en welke juist niet en hoe je informatie samenvat. Vooral dat laatste is belangrijk. Het leven van iemand die een trauma heeft, staat volledig op zijn kop. Je moet dus orde scheppen in de chaos en dat doe je door de betrokkene te helpen alles op een rijtje te zetten.”

    De Tilburgse psycholoog benadrukt dat het oplopen van een trauma daarmee niet voorkomen kan worden. “Een trauma is een normale reactie op een abnormale gebeurtenis. Ik vergelijk een trauma wel eens met verliefdheid: de hele wereld staat op z’n kop en het is één grote chaos. Je leven is ontregeld, je bent in de war en je denkt er constant aan. Vooral de eerste dagen zijn heel heftig. Het is belangrijk dat mensen weten dat ze een natuurlijk proces doormaken en dat hun reactie normaal is. Dan zullen ze eerder aankloppen voor hulp.”

    Het trauma verwerken is heel belangrijk. Gebeurt dat niet, dan kunnen er lichamelijke klachten als hoofdpijn en rugpijn ontstaan. Daarnaast kan een onverwerkt trauma leiden tot slapeloosheid, concentratieverlies, en prikkelbaarheid. Uiteindelijk kun je al het plezier in je werk verliezen.

     

    Als je beroep een nachtmerrie wordt – Zaanse krant

    Door Patricia van der Zalm

    Herhaaldelijke confrontatie met pijn, ellende en dood wordt in de verpleging gezien als beroepsrisico. Je moet er maar tegen kunnen, anders lijk je niet geschikt voor het vak. “Maar angst, schaamte mislukking, schuld, paniek en verdriet zijn voltrekt normale reacties op abnormale belevenissen”, vindt de Utrechtse psycholoog Huub Buijssen. Over emotioneel schokkende gebeurtenissen binnen de ziekenhuismuren schreef hij het indringende boekje ‘Traumatische ervaringen van verpleegkundigen’ met de veelzeggende ondertitel ‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’.

    Nooit eerder meent Buijssen – werkzaam bij de Rümke Stichting in Den Dolder – is er een beeld geschetst van wat verpleegkundigen (en artsen) in hun werk moeten meemaken. De emotionele zwaarte van het beroep is nooit eerder onderzocht, laat staan op schrift gesteld. Terwijl voor aanpalende ‘trauma- beroepen’ als politieman/vrouw, brandweerman/vrouw en treinmachinist (vanwege zelfmoordenaars die voor de trein springen) al jarenlang hulp en opvang is geregeld. Het is hoog tijd, vindt Buijssen, om ook verpleegkundigen praktische trainingen en spoedcursussen te geven. “Daarmee laat je als leiding van een zieken- en verpleeghuis zien dat je het belangrijk vindt en dat je het beroep en de medewerkers serieus neemt.” In ziekenhuizen blijkt over het algemeen weinig aandacht te zijn voor de emotionele zwaarte van het beroep van verpleegkundige, verzorgende en arts. Een kwestie van traditie, lijkt het.

    Bang
    “Lijden en dood, daar word je geacht tegen te kunnen. Maar als een psychiatrische patiënt je bijna wurgt, kun je je daar moeilijk op voorbereiden. Dan moet je heel sterk in je schoenen staan of heel onverschillig tegenover je leven. Verpleegkundigen zijn vaak beschroomd om te vertellen dat ze totaal van de kaart zijn, bang om erop te worden aangekeken, bang om er niet meer bij te horen, bang om te falen.”

    “Daarom proberen zo vaak eerst met zichzelf in het reine te komen. En juist dan kan het goed mis gaan. Volstrekt normale reacties overigens op abnormale gebeurtenissen. “Traumatische incidenten zijn volgens Buijssen bedreigend ‘want ze raken direct je eigen angsten, zeker als het kinderen betreft’. Het is niet per definitie de ingrijpende gebeurtenis die traumatiseert, maar vooral de situatie waarin die zich voordoet. “Van twee mensen die met een griepbacil in aanraking komen, krijgt de een griep, de andere niet. Hoe en trauma aankomt, hangt af van de persoon, de omstandigheden, de reacties van de omgeving en de opvang.”

