‘Het trauma, een normale reactie op een abnormale gebeurtenis.’ Haagse Courant, 4 januari 2000

Traumaverwerking krijgt steeds meer aandacht in de zorg
Het trauma, een normale reactie op een abnormale gebeurtenis
door Hans Geluk

Het kan iedereen in de zorg overkomen: je krijgt te maken met een agressieve patiënt, de zelfdoding van een patiënt of de dood van een kind. Zulke ervaringen kunnen je aangrijpen, je bent er dag en nacht mee bezig. Anders gezegd: je hebt een psychotrauma. Belangrijk is dat dergelijke schokkende gebeurtenissen verwerkt worden. Als dat niet gebeurt, bestaat de kans dat er psychische en/of lichamelijke klachten optreden en dat je, in het ergste geval, moet stoppen met werken.

Ze had het klepje van de couveuse open laten staan. Het afdelingshoofd was haar woedend komen halen en had haar met de neus op de feiten geduwd: het baby’tje had uit de couveuse kunnen vallen. Deze gedachte kreeg ze niet meer uit haar hoofd. Het werd zelfs zo erg, dat ze overwoog te stoppen met haar werk als verpleegkundige. Dit is slechts één van de vele praktijkvoorbeelden, geschetst door klinisch psycholoog Huub Buijssen. Vijf jaar geleden publiceerde hij het boek Traumatische ervaringen van verpleegkundigen, het eerste ter wereld over trauma’s in de zorg. Voor die tijd was dit onderwerp eigenlijk nauwelijks bespreekbaar. Terwijl opvangteams voor traumaverwerking in sectoren als politie en brandweer allang ingeburgerd waren, bleef in de zorg de gedachte heersen dat trauma’s bij zorgpersoneel eigenlijk niet zo vaak voorkwamen. Buijssen: “Trauma’s werden door organisaties als uitzonderlijk gezien. Daar kwam bij dat degenen die een trauma hadden opgelopen, zich daar vaak voor schaamden of een schuldgevoel hadden en er dus niet over spraken.”

Buijssens boek en een onderzoek van Nu’91, de vakbond voor verpleegkundigen, zorgden ervoor dat traumaverwerking in de zorg op de politieke agenda kwam. Uit het onderzoek onder vijfhonderd zorgverleners bleek, dat meer dan de helft tobde met een traumatische ervaring. Er werden vragen over gesteld in de Tweede Kamer, waarna stappen werden genomen om traumaverwerking in de CAO voor de zorg op te nemen.

Opvangteams
Veel zorginstellingen zetten zich momenteel actief in om personeel te helpen met het verwerken van een schokkende gebeurtenis. Er worden opvangteams geformeerd en leidinggevenden krijgen cursussen. Zo ook in het Haagse Bronovo Ziekenhuis. De Tilburgse psycholoog Huub Buijssen gaf daar voorlichting over trauma’s aan de medewerkers. Erik Veltman van de afdeling P&O: “Huub Buijssen heeft hier op een voorlichtingsdag voor alle medewerkers verteld wat een trauma is en hoe je ermee kunt omgaan. Na deze dag merkten we al dat het onderwerp bij veel mensen leeft. Er kwamen veel reacties op. De behoefte aan een opvangteam is relatief groot bij mensen van de praktijkopleiding. Dat zijn mensen van 16, 17 jaar die net van de middelbare school afkomen en hier opeens geconfronteerd worden met sterfgevallen of agressie. Dan is het goed als ze er met mensen over kunnen praten die daar voor getraind zijn.”

Normale reactie
Die trainingen geeft Huub Buijssen. Hij vertelt: “Ik leer de mensen van een opvangteam onder andere hoe je een gesprek opent, hoe je een psychotrauma signaleert, welke vragen je moet stellen en welke juist niet en hoe je informatie samenvat. Vooral dat laatste is belangrijk. Het leven van iemand die een trauma heeft, staat volledig op zijn kop. Je moet dus orde scheppen in de chaos en dat doe je door de betrokkene te helpen alles op een rijtje te zetten.”

De Tilburgse psycholoog benadrukt dat het oplopen van een trauma daarmee niet voorkomen kan worden. “Een trauma is een normale reactie op een abnormale gebeurtenis. Ik vergelijk een trauma wel eens met verliefdheid: de hele wereld staat op z’n kop en het is één grote chaos. Je leven is ontregeld, je bent in de war en je denkt er constant aan. Vooral de eerste dagen zijn heel heftig. Het is belangrijk dat mensen weten dat ze een natuurlijk proces doormaken en dat hun reactie normaal is. Dan zullen ze eerder aankloppen voor hulp.”

Het trauma verwerken is heel belangrijk. Gebeurt dat niet, dan kunnen er lichamelijke klachten als hoofdpijn en rugpijn ontstaan. Daarnaast kan een onverwerkt trauma leiden tot slapeloosheid, concentratieverlies, en prikkelbaarheid. Uiteindelijk kun je al het plezier in je werk verliezen.

 

Als je beroep een nachtmerrie wordt – Zaanse krant

Door Patricia van der Zalm

Herhaaldelijke confrontatie met pijn, ellende en dood wordt in de verpleging gezien als beroepsrisico. Je moet er maar tegen kunnen, anders lijk je niet geschikt voor het vak. “Maar angst, schaamte mislukking, schuld, paniek en verdriet zijn voltrekt normale reacties op abnormale belevenissen”, vindt de Utrechtse psycholoog Huub Buijssen. Over emotioneel schokkende gebeurtenissen binnen de ziekenhuismuren schreef hij het indringende boekje ‘Traumatische ervaringen van verpleegkundigen’ met de veelzeggende ondertitel ‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’.

Nooit eerder meent Buijssen – werkzaam bij de Rümke Stichting in Den Dolder – is er een beeld geschetst van wat verpleegkundigen (en artsen) in hun werk moeten meemaken. De emotionele zwaarte van het beroep is nooit eerder onderzocht, laat staan op schrift gesteld. Terwijl voor aanpalende ‘trauma- beroepen’ als politieman/vrouw, brandweerman/vrouw en treinmachinist (vanwege zelfmoordenaars die voor de trein springen) al jarenlang hulp en opvang is geregeld. Het is hoog tijd, vindt Buijssen, om ook verpleegkundigen praktische trainingen en spoedcursussen te geven. “Daarmee laat je als leiding van een zieken- en verpleeghuis zien dat je het belangrijk vindt en dat je het beroep en de medewerkers serieus neemt.” In ziekenhuizen blijkt over het algemeen weinig aandacht te zijn voor de emotionele zwaarte van het beroep van verpleegkundige, verzorgende en arts. Een kwestie van traditie, lijkt het.

Bang
“Lijden en dood, daar word je geacht tegen te kunnen. Maar als een psychiatrische patiënt je bijna wurgt, kun je je daar moeilijk op voorbereiden. Dan moet je heel sterk in je schoenen staan of heel onverschillig tegenover je leven. Verpleegkundigen zijn vaak beschroomd om te vertellen dat ze totaal van de kaart zijn, bang om erop te worden aangekeken, bang om er niet meer bij te horen, bang om te falen.”