    Dat brengt Buijssen op de onbewust motieven om een bepaald beroep, bijvoorbeeld de verpleging te kiezen. “Een tekort aan aandacht en interesse als kind of een nare gebeurtenis van vroeger is voor sommigen juist reden om later voor de verpleging te kiezen. Ik ken een gezin waarin de vader last had van epileptische aanvallen; voor kinderen kan dat heel beangstigend zijn. Drie van de vier kinderen uit dat gezin zijn, toeval of niet, in de verpleging gegaan. Een verpleegkundige wiens moeder vroeger zelfmoord heeft gepleegd, kan bij een soortelijke situatie in zijn werk finaal instorten. Ineens kan het te veel zijn.”

    In het verlengde ligt: iemand die als kind is mishandeld, kan een partner kiezen die hetzelfde doet. “Het is spannender en vooral een manier van verwerken van vroeger leed: als ik die partner verander, krijg ik grip op mijn eigen verleden. Pathologische (partner -of beroeps) keuze heet dat. Maar meestal werkt dat niet.” In Nederland werkt ongeveer een kwart miljoen mensen in de gezondheidszorg. Traumatische gebeurtenissen liggen op de loer. In het boek vertelt iemand hoe een ernstig zieke patiënt er ondanks de veelvuldige controles toch in slaagde zich in de badkamer de hals door te snijden. Tijdens die controles bezorgde de man de verpleegkundige’ een heel vreemd gevoel. Hij is niet verward of onrustig, maar juist heel kalm en berustend’, reden om elk kwartier te gaan kijken. De personeelsbezetting is die nacht minimaal, de telefoon gaat, de patiënten moeten tegen het ochtendgloren gewassen worden en die aandacht voor ‘ meneer T,’ verslapt even. Dan gaat het ineens snel. De verpleegkundige trekt de badkamerdeur open en kijkt recht in het gezicht van meneer T.’ We kijken elkaar aan maar hij ziet me niet. Hij hangt op de wc, want zitten kun je het niet noemen. Hij is naakt en zit helemaal onder het bloed’. Hij overlijdt. De dienstdoende chirurg reageert: ‘Hoe hebben jullie zoiets nou kunnen laten gebeuren? Dat noemt zich dan verpleegkundige’. Ze hield een dagboek bij. ‘Woensdag 5 september 1991. Help! Vanochtend heb ik een patiënt dood laten gaan. (..) Het is mij schuld. Het was mij patiënt. Hoe moet ik mezelf verantwoorden? (..) Oh God, ik ben zo bang voor de afdeling, de patiënten. Kan ik het werk nog wel aan?’ ‘Dinsdag 11 september 1991. Uit de autopsie is gebleken dat de heer T. is overleden ten gevolge van het ongeval. (…) Ik heb vanmiddag het schaartje gevonden. Ik heb het met een pincet in een envelop gedaan. Er mochten geen vingerafdrukken van mij op komen. Ik heb het goed verborgen want het is bewijsmateriaal. Word ik nu echt gek?’ De opvang is niet moeilijk, vindt Buijssen. “Maar het moet wel geregeld worden. Voorwaarde is dat een afdelingshoofd begrijpt waar het over gaat. Er moet geen sfeer heersen waarin gevoelens als gezeur worden afgedaan. Je zou trouwens zeggen dat verpleegkundigen goed getraind zijn in gesprekstechnieken, maar ze vragen niet door. Ze willen juist helpen, niet confronteren.”

    ‘Traumagesprek’
    En toch: dezelfde energie die wordt gestoken in goed bedoelde opmerkingen als ‘het leven gaat door, kop op, het slijt wel’ kan net zo goed worden gebruikt om te vragen: ‘vertel eens wat je dwars zit’, vindt Buijssen. “Bij psychisch lijden wordt vaak om de pijn heen gedraaid. Maar als iemand een doorligwond heeft, behandel je toch die wond en niet zijn tenen?” Dus waarom geen ‘traumagesprek’ voeren in plaats van een gesprek vol troostende woorden die niet echt helpen?

    “Liefst binnen 24 uur, ook als iemand in een shock verkeert. De essentie van een trauma is dat twee tegenpolen om voorrang strijden: de beelden van wat er is gebeurd en de wens om die beelden te verdringen. Als er niet snel over wordt gepraat is de kans groot dat iemand het voorval gaat verdringen, dat de beelden vervagen maar niet verdwijnen. Vertellen, dus. Zeker een keer het hele verhaal, maar liefst heel vaak. Anders is het gevolg: slecht eten, slecht concentreren, slecht slapen. Een trauma lijkt wat dat betreft op een hevige verliefdheid.”

    Illustratief is het volgende voorbeeld uit het boek. Een verpleegkundige, betrokken bij een hartstilstand van een patiënt en vergeefs herstellen van het hartritme (‘de man had van de ingreep zelfs brandwonden op zijn borst gekregen en vroeg: ‘alstublieft zuster, niet meer doen’, maar ik ging door; ‘het moet echt, meneer, voor uw eigen bestwil’) had wel door de grond willen zakken toen ze later de hevig huilende echtgenote van de overleden patiënt zag. ‘Op dat moment wenste ik dat de grond zich voor mijn voeten zou openen zodat ik kon verdwijnen. Want het was mijn schuld. Er gebeurde iets in me; ik verstarde. Ik heb er niet meer over gepraat, jarenlang niet. (…) ik heb maandenlang nachtmerries gehad; het was iets dreigends maar ik kon het nooit in beelden pakken. Ik werd altijd drijfnat en met hartkloppingen wakker.’

    ——————————————————————————–

    Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt, Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht, f24,50

    ‘Er veel over praten is niet altijd het beste’ Medewerkerskrant ziekenhuizen, nr 3, 2003

    Medewerkerskrant ziekenhuizen, nr 3, 2003

    Opvang na een traumatische gebeurtenis
    ‘Ook al denken mensen vaak van wel: er veel over praten is niet altijd de beste vorm van trauma-opvang. Ieder mens is verschillend. Goede opvang sluit aan bij de behoefte van slachtoffers’, vindt Huub Buijssen, klinisch psycholoog en gespecialiseerd in trainingen collegiale traumaopvang in de ziekenhuizen We praten met hem over traumaverwerking: wat is het en hoe kun jij helpen?

    Traumatische gebeurtenissen (ofwel: psychotrauma’s) zijn extreem, heftige gebeurtenissen die mensen enorm aangrijpen. Ze gaan gepaard met extreme angst, afschuw en machteloosheid. In een ziekenhuis loop je, afhankelijk van je beroep, een verhoogd risico er eens mee te maken te krijgen. De dood van een baby, een kind of een volwassene, het maken van een fatale fout, een mislukte reanimatie… Maar ook een mogelijke besmetting met het HIV- of hepatitisvirus, een suïcide, agressie of (bijna-)geweldsincidenten: het zijn allemaal voorbeelden van traumatische ervaringen in ziekenhuizen. Maak je het mee, dan ga je een afschuwelijke tijd tegemoet waarin je korte of langere tijd steeds geplaagd wordt door pijnlijke herinneringen aan het gebeurde en tegelijkertijd uit alle macht de herinneringen wilt wegstoppen (vanaf ‘waarin’ kun je ook schrappen, later noem je de symptomen nog eens) Maar jij kunt iemand vooruit helpen!

    Pas op met wroeten!
    ‘Lang en intensief praten of veel los willen maken. Het is niet altijd de beste methode om mensen vooruit te helpen’, stelt Buijssen vast. ‘Menigeen die net iets heel heftigs heeft meegemaakt wil, zeker in ‘t begin, vooral met rust gelaten worden. Dat krijgt die persoon niet zodra jij het incident meteen weer ter sprake brengt. Eigenlijk verleng je de pijnlijke ervaring, want je dwingt het slachtoffer de gebeurtenis te herbeleven op het moment dat hij alle zeilen bij moet zetten om psychisch overeind te blijven. Pas daarmee op; vooral bij kwetsbare mensen kan dit wroeten leiden tot meer schade dan geen opvang bieden, zelfs op de lange termijn!.’
    ‘Wil je een collega helpen, laat dan ook de natuur zijn werk doen’, zo adviseert Buijssen. Een psychotrauma heeft drie kenmerken: herbeleving (de afschuwelijke film telkens opnieuw afspelen), verdringing van de ervaring (het bewust parkeren/er niet aan willen denken) en verhoogde waakzaamheid. Bij een goede balans tussen de eerste twee kenmerken komt iemand er weer bovenop. Bij 7 van de 8 mensen zijn deze twee van nature even sterk en zijn ze beurtelings de baas. Dat is dan ook de reden dat je als collega vooral moet zien in te spelen op de behoefte van het slachtoffer. Loop niet sneller dan de ander. Laat iemand zijn eigen tempo bepalen en zijn eigen manier van verwerken.