“Daarom proberen zo vaak eerst met zichzelf in het reine te komen. En juist dan kan het goed mis gaan. Volstrekt normale reacties overigens op abnormale gebeurtenissen. “Traumatische incidenten zijn volgens Buijssen bedreigend ‘want ze raken direct je eigen angsten, zeker als het kinderen betreft’. Het is niet per definitie de ingrijpende gebeurtenis die traumatiseert, maar vooral de situatie waarin die zich voordoet. “Van twee mensen die met een griepbacil in aanraking komen, krijgt de een griep, de andere niet. Hoe en trauma aankomt, hangt af van de persoon, de omstandigheden, de reacties van de omgeving en de opvang.”

Dat brengt Buijssen op de onbewust motieven om een bepaald beroep, bijvoorbeeld de verpleging te kiezen. “Een tekort aan aandacht en interesse als kind of een nare gebeurtenis van vroeger is voor sommigen juist reden om later voor de verpleging te kiezen. Ik ken een gezin waarin de vader last had van epileptische aanvallen; voor kinderen kan dat heel beangstigend zijn. Drie van de vier kinderen uit dat gezin zijn, toeval of niet, in de verpleging gegaan. Een verpleegkundige wiens moeder vroeger zelfmoord heeft gepleegd, kan bij een soortelijke situatie in zijn werk finaal instorten. Ineens kan het te veel zijn.”

In het verlengde ligt: iemand die als kind is mishandeld, kan een partner kiezen die hetzelfde doet. “Het is spannender en vooral een manier van verwerken van vroeger leed: als ik die partner verander, krijg ik grip op mijn eigen verleden. Pathologische (partner -of beroeps) keuze heet dat. Maar meestal werkt dat niet.” In Nederland werkt ongeveer een kwart miljoen mensen in de gezondheidszorg. Traumatische gebeurtenissen liggen op de loer. In het boek vertelt iemand hoe een ernstig zieke patiënt er ondanks de veelvuldige controles toch in slaagde zich in de badkamer de hals door te snijden. Tijdens die controles bezorgde de man de verpleegkundige’ een heel vreemd gevoel. Hij is niet verward of onrustig, maar juist heel kalm en berustend’, reden om elk kwartier te gaan kijken. De personeelsbezetting is die nacht minimaal, de telefoon gaat, de patiënten moeten tegen het ochtendgloren gewassen worden en die aandacht voor ‘ meneer T,’ verslapt even. Dan gaat het ineens snel. De verpleegkundige trekt de badkamerdeur open en kijkt recht in het gezicht van meneer T.’ We kijken elkaar aan maar hij ziet me niet. Hij hangt op de wc, want zitten kun je het niet noemen. Hij is naakt en zit helemaal onder het bloed’. Hij overlijdt. De dienstdoende chirurg reageert: ‘Hoe hebben jullie zoiets nou kunnen laten gebeuren? Dat noemt zich dan verpleegkundige’. Ze hield een dagboek bij. ‘Woensdag 5 september 1991. Help! Vanochtend heb ik een patiënt dood laten gaan. (..) Het is mij schuld. Het was mij patiënt. Hoe moet ik mezelf verantwoorden? (..) Oh God, ik ben zo bang voor de afdeling, de patiënten. Kan ik het werk nog wel aan?’ ‘Dinsdag 11 september 1991. Uit de autopsie is gebleken dat de heer T. is overleden ten gevolge van het ongeval. (…) Ik heb vanmiddag het schaartje gevonden. Ik heb het met een pincet in een envelop gedaan. Er mochten geen vingerafdrukken van mij op komen. Ik heb het goed verborgen want het is bewijsmateriaal. Word ik nu echt gek?’ De opvang is niet moeilijk, vindt Buijssen. “Maar het moet wel geregeld worden. Voorwaarde is dat een afdelingshoofd begrijpt waar het over gaat. Er moet geen sfeer heersen waarin gevoelens als gezeur worden afgedaan. Je zou trouwens zeggen dat verpleegkundigen goed getraind zijn in gesprekstechnieken, maar ze vragen niet door. Ze willen juist helpen, niet confronteren.”

‘Traumagesprek’
En toch: dezelfde energie die wordt gestoken in goed bedoelde opmerkingen als ‘het leven gaat door, kop op, het slijt wel’ kan net zo goed worden gebruikt om te vragen: ‘vertel eens wat je dwars zit’, vindt Buijssen. “Bij psychisch lijden wordt vaak om de pijn heen gedraaid. Maar als iemand een doorligwond heeft, behandel je toch die wond en niet zijn tenen?” Dus waarom geen ‘traumagesprek’ voeren in plaats van een gesprek vol troostende woorden die niet echt helpen?

“Liefst binnen 24 uur, ook als iemand in een shock verkeert. De essentie van een trauma is dat twee tegenpolen om voorrang strijden: de beelden van wat er is gebeurd en de wens om die beelden te verdringen. Als er niet snel over wordt gepraat is de kans groot dat iemand het voorval gaat verdringen, dat de beelden vervagen maar niet verdwijnen. Vertellen, dus. Zeker een keer het hele verhaal, maar liefst heel vaak. Anders is het gevolg: slecht eten, slecht concentreren, slecht slapen. Een trauma lijkt wat dat betreft op een hevige verliefdheid.”

Illustratief is het volgende voorbeeld uit het boek. Een verpleegkundige, betrokken bij een hartstilstand van een patiënt en vergeefs herstellen van het hartritme (‘de man had van de ingreep zelfs brandwonden op zijn borst gekregen en vroeg: ‘alstublieft zuster, niet meer doen’, maar ik ging door; ‘het moet echt, meneer, voor uw eigen bestwil’) had wel door de grond willen zakken toen ze later de hevig huilende echtgenote van de overleden patiënt zag. ‘Op dat moment wenste ik dat de grond zich voor mijn voeten zou openen zodat ik kon verdwijnen. Want het was mijn schuld. Er gebeurde iets in me; ik verstarde. Ik heb er niet meer over gepraat, jarenlang niet. (…) ik heb maandenlang nachtmerries gehad; het was iets dreigends maar ik kon het nooit in beelden pakken. Ik werd altijd drijfnat en met hartkloppingen wakker.’

——————————————————————————–

Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt, Uitgeverij De Tijdstroom, Utrecht, f24,50

‘Er veel over praten is niet altijd het beste’ Medewerkerskrant ziekenhuizen, nr 3, 2003

Medewerkerskrant ziekenhuizen, nr 3, 2003

Opvang na een traumatische gebeurtenis
‘Ook al denken mensen vaak van wel: er veel over praten is niet altijd de beste vorm van trauma-opvang. Ieder mens is verschillend. Goede opvang sluit aan bij de behoefte van slachtoffers’, vindt Huub Buijssen, klinisch psycholoog en gespecialiseerd in trainingen collegiale traumaopvang in de ziekenhuizen We praten met hem over traumaverwerking: wat is het en hoe kun jij helpen?

Traumatische gebeurtenissen (ofwel: psychotrauma’s) zijn extreem, heftige gebeurtenissen die mensen enorm aangrijpen. Ze gaan gepaard met extreme angst, afschuw en machteloosheid. In een ziekenhuis loop je, afhankelijk van je beroep, een verhoogd risico er eens mee te maken te krijgen. De dood van een baby, een kind of een volwassene, het maken van een fatale fout, een mislukte reanimatie… Maar ook een mogelijke besmetting met het HIV- of hepatitisvirus, een suïcide, agressie of (bijna-)geweldsincidenten: het zijn allemaal voorbeelden van traumatische ervaringen in ziekenhuizen. Maak je het mee, dan ga je een afschuwelijke tijd tegemoet waarin je korte of langere tijd steeds geplaagd wordt door pijnlijke herinneringen aan het gebeurde en tegelijkertijd uit alle macht de herinneringen wilt wegstoppen (vanaf ‘waarin’ kun je ook schrappen, later noem je de symptomen nog eens) Maar jij kunt iemand vooruit helpen!

Pas op met wroeten!
‘Lang en intensief praten of veel los willen maken. Het is niet altijd de beste methode om mensen vooruit te helpen’, stelt Buijssen vast. ‘Menigeen die net iets heel heftigs heeft meegemaakt wil, zeker in ‘t begin, vooral met rust gelaten worden. Dat krijgt die persoon niet zodra jij het incident meteen weer ter sprake brengt. Eigenlijk verleng je de pijnlijke ervaring, want je dwingt het slachtoffer de gebeurtenis te herbeleven op het moment dat hij alle zeilen bij moet zetten om psychisch overeind te blijven. Pas daarmee op; vooral bij kwetsbare mensen kan dit wroeten leiden tot meer schade dan geen opvang bieden, zelfs op de lange termijn!.’
‘Wil je een collega helpen, laat dan ook de natuur zijn werk doen’, zo adviseert Buijssen. Een psychotrauma heeft drie kenmerken: herbeleving (de afschuwelijke film telkens opnieuw afspelen), verdringing van de ervaring (het bewust parkeren/er niet aan willen denken) en verhoogde waakzaamheid. Bij een goede balans tussen de eerste twee kenmerken komt iemand er weer bovenop. Bij 7 van de 8 mensen zijn deze twee van nature even sterk en zijn ze beurtelings de baas. Dat is dan ook de reden dat je als collega vooral moet zien in te spelen op de behoefte van het slachtoffer. Loop niet sneller dan de ander. Laat iemand zijn eigen tempo bepalen en zijn eigen manier van verwerken.

Tips om je collega er bovenop te helpen
Toon medeleven. Na een afschuwelijke ervaring heeft een mens eerst en vooral behoefte aan een gevoel van betrokkenheid. Laat je collega dus merken dat je er voor hem/haar bent. Dat kan door een blik van verstandhouding, een schouderklopje, een sms-je, een gesprek.
Bied in ‘t begin vooral praktische steun. Vraag of je iets kunt doen, kunt regelen. Ook zo geef je iemand blijk van betrokkenheid. Praktische begeleiding is voor velen in eerste instantie belangrijker dan emotionele opvang (gesprekken voeren over het incident). Sterker nog: het eerste is de voedingsbodem waarop de laatste gedijt.
Leg je eigen verwerkingsstijl niet op aan je collega. Wat goed is voor jou, is niet altijd goed voor een ander. Mensen verschillen. Zo wil jouw collega misschien eerst in stilte het gebeurde verwerken. Of zoekt hij/zij gezelschap op het tijdstip dat jij je zou uitleven met sporten. Respecteer die eigen manier van je collega.
Zeg niet teveel. Vraag niet teveel. Laat iemand tot rust komen. Te intensieve opvang, hoe lief bedoeld ook, is vaak verkeerd. Eigenlijk zijn maar twee vragen relevant: ‘wat kan ik voor je doen?’ En ‘waar heb je behoefte aan?’. Ga vooral niet wroeten en praat alleen over het incident als je collega het wil.
Onderschat de weerbaarheid van je collega niet. Duw iemand niet te veel in de slachtofferrol en maak geen drama van het gebeuren. Een belangrijke motor voor herstel is de wetenschap dat je er weer bovenop zult komen. Wek die indruk.
Geen vooruitgang? Schakel professionele hulp in. Als het goed is, zijn de symptomen van een psychotrauma na 1,5 tot 2 maanden verdwenen.


Tips ontleend aan:

Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt., Elsevier Gezondheidszorg, Maarssen 2002 (3 editie)

‘Leerling-verpleegkundige in WAO na reeks traumatische ervaringen.’ Drentsche Courant, 15 juli 1999

Leerling-verpleegkundige in WAO na reeks traumatische ervaringen:
Ik ben slecht opgevangen door het ziekenhuis

Van onze verslaggeefster Daniëlle Molenaar

Beilen – De 25 jarige Lara Jansen uit Beilen is absoluut niet de enige (leerling-) verpleegkundige die in de problemen komt door een traumatische ervaring tijdens het werk. „Ik besef terdege dat bepaalde gebeurtenissen bij het werk van een verpleegkundige horen. Het is niet te voorkomen dat je met sterfgevallen of vervelende patiënten te maken krijgt”, zegt Lara Jansen. „Ik vind alleen dat verpleegkundigen tijdens de opleiding slecht worden voorbereid op dit soort aangrijpende momenten. Ook is er in veel ziekenhuizen nauwelijks tijd of aandacht voor de opvang van verpleegkundigen die een traumatische ervaring hebben gehad.” Lara Jansen ondervond dit gedurende haar vierjarige opleiding in een groot Drents ziekenhuis aan den lijve. Ruim drie jaar na dato heeft ze nog steeds moeite om er over te praten.

Boek
„Slechts weinig mensen in m’n omgeving weten wat me is overkomen. Daarom wil ik niet met mijn echte naam in de krant. Ik vertel m’n verhaal in de hoop anderen ermee te kunnen helpen. Om die reden heb ik ook meegewerkt aan het boek.” De verschillende ervaringen van Lara staan in het boek in twee verhalen verwerkt. Naast de Drentse vertellen ruim twintig verpleegkundigen over de meest uitlopende schokkende gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt tijdens hun werk in het ziekenhuis.

Seksueel
Het verhaal van Lara speelt zich af in een groot ziekenhuis in Drenthe. De leerling-verpleegkundige beschrijft hoe ze, ongeveer twee jaar na de start van haar opleiding, in korte tijd door verschillende patiënten seksueel wordt lastig gevallen. Lara: „Het eerste voorval speelt zich af in de badkamer als ik een mannelijke patiënt help uitkleden voor het douchen. Hij zit op de douchestoel en ik zit op de hurken als hij een erectie krijgt. Ik schrik, maar ga gewoon door met mijn werk. Dan zegt ie: ‘Die is voor jou hoor.’ Ik doe alsof ik niets heb gehoord. Hij reageert daarop door mijn gezicht naar voren te duwen. Ik ruk mezelf los en val achterover op de grond.” De leerling-verpleegkundige trekt vervolgens aan de noodbel, maar daarop reageert alleen haar eigen pieper. „Omdat ik om medische redenen de patiënt niet alleen achter mag laten, doe ik de deur open en vraag ik de eerste beste verpleegkundige die ik zie om even op te letten. Ik ga weg en kom niet meer terug..” Lara krijgt hiervoor een fikse reprimande van het afdelingshoofd. „Niemand heeft me gevraagd waarom ik zomaar ben weggelopen. Daar durfde ik er niets over te zeggen.”