    Tips om je collega er bovenop te helpen
    Toon medeleven. Na een afschuwelijke ervaring heeft een mens eerst en vooral behoefte aan een gevoel van betrokkenheid. Laat je collega dus merken dat je er voor hem/haar bent. Dat kan door een blik van verstandhouding, een schouderklopje, een sms-je, een gesprek.
    Bied in ‘t begin vooral praktische steun. Vraag of je iets kunt doen, kunt regelen. Ook zo geef je iemand blijk van betrokkenheid. Praktische begeleiding is voor velen in eerste instantie belangrijker dan emotionele opvang (gesprekken voeren over het incident). Sterker nog: het eerste is de voedingsbodem waarop de laatste gedijt.
    Leg je eigen verwerkingsstijl niet op aan je collega. Wat goed is voor jou, is niet altijd goed voor een ander. Mensen verschillen. Zo wil jouw collega misschien eerst in stilte het gebeurde verwerken. Of zoekt hij/zij gezelschap op het tijdstip dat jij je zou uitleven met sporten. Respecteer die eigen manier van je collega.
    Zeg niet teveel. Vraag niet teveel. Laat iemand tot rust komen. Te intensieve opvang, hoe lief bedoeld ook, is vaak verkeerd. Eigenlijk zijn maar twee vragen relevant: ‘wat kan ik voor je doen?’ En ‘waar heb je behoefte aan?’. Ga vooral niet wroeten en praat alleen over het incident als je collega het wil.
    Onderschat de weerbaarheid van je collega niet. Duw iemand niet te veel in de slachtofferrol en maak geen drama van het gebeuren. Een belangrijke motor voor herstel is de wetenschap dat je er weer bovenop zult komen. Wek die indruk.
    Geen vooruitgang? Schakel professionele hulp in. Als het goed is, zijn de symptomen van een psychotrauma na 1,5 tot 2 maanden verdwenen.


    Tips ontleend aan:

    Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt., Elsevier Gezondheidszorg, Maarssen 2002 (3 editie)

    ‘Leerling-verpleegkundige in WAO na reeks traumatische ervaringen.’ Drentsche Courant, 15 juli 1999

    Leerling-verpleegkundige in WAO na reeks traumatische ervaringen:
    Ik ben slecht opgevangen door het ziekenhuis

    Van onze verslaggeefster Daniëlle Molenaar

    Beilen – De 25 jarige Lara Jansen uit Beilen is absoluut niet de enige (leerling-) verpleegkundige die in de problemen komt door een traumatische ervaring tijdens het werk. „Ik besef terdege dat bepaalde gebeurtenissen bij het werk van een verpleegkundige horen. Het is niet te voorkomen dat je met sterfgevallen of vervelende patiënten te maken krijgt”, zegt Lara Jansen. „Ik vind alleen dat verpleegkundigen tijdens de opleiding slecht worden voorbereid op dit soort aangrijpende momenten. Ook is er in veel ziekenhuizen nauwelijks tijd of aandacht voor de opvang van verpleegkundigen die een traumatische ervaring hebben gehad.” Lara Jansen ondervond dit gedurende haar vierjarige opleiding in een groot Drents ziekenhuis aan den lijve. Ruim drie jaar na dato heeft ze nog steeds moeite om er over te praten.

    Boek
    „Slechts weinig mensen in m’n omgeving weten wat me is overkomen. Daarom wil ik niet met mijn echte naam in de krant. Ik vertel m’n verhaal in de hoop anderen ermee te kunnen helpen. Om die reden heb ik ook meegewerkt aan het boek.” De verschillende ervaringen van Lara staan in het boek in twee verhalen verwerkt. Naast de Drentse vertellen ruim twintig verpleegkundigen over de meest uitlopende schokkende gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt tijdens hun werk in het ziekenhuis.