Reacties
Korte tijd later heeft Jansen nog twee soortgelijke ervaringen. De druppel die uiteindelijk de emmer doet overlopen, zijn vervelende reacties van collega’s na een reanimatie. „Ik liep al op m’n tenen en kon weinig meer hebben. Niemand wist wat me was overkomen. Als ik erop terugkijk vind ik dat nog het ergste, dat ik er nooit met iemand van het ziekenhuis over heb kunnen praten.” Lara hoopt ooit haar opleiding nog te kunnen afmaken. „Ik doe nu ander werk. Maar mijn hart ligt bij het beroep van verpleegkundige, ik ben er echter nog niet aan toe om de opleiding weer op te pakken.”

,Opvang personeel beter geregeld’
ASSEN- Uit een onderzoek van de vakbond NU’91 onder vijfhonderd verpleegkundigen blijkt dat meer dan de helft in de afgelopen vijf jaar een schokkende ervaring heeft gehad. Sterfgevallen, met name die van kinderen, ervaren de ondervraagden als het meest aangrijpend. Ook het foutief handelen van een arts en mislukt reanimatie hebben een grote impact op verpleegkundigen. Uit het onderzoek blijkt verder dat tweederde van de verpleegkundigen na een traumatische ervaring opgevangen is door collega’s Slechts 15,4 procent van de ondervraagden geeft aan dat er in zijn of haar ziekenhuis een opvangprotocol is. Nu’91 en de andere vakbonden in de zorg hebben begin deze maand met de werkgevers in de ziekenhuizen een principeakkoord bereikt over een nieuwe CAO. Afgesproken is onder meer dat er in de CAO een tekst wordt opgenomen over de opvang van personeel na een traumatische gebeurtenis. De werkgevers hebben toegezegd dat in het ziekenhuis wezen de opvang beter wordt geregeld. In de instellingen zal in de toekomst een soortgelijk opvangprotocol als bij de politie, brandweer en de Nederlandse Spoorwegen, worden gehanteerd.

Het boek
Geschokt: Indringende ervaringsverhalen van verpleegkundigen, van Huub Buijssen 
is verkrijgbaar bij uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom, Maarsen.

‘Misplaatste flinkheid breekt verpleegkundige op.’ De Volkskrant, 12 juli 1999

Van onze verslaggeefster
Ellen de Visser
UTRECHT

Verpleegkundige Mathilde Bos had nog nooit een dode gezien toen ze vlak na haar diplomering op een psychiatrische afdeling ging werken. Tijdens een van haar eerste nachtdiensten kwam ze voor een gesloten douchedeur te staan. De douche liep, ze wist meteen dat er iets ernstig mis was. Een patiënt bleek zich te hebben opgehangen aan de ceintuur van zijn ochtendjas. Toen ze de deur opende, lag hij in zijn strop. Ze maakte de reeks nachtdiensten af en vroeg daarna overplaatsing aan naar een andere afdeling. Sindsdien heeft ze nooit meer een nachtdienst gedraaid. Met haar collega’s sprak ze niet over de reden van haar vertrek. Nu, vijftien jaar later, heeft ze nog altijd last van de gebeurtenis. ‘Ik herinner me nog de paniek voor de deur.’ Wijkverpleegkundige Renze Vink werkte al een paar jaar op een consultatiebureau toen ze een op het eerste gezicht gezonde baby onder ogen kreeg. De moeder maakte zich ernstig zorgen, Vink stelde haar gerust. De volgende dag overleed het kind. ‘Ik heb echt niet gezien dat de baby ziek was’, zegt ze. ‘En toch voelde ik me zo schuldig. Hoe kon ik mijn eigen ogen nog geloven?’ ze stuurde de ouders een condoléancebrief, maar zij wilden haar niet zien. Een week later diende ze haar ontslag in. Misplaatste flinkheid. Zo karakteriseert beleidsmedewerker M. Bogers van vakbond Nu91 de beroepshouding van verpleegkundigen. ‘Even naar de wc om uit te huilen en dan diep ademhalen en verder. Ze eisen van zichzelf dat ze snel de draad weer oppakken.’ Uit een enquête van Nu91 blijkt dat velen daar moeite mee hebben.

Een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om een traumatische gebeurtenis achter zich te laten. Zij lijden vaak aan een posttraumatische stress-stoornis. De nazorg is gebrekkig: de verpleegkundige moet meestal na een kop koffie en een sigaret weer aan het werk. Bogers: ‘Het idee heerst nog altijd dat emotionele gebeurtenissen nu eenmaal bij het vak horen en dat verpleegkundigen daar maar tegen moeten kunnen.’ Ook de werkdruk speelt een rol. De tijd ontbreekt vaak om rustig met een collega te praten. ‘Het circus draait door’, zegt Bos. ‘Voor collega’s is het een incident. Bij jou zit het in je lichaam.’ De reactie op een trauma is volgens Vink des te heftiger als een verpleegkundige het gevoel heeft een fout te hebben gemaakt. ‘Een ambulancebroeder mag emotioneel reageren na een mislukte reanimatiepoging. Maar wat moet een verpleegkundige die vergeet het bedrek omhoog te doen waardoor een patiënt uit bed valt, of die een tienvoudige dosis inspuit? Dat is pijn waar niet mee valt te scoren. En dat is waar verpleegkundigen zo bang voor zijn. Maar je bent God niet, het gebeurt.’ Vink werd na haar gemiste diagnose door de thuiszorginstelling ontboden. De ouders hadden een rechtzaak aangespannen, Vink kreeg zwijgplicht opgelegd en wil dan ook niet met haar echte naam in de krant. ‘Ik zie de manager nog woedend en met opgeheven wijsvinger voor me staan. Jij hebt geen fout gemaakt, riep ze. Dat heeft me erg veel pijn gedaan. De organisatie moet achter je staan, vragen hoe het met je gaat, en niet uit angst voor de goede naam je fout ontkennen.’

Hoe heftig de ervaringen van verpleegkundigen zijn, blijkt uit de verhalen die klinisch psycholoog Huub Buijssen heet vermeld. Verpleegkundigen schreven hem over de meest uiteenlopende onderwerpen: het sterven van een kind, zelfmoord, agressie van patiënten, de eerste keer een overledene afleggen, alleen in de lift met een patiënt die bijna stikt, in het holst van de nacht met een lijk naar het mortuarium. Buijssen stelde samen met een verpleeghulp Suzanne Buis vier boeken samen over het onderwerp. Geschokt (over de somatische zorg) en Geraakt (over de psychiatrie) verschenen vorige maand (Elsevier/ De Tijdstroom; ƒ19,60 en ƒ16). De verhalen uit de thuiszorg en de geestelijke gezondheidszorg worden binnenkort gebundeld. Vooral leerling-verpleegkundigen zijn kwetsbaar, weet Buijssen. ‘Ze worden op jonge leeftijd met dingen geconfronteerd die een ander pas veel later of helemaal niet meemaakt.’ Hij pleit voor extra aandacht in de opleiding. Leerlingen worden nu nauwelijks voorbereid op indringende gebeurtenissen. Bos is sinds een aantal jaren docent aan een hbo-v. Ze heeft voor haar leerlingen een les samengesteld over traumatische ervaringen. ‘Ik beschouw het als mijn missie. Leerlingen reageren vaak angstig als ze zich realiseren wat ze kunnen meemaken. Ik vertel dat ze veel kunnen hebben, als ze maar op de juiste manier met heftige gebeurtenissen omgaan. ‘Openheid is het sleutelwoord. Zorg dat je blijft praten, tot lang na het incident. Je weet van jezelf vaak niet hoe je reageert op een trauma. De reactie komt vaak later. Dat kun je nog weleens akelig verrassen.’

Helft verplegers heeft traumatische ervaring
Ruim de helft van de verpleegkundigen heeft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis meegemaakt, blijkt uit een onderzoek van Nu91, de beroepsorganisatie van de verpleging. Een op de vijf heeft na zo’n gebeurtenis serieus overwogen om uit het vak te stappen. Vooral leerlingen blijken kwetsbaar. Ruim 30 procent staakt de opleiding voortijdig. Volgens deskundigen zou dat vaak te maken kunnen hebben met trauma’s op het werk. Naar traumatische ervaringen in de gezondheidszorg is nog weinig onderzoek gedaan. Een paar jaar geleden werd een studie verricht naar agressie in de psychiatrie.

Daaruit bleek dat ruim de helft van de personeelsleden in psychiatrische instellingen minstens een keer per jaar letsel op. Maar zelfs psychiatrisch verpleegkundigen – die vaker met geweld worden geconfronteerd dan politieagenten – worden op hun werk amper opgevangen. Uit de enquête van Nu91 blijkt dat slechts in 15 procent van de instellingen nazorg is geregeld. Daarmee loopt de gezondheidszorg ver achter bij andere beroepsgroepen. Voor politieagenten en brandweerlieden die een menselijk drama meemaken, machinisten die een ‘springer’ voor de trein krijgen en bankemployés die worden overvallen, is al jaren nazorg geregeld. Nu91 heeft tijdens de recente CAO-onderhandelingen met de ziekenhuizen invoering van een trauma-protocol geëist. De ziekenhuizen hebben toegezegd op korte termijn opvang en nazorg voor hun personeel te regelen.

 

‘Zorg voor stervenden: zoeken naar een balans’ Nederlands Dagblad, 28 maart 2003

 

Nederlands Dagblad, 28 maart 2003

Door Jan Willem Veenhof

Mensen die werken in de palliatieve zorg (zorg voor stervenden), komen voortdurend in aanraking met de dood. Buitenstaanders vragen wel eens: ‘Hoe houd je dat vol?’. Om die vraag te beantwoorden is Einde Goed, Allen goed? verschenen, een boek met twintig praktijkverhalen. Het eerste exemplaar is ter gelegenheid van de Week van Palliatieve Zorg (22 t/m 29 maart) aangeboden aan André Rouvoet, kamerlid voor de ChristenUnie. Begin april krijgt koningin Beatrix een exemplaar op een internationaal congres over palliatieve zorg in Den Haag. Daarna zal het boek aan alle zorginstellingen in Nederland worden toegestuurd, dat kan dankzij een subsidie van het ministerie van VWS. Een greep uit de praktijkverhalen.

De dokter, die zijn ‘peer group'(gespreksgroep van artsen) vertelt waarom hij zich zo uitgeput voelde nadat hij de stervensbegeleiding van een man met kanker in de liesstreek had afgesloten met een euthanasie:
‘Ik denk dat het de combinatie was van het erge lijden, zijn leeftijd net zo oud als ik, zijn kinderen net zo oud als de mijne, de gasten op zijn afscheidsfeestje en de confrontatie met de bizarre rol van ons dokters in dergelijke situaties. Het is ook steeds een beetje oefenen voor je eigen dood. Een situatie als deze roept direct vragen bij me op. Zou ik het ook zo kunnen, zo willen? Zou ik zulk lijden aankunnen, en zo de regie en verantwoordelijkheid voor mijn leven en sterven kunnen nemen? Zouden mijn vrienden er zijn? Zou mijn gezin dit aankunnen? Zijn wij dokters eigenlijk wel in staat anderen zo te vertrouwen dat we hen kunnen laten zorgen voor ons als het nodig is?’

De verpleegkundige die in hospice Kuria wekelijks afscheid moet nemen van mensen:
‘In het hospice hebben we er bewust voor gekozen een ruime tijd voor de overdracht in te roosteren. Zodat er echt tijd gemaakt kan worden voor het bespreken van onderwerpen die verder gaan dan het overdragen van de feitelijkheden die ‘slechts’ medisch en verpleegkundig gezien relevant zijn. Het is natuurlijk een illusie te denken dat het zware, machteloze gevoel van de verpleegkundige onmiddellijk verdwijnt zodra daarover gesproken is, maar door het delen valt er veel van haar af.’

De therapeut, die vindt dat je je bij stervende patiënten meer kunt engageren dan bij ‘gewone’ patiënten:
‘Ik doe dat bewust omdat ik hen zo beter denk te kunnen helpen. Stervende mensen kun je – dat is althans mijn opvatting – niet verder begeleiden dan je zelf hebt durven gaan in je eigen existentiële vragen. Door deze intensieve betrokkenheid heb ik het zelf, na het overlijden van degene die ik begeleidde, ook vaak moeilijk. Ik heb dat er echter graag voor over. Deze wijze van ‘werken’ geeft me de meeste bevrediging en voldoening, want ik meen dat het in de palliatieve zorg er juist om gaat jezelf te laten raken te willen leren van de ander. Door je hart zo open te stellen ontwikkel je kennis en wijsheid, maar voorkom je ook dat het werk routineus wordt. Dit helpt om ‘burn-out’te voorkomen. Of laat ik voor mezelf spreken: dit helpt mij om geen burn- out te ontwikkelen.’

De onderzoeker, die met terminale longkankerpatiënten gesprekken had ten behoeve van een studie:
Als ik nabestaanden de vraag voorlegde hoe de zorg aan longkankerpatiënten en hun familie verbeterd zou kunnen worden. Kreeg ik steevast te horen: ‘Iemand die er is. Naar je luistert en met je praat over wat er allemaal op je afkomt. Eigenlijk zo iemand als jij.’ Deze reacties gaven me inzicht: er was behoefte aan (een vast) iemand die er voor hen was, luisterde, belangstelling toonde, over tijd beschikte, die bij tijd en wijle erkende dat het moeilijk was en misschien wel juist niet te veel wilde doen en oplossen.’