    Seksueel
    Het verhaal van Lara speelt zich af in een groot ziekenhuis in Drenthe. De leerling-verpleegkundige beschrijft hoe ze, ongeveer twee jaar na de start van haar opleiding, in korte tijd door verschillende patiënten seksueel wordt lastig gevallen. Lara: „Het eerste voorval speelt zich af in de badkamer als ik een mannelijke patiënt help uitkleden voor het douchen. Hij zit op de douchestoel en ik zit op de hurken als hij een erectie krijgt. Ik schrik, maar ga gewoon door met mijn werk. Dan zegt ie: ‘Die is voor jou hoor.’ Ik doe alsof ik niets heb gehoord. Hij reageert daarop door mijn gezicht naar voren te duwen. Ik ruk mezelf los en val achterover op de grond.” De leerling-verpleegkundige trekt vervolgens aan de noodbel, maar daarop reageert alleen haar eigen pieper. „Omdat ik om medische redenen de patiënt niet alleen achter mag laten, doe ik de deur open en vraag ik de eerste beste verpleegkundige die ik zie om even op te letten. Ik ga weg en kom niet meer terug..” Lara krijgt hiervoor een fikse reprimande van het afdelingshoofd. „Niemand heeft me gevraagd waarom ik zomaar ben weggelopen. Daar durfde ik er niets over te zeggen.”

    Reacties
    Korte tijd later heeft Jansen nog twee soortgelijke ervaringen. De druppel die uiteindelijk de emmer doet overlopen, zijn vervelende reacties van collega’s na een reanimatie. „Ik liep al op m’n tenen en kon weinig meer hebben. Niemand wist wat me was overkomen. Als ik erop terugkijk vind ik dat nog het ergste, dat ik er nooit met iemand van het ziekenhuis over heb kunnen praten.” Lara hoopt ooit haar opleiding nog te kunnen afmaken. „Ik doe nu ander werk. Maar mijn hart ligt bij het beroep van verpleegkundige, ik ben er echter nog niet aan toe om de opleiding weer op te pakken.”

    ,Opvang personeel beter geregeld’
    ASSEN- Uit een onderzoek van de vakbond NU’91 onder vijfhonderd verpleegkundigen blijkt dat meer dan de helft in de afgelopen vijf jaar een schokkende ervaring heeft gehad. Sterfgevallen, met name die van kinderen, ervaren de ondervraagden als het meest aangrijpend. Ook het foutief handelen van een arts en mislukt reanimatie hebben een grote impact op verpleegkundigen. Uit het onderzoek blijkt verder dat tweederde van de verpleegkundigen na een traumatische ervaring opgevangen is door collega’s Slechts 15,4 procent van de ondervraagden geeft aan dat er in zijn of haar ziekenhuis een opvangprotocol is. Nu’91 en de andere vakbonden in de zorg hebben begin deze maand met de werkgevers in de ziekenhuizen een principeakkoord bereikt over een nieuwe CAO. Afgesproken is onder meer dat er in de CAO een tekst wordt opgenomen over de opvang van personeel na een traumatische gebeurtenis. De werkgevers hebben toegezegd dat in het ziekenhuis wezen de opvang beter wordt geregeld. In de instellingen zal in de toekomst een soortgelijk opvangprotocol als bij de politie, brandweer en de Nederlandse Spoorwegen, worden gehanteerd.

    Het boek
    Geschokt: Indringende ervaringsverhalen van verpleegkundigen, van Huub Buijssen 
    is verkrijgbaar bij uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom, Maarsen.

    ‘Misplaatste flinkheid breekt verpleegkundige op.’ De Volkskrant, 12 juli 1999

    Van onze verslaggeefster
    Ellen de Visser
    UTRECHT

    Verpleegkundige Mathilde Bos had nog nooit een dode gezien toen ze vlak na haar diplomering op een psychiatrische afdeling ging werken. Tijdens een van haar eerste nachtdiensten kwam ze voor een gesloten douchedeur te staan. De douche liep, ze wist meteen dat er iets ernstig mis was. Een patiënt bleek zich te hebben opgehangen aan de ceintuur van zijn ochtendjas. Toen ze de deur opende, lag hij in zijn strop. Ze maakte de reeks nachtdiensten af en vroeg daarna overplaatsing aan naar een andere afdeling. Sindsdien heeft ze nooit meer een nachtdienst gedraaid. Met haar collega’s sprak ze niet over de reden van haar vertrek. Nu, vijftien jaar later, heeft ze nog altijd last van de gebeurtenis. ‘Ik herinner me nog de paniek voor de deur.’ Wijkverpleegkundige Renze Vink werkte al een paar jaar op een consultatiebureau toen ze een op het eerste gezicht gezonde baby onder ogen kreeg. De moeder maakte zich ernstig zorgen, Vink stelde haar gerust. De volgende dag overleed het kind. ‘Ik heb echt niet gezien dat de baby ziek was’, zegt ze. ‘En toch voelde ik me zo schuldig. Hoe kon ik mijn eigen ogen nog geloven?’ ze stuurde de ouders een condoléancebrief, maar zij wilden haar niet zien. Een week later diende ze haar ontslag in. Misplaatste flinkheid. Zo karakteriseert beleidsmedewerker M. Bogers van vakbond Nu91 de beroepshouding van verpleegkundigen. ‘Even naar de wc om uit te huilen en dan diep ademhalen en verder. Ze eisen van zichzelf dat ze snel de draad weer oppakken.’ Uit een enquête van Nu91 blijkt dat velen daar moeite mee hebben.