De verzorgende, die vaak gewoon niet wist wat ze moest zeggen tegen een stervende:
‘Waarom had ik tijdens de opleiding nooit geleerd hoe te praten met een stervende patiënt, heb ik me later vaak afgevraagd. Was hierover niets bekend?
Vond men het niet belangrijk genoeg om hier aandacht aan te schenken? Ik heb ook mijn collega-verpleegkundigen gevraagd of zij hierover tijdens hun opleiding iets gehoord hebben. Nee, was hun antwoord. Wel was er aandacht geweest voor de verpleegtechnische aspecten (vochtinname, wondverzorging, voorkomen van doorliggen, enz.), maar niets over communicatie met stervenden, Jammer, heel jammer, want wanneer je je zo vreselijk opgelaten voelt bij de stervende dat je niets weer uit te brengen en de stervende daarom het liefst ontvlucht, dat sterft hij reeds voordat hij overleden is.

De vrijwilliger, die namens de stichting ‘Thuis Sterven’ regelmatig waakt bij stervende patiënten:
‘Ik ga altijd op de fiets naar iemand toe. Dit geeft me de tijd en afstand om mezelf voor te bereiden op de komende ontmoeting. Het geeft me tegelijkertijd de mogelijkheid om na het beëindigen van mijn inzet weer de nacht los te laten, uit te waaien en te ervaren dat de wereld groter is dan de situatie waar ik uit kom. (…) Na het overlijden van de betrokkene hebben we met de coördinator en alle vrijwilligers die bij de inzet betrokken waren, een afrondende bijeenkomst. We hebben allemaal in dezelfde situatie een bijdrage geleverd en herkennen van elkaar de sfeer in dat huis. Ieders ervaring kan tijdens deze bijeenkomst een plekje krijgen.’

Balans
Zo veel mensen, zo veel verhalen. Maar toch is in al deze praktijkverhalen is een constante herkenbaar, stelt verpleeghuisarts Frans Baar. “Een worsteling, tussen de regels door, die de auteurs steeds weer hebben doorgemaakt om in de confrontatie met de ultieme kwetsbaarheid een goede balans te vinden tussen nabijheid en distantie.” Die balans handhaven, zo maken meer auteurs in het boek duidelijk, is alleen mogelijk als er ‘zorg is voor zorgenden’ en als deze zorgenden niet vergeten te ‘zorgen voor zichzelf. Een slothoofdstuk geeft een handreiking aan organisaties om het zoeken naar die balans in de praktijd van het werk mogelijk te maken, een belangrijk element daarbij is de frictie die optreedt in de combinatie werk en privé. Werkgevers zouden daarvoor volgens de auteurs (“in hun eigen belang”) meer aandacht moeten hebben.


Huub Buijssen en Rob Bruntink, Einde goed, allen goed? Oog voor zorgenden in de palliatieve zorg., Uitgeverij De Stiel en TRED uitgeverij, ISBN 90 70 415 29 1, € 13,90

‘Schuld en schaamte’ Medisch Contact, 10 oktober 2003

Medisch Contact, 10 oktober 2003

Bij traumatische ervaringen zijn emoties onder artsen nog steeds taboe
Evert Pronk

In de geneeskunde loop je een aanzienlijk risico om een traumatische ervaring te ondervinden. Het tonen van emoties is onder artsen echter nog steeds taboe, zegt psycholoog Huub Buijssen. ‘Artsen moeten weten dat het niet vreemd is om na een traumatische ervaring door een diep dal te gaan.’

Voor volledige artikel ga naar http://medischcontact.artsennet.nl/blad/Tijdschriftartikel/Schuld-en-schaamte.htm(Medisch Contact, archief, nummer 10 10 2003).

Winnaars wedstrijd ‘Help de ggz gezonder te zorgen’

De wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen”, waarbij medewerkers in de ggz opgeroepen werden om arbotips in te sturen, heeft een groot aantal nuttige tips opgeleverd. Opvallend is dat in veel van de inzendingen het thema “agressie en onveiligheid” centraal stond.

In september was het zover: de drie prijswinnaars van de wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen” werden bekend gemaakt door de jury. De prijsuitreiking vond plaats bij GGZ Nederland in Utrecht. Tijdens deze feestelijke middag lichtte de jury bij monde van Willeke Bezemer haar keuze toe. De ingezonden arbotips zijn beoordeeld op hun praktische toepasbaarheid en effectiviteit bij het terugdringen van het ziekteverzuim. Daarnaast is ook gekeken naar de algemene geldigheid van de tips. Ze moeten niet alleen voor de eigen maar ook voor andere ggz-instellingen bruikbaar en nuttig zijn.

Het thema “agressie en onveiligheid” wordt in het arboconvenant aangemerkt als één van de prioriteiten. De ingezonden tips benadrukken nog eens hoezeer dit thema de aandacht heeft én behoeft in de ggz. Ook de drie prijswinnende tips gaan over agressie en onveiligheid. Op deze pagina’s worden ze toegelicht.

1e prijs
‘Neem duidelijk standpunt in’
Marja Keus won de eerste prijs (6.000 gulden). Ze is verpleegkundige bij GGZ Drenthe en momenteel aan het “gluren bij de buren”, zoals ze het lachend noemt. ‘Ik werk tijdelijk bij GGZ Groningen om eens te kijken hoe het er daar aan toe gaat. Erg leerzaam.’

Haar tip: neem als instelling een standpunt in als het gaat om grensoverschrijdend gedrag van cliënten. Zorg bovendien dat de afspraken die daaruit voortvloeien inzichtelijk en bereikbaar zijn voor alle medewerkers. Keus pleit er bijvoorbeeld voor dat de instelling een standpunt inneemt over vragen als “Wanneer wordt er aangifte gedaan en door wie?”.

‘Ik had niet verwacht dat ik met deze tip de eerste prijs zou winnen, omdat het eigenlijk zeer voor de hand ligt’, zegt ze. ‘Als medewerker wil je dat je veiligheid gesteund wordt door de werkgever. Bij GGZ Drenthe is wel degelijk het een en ander geregeld, maar de meeste medewerkers weten dat niet.’ Keus zet het prijzengeld samen met GGZ Drenthe in voor een project waarin afspraken over agressie verder worden uitgewerkt. Daarnaast wordt ook onderzocht waar deze informatie het beste opgeslagen kan worden. GGZ Drenthe denkt aan een site op het interne netwerk. Keus: ‘Dan is de informatie actueel te houden en voor iedereen inzichtelijk en bereikbaar.’

2e prijs
‘Verhaal kwijt kunnen’
Bé Wolters en Ivo Zonnenberg, verpleegkundigen bij Zon & Schild in Amersfoort, onderdeel van de Symfora groep, sleepten de tweede prijs (3.000 gulden) in de wacht. Ze stuurden maar liefst twaalf tips in. De tip die het meeste indruk maakte op de jury ging over het organiseren van opvang na een incident. ‘Eens in de maand bespreken we incidenten met elkaar’, vertelt Zonnenberg. ‘Er is dus wel sprake van opvang, maar metéén na een incident zou er ook ruimte moeten zijn om even je verhaal kwijt te kunnen.’