    Een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om een traumatische gebeurtenis achter zich te laten. Zij lijden vaak aan een posttraumatische stress-stoornis. De nazorg is gebrekkig: de verpleegkundige moet meestal na een kop koffie en een sigaret weer aan het werk. Bogers: ‘Het idee heerst nog altijd dat emotionele gebeurtenissen nu eenmaal bij het vak horen en dat verpleegkundigen daar maar tegen moeten kunnen.’ Ook de werkdruk speelt een rol. De tijd ontbreekt vaak om rustig met een collega te praten. ‘Het circus draait door’, zegt Bos. ‘Voor collega’s is het een incident. Bij jou zit het in je lichaam.’ De reactie op een trauma is volgens Vink des te heftiger als een verpleegkundige het gevoel heeft een fout te hebben gemaakt. ‘Een ambulancebroeder mag emotioneel reageren na een mislukte reanimatiepoging. Maar wat moet een verpleegkundige die vergeet het bedrek omhoog te doen waardoor een patiënt uit bed valt, of die een tienvoudige dosis inspuit? Dat is pijn waar niet mee valt te scoren. En dat is waar verpleegkundigen zo bang voor zijn. Maar je bent God niet, het gebeurt.’ Vink werd na haar gemiste diagnose door de thuiszorginstelling ontboden. De ouders hadden een rechtzaak aangespannen, Vink kreeg zwijgplicht opgelegd en wil dan ook niet met haar echte naam in de krant. ‘Ik zie de manager nog woedend en met opgeheven wijsvinger voor me staan. Jij hebt geen fout gemaakt, riep ze. Dat heeft me erg veel pijn gedaan. De organisatie moet achter je staan, vragen hoe het met je gaat, en niet uit angst voor de goede naam je fout ontkennen.’

    Hoe heftig de ervaringen van verpleegkundigen zijn, blijkt uit de verhalen die klinisch psycholoog Huub Buijssen heet vermeld. Verpleegkundigen schreven hem over de meest uiteenlopende onderwerpen: het sterven van een kind, zelfmoord, agressie van patiënten, de eerste keer een overledene afleggen, alleen in de lift met een patiënt die bijna stikt, in het holst van de nacht met een lijk naar het mortuarium. Buijssen stelde samen met een verpleeghulp Suzanne Buis vier boeken samen over het onderwerp. Geschokt (over de somatische zorg) en Geraakt (over de psychiatrie) verschenen vorige maand (Elsevier/ De Tijdstroom; ƒ19,60 en ƒ16). De verhalen uit de thuiszorg en de geestelijke gezondheidszorg worden binnenkort gebundeld. Vooral leerling-verpleegkundigen zijn kwetsbaar, weet Buijssen. ‘Ze worden op jonge leeftijd met dingen geconfronteerd die een ander pas veel later of helemaal niet meemaakt.’ Hij pleit voor extra aandacht in de opleiding. Leerlingen worden nu nauwelijks voorbereid op indringende gebeurtenissen. Bos is sinds een aantal jaren docent aan een hbo-v. Ze heeft voor haar leerlingen een les samengesteld over traumatische ervaringen. ‘Ik beschouw het als mijn missie. Leerlingen reageren vaak angstig als ze zich realiseren wat ze kunnen meemaken. Ik vertel dat ze veel kunnen hebben, als ze maar op de juiste manier met heftige gebeurtenissen omgaan. ‘Openheid is het sleutelwoord. Zorg dat je blijft praten, tot lang na het incident. Je weet van jezelf vaak niet hoe je reageert op een trauma. De reactie komt vaak later. Dat kun je nog weleens akelig verrassen.’

    Helft verplegers heeft traumatische ervaring
    Ruim de helft van de verpleegkundigen heeft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis meegemaakt, blijkt uit een onderzoek van Nu91, de beroepsorganisatie van de verpleging. Een op de vijf heeft na zo’n gebeurtenis serieus overwogen om uit het vak te stappen. Vooral leerlingen blijken kwetsbaar. Ruim 30 procent staakt de opleiding voortijdig. Volgens deskundigen zou dat vaak te maken kunnen hebben met trauma’s op het werk. Naar traumatische ervaringen in de gezondheidszorg is nog weinig onderzoek gedaan. Een paar jaar geleden werd een studie verricht naar agressie in de psychiatrie.

    Daaruit bleek dat ruim de helft van de personeelsleden in psychiatrische instellingen minstens een keer per jaar letsel op. Maar zelfs psychiatrisch verpleegkundigen – die vaker met geweld worden geconfronteerd dan politieagenten – worden op hun werk amper opgevangen. Uit de enquête van Nu91 blijkt dat slechts in 15 procent van de instellingen nazorg is geregeld. Daarmee loopt de gezondheidszorg ver achter bij andere beroepsgroepen. Voor politieagenten en brandweerlieden die een menselijk drama meemaken, machinisten die een ‘springer’ voor de trein krijgen en bankemployés die worden overvallen, is al jaren nazorg geregeld. Nu91 heeft tijdens de recente CAO-onderhandelingen met de ziekenhuizen invoering van een trauma-protocol geëist. De ziekenhuizen hebben toegezegd op korte termijn opvang en nazorg voor hun personeel te regelen.

     

    ‘Zorg voor stervenden: zoeken naar een balans’ Nederlands Dagblad, 28 maart 2003

     

    Nederlands Dagblad, 28 maart 2003

    Door Jan Willem Veenhof

    Mensen die werken in de palliatieve zorg (zorg voor stervenden), komen voortdurend in aanraking met de dood. Buitenstaanders vragen wel eens: ‘Hoe houd je dat vol?’. Om die vraag te beantwoorden is Einde Goed, Allen goed? verschenen, een boek met twintig praktijkverhalen. Het eerste exemplaar is ter gelegenheid van de Week van Palliatieve Zorg (22 t/m 29 maart) aangeboden aan André Rouvoet, kamerlid voor de ChristenUnie. Begin april krijgt koningin Beatrix een exemplaar op een internationaal congres over palliatieve zorg in Den Haag. Daarna zal het boek aan alle zorginstellingen in Nederland worden toegestuurd, dat kan dankzij een subsidie van het ministerie van VWS. Een greep uit de praktijkverhalen.

    De dokter, die zijn ‘peer group'(gespreksgroep van artsen) vertelt waarom hij zich zo uitgeput voelde nadat hij de stervensbegeleiding van een man met kanker in de liesstreek had afgesloten met een euthanasie:
    ‘Ik denk dat het de combinatie was van het erge lijden, zijn leeftijd net zo oud als ik, zijn kinderen net zo oud als de mijne, de gasten op zijn afscheidsfeestje en de confrontatie met de bizarre rol van ons dokters in dergelijke situaties. Het is ook steeds een beetje oefenen voor je eigen dood. Een situatie als deze roept direct vragen bij me op. Zou ik het ook zo kunnen, zo willen? Zou ik zulk lijden aankunnen, en zo de regie en verantwoordelijkheid voor mijn leven en sterven kunnen nemen? Zouden mijn vrienden er zijn? Zou mijn gezin dit aankunnen? Zijn wij dokters eigenlijk wel in staat anderen zo te vertrouwen dat we hen kunnen laten zorgen voor ons als het nodig is?’

    De verpleegkundige die in hospice Kuria wekelijks afscheid moet nemen van mensen:
    ‘In het hospice hebben we er bewust voor gekozen een ruime tijd voor de overdracht in te roosteren. Zodat er echt tijd gemaakt kan worden voor het bespreken van onderwerpen die verder gaan dan het overdragen van de feitelijkheden die ‘slechts’ medisch en verpleegkundig gezien relevant zijn. Het is natuurlijk een illusie te denken dat het zware, machteloze gevoel van de verpleegkundige onmiddellijk verdwijnt zodra daarover gesproken is, maar door het delen valt er veel van haar af.’