De twee collega’s hebben ook nog een “tamelijk progressieve” tip ingezonden, aldus Zonnenberg. ‘Bij het separeren vallen nogal eens klappen. Voor buitenstaanders is dat misschien moeilijk te begrijpen, maar het gebeurt in de praktijk. Het ontwikkelen van extra stevige kleding die de eerste klappen opvangt en de verpleegkundige beschermt, vonden we daarom een goed idee.’ Wolters en Zonnenberg zijn uitgenodigd door de Vakgroep Agressie en Schokkende Gebeurtenissen van de Symfora groep om hun tips toe te lichten. Met het prijzengeld schaffen ze een airconditioning aan. ‘We werken op een zolder waar het ‘s zomers ontzettend warm is. Een airco betekent een hele verbetering.’

3e prijs
‘Zelfhulpgroep biedt steun’
Derde-prijswinnaar Marga van Herwijnen is leerling-verpleegkundige bij De Grote Rivieren en werkt momenteel op de opnameafdeling van APZ Gorinchem. ‘Mijn idee bestaat uit het oprichten van een zelfhulpgroep, waar medewerkers terechtkunnen na een traumatische ervaring’, vertelt Van Herwijnen. ‘Zo’n groep bestaat uit collega’s die hetzelfde hebben meegemaakt. Herkenning en erkenning spelen een belangrijke rol.’ Ook vindt ze dat er altijd iemand van deze groep bereikbaar zou moeten zijn, óók tijdens late en nachtdiensten. ‘Als er dan iets gebeurt, zijn er niet altijd collega’s om je op te vangen. Toch is het belangrijk dat je wel meteen, als je dat wilt, kunt praten over wat je overkomen is.’ Volgens Van Herwijnen zou een zelfhulpgroep goed kunnen bestaan naast andere vormen van opvang. ‘Ik zie het niet als een vervanging van bestaande opvang maar als aanvulling daarop.’

Met de 1.000 gulden die Van Herwijnen met haar tip heeft verdiend, gaat De Grote Rivieren een aantal boeken van Huub Buijssen over het omgaan met schokkende gebeurtenissen verspreiden binnen de organisatie.

 

‘Emoties verwerken: de beste strategieën.’ Carrière (special bij Nursing), november 2002

Carrière (special bij Nursing), november 2002

Emotionele stress hoort bij de verpleegkunde. Hoe ga je ermee om? Praten helpt – maar er is meer nodig.
Door Lisette Thooft

“Zolang de verpleging bestaat, hebben verpleegkundigen het moeilijk gehad met wat ze meemaakten,” zegt Huub Buijssen, psycholoog en auteur van diverse boeken over het omgaan met emotionele belasting. Er is de laatste tijd veel aandacht voor de emotionele belasting die verpleegkundigen dag in dag uit te verwerken krijgen, in de loop van hun ‘gewone’ werk. Zo gewoon is dat werk natuurlijk niet. De voortdurende confrontatie met pijn en lijden gaat je niet in je koude kleren zitten. Tachtig procent van alle sterfgevallen vinden plaats in een zorginstelling. De meeste verpleegkundigen maken in enkele jaren meer mee in dit opzicht dan de doorsnee mens in een heel leven. Een hulpbehoevende mens of kind verzorgen en verplegen kan alleen maar als je jezelf openstelt voor de kwetsbaarheid, het lijden en de pijn van die ander.

“Het zijn soms heel erge dingen die je hier meemaakt,” zegt Jannie de Vos, Hoofd van de afdeling Neonatologie van het UMC Utrecht/Wilhelmina Kinderziekenhuis. “Je blijft er wel even mee rondlopen. Dat is niet verkeerd. Het is ook goed dat dingen je raken, dat je een mens bent en blijft in dit werk.” Maar chronische emotionele belasting, of overbelasting, leidt tot burn-out en overspannenheid. Alle kleine beetjes onverwerkte emotie stapelen zich dan op en ineens gebeurt er iets dat als de spreekwoordelijke druppel de emmer doet overlopen. Ook echte of vermeende fouten die je zelf maakt of die je collega’s ziet maken, zelfs als ze geen gevolgen hebben, kunnen zware emotionele belasting veroorzaken.

“Florence Nightingale had zelf jarenlang een posttraumatische stress stoornis en een depressie,” vertelt Huub Buijssen, “dat gaat vaak samen. Na thuiskomst uit de Krimoorlog ontdekte ze dat er door haar toedoen vierduizend soldaten teveel gestorven waren door haar verzorging in het onhygiënische ziekenhuis. Als die op het slagveld verpleegd waren, hadden ze niet hoeven sterven. Ze had enorme schuldgevoelens en wroeging en vanaf dat moment was ze een tegenstandster van ziekenhuizen.”

Het idee dat ook verpleegkundigen soms hulp nodig hebben om te verwerken wat ze meemaken, is lang taboe geweest. Stilzwijgend heerste de opvatting dat je ook wel in staat bent om jezelf en je collega’s te helpen, als je opgeleid bent om anderen te helpen.

“Verpleegkundigen zijn dienstbare mensen,” zegt Loes van der Vlist, hoofdverpleegkundige op de afdeling chirurgische oncologie van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam, “en in de oncologie nog eens een keer extra. Soms zo dienstbaar dat ze alsmaar geven, geven, geven. Veel van hen hebben niet geleerd goed voor zichzelf te zorgen en daarna pas voor de ander. Dan is het ineens op.”

Huub Buijssen: “In de hele naoorlogse tijd was er een cultuur van je groot houden, wegstoppen, niet omkijken, en de verpleging is niet heiliger of beter dan de rest. Je moest er maar tegen kunnen, net een brandweerman tegen vuur moet kunnen.”

Maar die tijd is voorbij. Dat er opvang moet zijn voor emotionele stress is zelfs in de CAO voor ziekenhuizen vastgelegd. Veel ziekenhuizen hebben een protocol opgesteld voor wat er moet gebeuren bij een ernstige, aangrijpende gebeurtenis. Sommige ziekenhuizen hebben speciale opvangteams, of gebruiken de dagelijkse evaluatie doelbewust om emoties door te spreken.

“Collegiale opvang is de eerste en belangrijkste stap,” vindt Jannie de Vos. “Het sterven van een kind geeft altijd extra emotionele belasting. Als je voor een kind zorgt dat gaat overlijden, is het belangrijk dat je collega’s in de gaten houden of het allemaal wel gaat, met jou. In dat opzicht is het een voordeel als de afdeling groot genoeg is – je hebt altijd collega’s om je heen. Na moeilijke of emotionele situaties moet je altijd zorgen voor evaluatie en nabespreking. Hoe is het geweest, waar had ik last van, waar loop ik tegen aan en wat kan de volgende keer beter?”