    De therapeut, die vindt dat je je bij stervende patiënten meer kunt engageren dan bij ‘gewone’ patiënten:
    ‘Ik doe dat bewust omdat ik hen zo beter denk te kunnen helpen. Stervende mensen kun je – dat is althans mijn opvatting – niet verder begeleiden dan je zelf hebt durven gaan in je eigen existentiële vragen. Door deze intensieve betrokkenheid heb ik het zelf, na het overlijden van degene die ik begeleidde, ook vaak moeilijk. Ik heb dat er echter graag voor over. Deze wijze van ‘werken’ geeft me de meeste bevrediging en voldoening, want ik meen dat het in de palliatieve zorg er juist om gaat jezelf te laten raken te willen leren van de ander. Door je hart zo open te stellen ontwikkel je kennis en wijsheid, maar voorkom je ook dat het werk routineus wordt. Dit helpt om ‘burn-out’te voorkomen. Of laat ik voor mezelf spreken: dit helpt mij om geen burn- out te ontwikkelen.’

    De onderzoeker, die met terminale longkankerpatiënten gesprekken had ten behoeve van een studie:
    Als ik nabestaanden de vraag voorlegde hoe de zorg aan longkankerpatiënten en hun familie verbeterd zou kunnen worden. Kreeg ik steevast te horen: ‘Iemand die er is. Naar je luistert en met je praat over wat er allemaal op je afkomt. Eigenlijk zo iemand als jij.’ Deze reacties gaven me inzicht: er was behoefte aan (een vast) iemand die er voor hen was, luisterde, belangstelling toonde, over tijd beschikte, die bij tijd en wijle erkende dat het moeilijk was en misschien wel juist niet te veel wilde doen en oplossen.’

    De verzorgende, die vaak gewoon niet wist wat ze moest zeggen tegen een stervende:
    ‘Waarom had ik tijdens de opleiding nooit geleerd hoe te praten met een stervende patiënt, heb ik me later vaak afgevraagd. Was hierover niets bekend?
    Vond men het niet belangrijk genoeg om hier aandacht aan te schenken? Ik heb ook mijn collega-verpleegkundigen gevraagd of zij hierover tijdens hun opleiding iets gehoord hebben. Nee, was hun antwoord. Wel was er aandacht geweest voor de verpleegtechnische aspecten (vochtinname, wondverzorging, voorkomen van doorliggen, enz.), maar niets over communicatie met stervenden, Jammer, heel jammer, want wanneer je je zo vreselijk opgelaten voelt bij de stervende dat je niets weer uit te brengen en de stervende daarom het liefst ontvlucht, dat sterft hij reeds voordat hij overleden is.

    De vrijwilliger, die namens de stichting ‘Thuis Sterven’ regelmatig waakt bij stervende patiënten:
    ‘Ik ga altijd op de fiets naar iemand toe. Dit geeft me de tijd en afstand om mezelf voor te bereiden op de komende ontmoeting. Het geeft me tegelijkertijd de mogelijkheid om na het beëindigen van mijn inzet weer de nacht los te laten, uit te waaien en te ervaren dat de wereld groter is dan de situatie waar ik uit kom. (…) Na het overlijden van de betrokkene hebben we met de coördinator en alle vrijwilligers die bij de inzet betrokken waren, een afrondende bijeenkomst. We hebben allemaal in dezelfde situatie een bijdrage geleverd en herkennen van elkaar de sfeer in dat huis. Ieders ervaring kan tijdens deze bijeenkomst een plekje krijgen.’

    Balans
    Zo veel mensen, zo veel verhalen. Maar toch is in al deze praktijkverhalen is een constante herkenbaar, stelt verpleeghuisarts Frans Baar. “Een worsteling, tussen de regels door, die de auteurs steeds weer hebben doorgemaakt om in de confrontatie met de ultieme kwetsbaarheid een goede balans te vinden tussen nabijheid en distantie.” Die balans handhaven, zo maken meer auteurs in het boek duidelijk, is alleen mogelijk als er ‘zorg is voor zorgenden’ en als deze zorgenden niet vergeten te ‘zorgen voor zichzelf. Een slothoofdstuk geeft een handreiking aan organisaties om het zoeken naar die balans in de praktijd van het werk mogelijk te maken, een belangrijk element daarbij is de frictie die optreedt in de combinatie werk en privé. Werkgevers zouden daarvoor volgens de auteurs (“in hun eigen belang”) meer aandacht moeten hebben.


    Huub Buijssen en Rob Bruntink, Einde goed, allen goed? Oog voor zorgenden in de palliatieve zorg., Uitgeverij De Stiel en TRED uitgeverij, ISBN 90 70 415 29 1, € 13,90