Toch is praten niet het wondermiddel dat alles oplost. “Mensen hebben verschillende strategieën om emoties te verwerken,” zegt Huub Buijssen, directeur van trainingsbureau Buijssen Training en Educatie dat zich gespecialiseerd heeft in trainingen traumaopvang in de zorg. “Dat maakt het moeilijk om elkaar te steunen. De bekendste is met elkaar praten, maar dat is niet de enige en ook niet alleenzaligmakend. Je kunt ook in een dagboek schrijven, of er met jezelf over bezig zijn door te piekeren. Ook dat is verwerken. Vroeger dacht men dat alles verstoppen gezond was. Jacqueline Kennedy werd geprezen omdat ze bij de begrafenis van John F.Kennedy haar emoties zo goed in bedwang had. Maar toen Diana overleed, werden de leden van het Britse koningshuis bekritiseerd omdat ze zo weinig emotie toonden. Nu zegt men dus dat je verwerkt door erover te praten. De waarheid ligt in het midden: je verwerkt emoties door erover te praten EN door ze weg te duwen. Mensen die alleen maar aan het praten zijn, moet je in de gaten houden, en de niet-praters ook.” Het gaat bij stukjes en beetjes, legt de psycholoog uit. “Als je topsport bedrijft, zorg je dat je conditie krijgt door intervaltraining: afwisselend rennen en rusten. Dat rusten is net zo belangrijk, anders ga je over de kop. Met verwerken is het precies hetzelfde. Je moet er aandacht schenken en ermee bezig zijn. Maar als je geen adem meer krijgt, stop je en zoek je afleiding.”

“Ook dat kun je doen op verschillende manieren”, stelt hij. “Je kunt je op je werk storten, of op muziek, koken, drank, sport – alles kan, als je het maar niet overdrijft. Soms kan het zelfs goed zijn jezelf in de verdoving te zetten. Natuurlijk moet je je niet elke dag leplazarus zuipen, dan kom je namelijk niet meer in de aandachtsfase terecht. Dus je moet zorgen voor afwisseling. Praten met collega’s is prima – maar denken: over een uurtje of twee is het werk afgelopen, dan kan ik lekker naar huis, is ook prima. Of ondertussen aan het korfballen denken, of je verstoppen achter de krant. Dat is allemaal niet verkeerd. Het ziekenhuis moet ook af en toe die mogelijkheid bieden om te ontsnappen aan de emotie. Wij kunnen maar beperkte hoeveelheid confrontatie met leed aan, de een een uur per dag, de andere een half uur, maar allemaal hebben we tussendoor tijd nodig om op te laden. Dat is geen hardheid of kilheid. Net zoals de hardloper rust nodig heeft om een sprint te trekken, heeft de verpleegkundige tijd nodig van koelheid om bij de patient te kunnen zijn. Er wordt wel verwacht dat je acht uur per dag betrokken kunt zijn, maar dat is niet zo.”

“Voor mij werkt het al dat ik fiets van en naar het werk,” zegt Jannie de Vos. ,,Het is een behoorlijke afstand en dat is heerlijk om de overgang te maken en om los te laten wat er op het werk gebeurd is. Het buiten zijn is lekker. Zulke momenten zijn belangrijk.”

“Emoties delen helpt,” zegt Loes van der Vlist, “maar daar stopt het niet bij. Er hoort een heel beleid bij. Sinds ik hier hoofdverpleegkundige ben, heb ik bij een aantal mensen die al tien of meer jaar op oncologie werken, duidelijke verschijnselen gezien van burnout, door de emotionele stress. Uitputtingsverschijnselen. Het hoopt zich op, en door de hoge werkdruk wordt er onvoldoende aandacht aan besteed. Je ziet vaak dat de dokters bepalen wat er moet gebeuren en de verpleegkundigen te weinig mogelijkheden hebben om de werkdruk in balans te houden. Een patiënt gaat bijvoorbeeld voor operatie en het blijkt dat het veel ernstiger was dan gedacht. Het leek mogelijk om hem genezend te opereren, maar nu blijkt dat hij nog maar een maand te leven heeft. Zo’n patiënt leunt op de verpleegkundige die hem verzorgt, en dat is heel indringend. Dat wordt dan doorgesproken: hoe kun je daarmee omgaan, hoe kun je elkaar ondersteunen. Je kunt je onmachtgevoelens uitspreken en als je collega’s met dezelfde onmacht blijken te zitten, helpt het om dat te delen. Dat is de aanzet. We hebben al heel lang elke dag een groepsbespreking, maar dat is niet voldoende – er moet ook een vervolg aan gegeven worden. Elke week hebben nu ook een psychosociale bespreking. Een problematische patiënt wordt ingebracht en onder begeleiding van een maatschappelijk werker en dikwijls ook een geestelijke verzorger kijken we hoe de verpleegkundigen het beste daarmee om kunnen gaan. En afgelopen jaar ben ik ook begonnen cursussen zingeving te organiseren. Vragen komen aan bod als: wat betekent ziek zijn en sterven voor jouzelf, hoe maakt het dat je er mee omgaat in je werk? Je moet weten hoe je zelf in het leven staat, dat moet je van jezelf weten. En je moet kunnen relativeren kunnen, humor hebben.” Voor sommigen is het uiteindelijk beter als ze bewust kiezen om ergens anders te gaan werken, stelt ze.

Ook de sfeer op een afdeling is bepalend, zegt Martine Franken, hoofdverpleegkundige op de Chirurgische Oncologie van het UMC Utrecht. “Hoe weerbaar of kwetsbaar je bent op het werk heeft veel te maken met de vraag of je je veilig voelt op de afdeling, of je iets kwijt kunt bij een collega na een slechtnieuws-gesprek, of er aandacht is van uit de leiding. Als iemand overleden is of euthanasie heeft gehad, proberen wij de tijd te nemen voor de collega die ermee te maken had. Laatst hadden we ‘s avonds een euthanasie op de afdeling. Normaal gesproken probeer je dat in een dagdienst te laten plaatsvinden, want dan zijn er teamleiders en genoeg collega’s om degenen die erbij betrokken zijn, op te vangen. Maar deze patiënt wilde dat heel graag om half negen ‘s avonds en daar hebben we gehoor aan gegeven. Ik heb ervoor gekozen om toen zelf ook in huis te komen, speciaal voor die collega en de rest van het team, als ze behoefte hadden om terug te vallen op iemand. De kunst in mijn functie is de mooie en bijzondere kanten van een situatie te laten zien, hoe moeilijk en droevig het kan zijn. Als je achter je mensen staat, haal je het beste uit ze.”

Zelf herinnert ze zich nog levendig hoe het was toen zij begon, net achttien en met drie maanden vooropleiding achter de rug: “Op mijn eerste afdeling was de sfeer afschuwelijk omdat het hoofd overspannen rondliep en er heel veel onderling gekonkel was. Ik voelde me niet op mijn gemak. De meeste steun heb ik toen aan de keukenhulp gehad. Daar kon ik even een kop koffie of een glas sinaasappelsap komen drinken – ze had gezelligheid en aandacht voor me. Daarna zou ik naar cardiologie gaan, en ik dacht: o nee, weer zo’n afdeling waar iedereen dood gaat, verschrikkelijk! Maar op die afdeling heb ik, gewoon omdat het een goed georganiseerde afdeling was, een ontzettend goede tijd gehad. Het team en de leiding waren duidelijk, rechtstreeks en rechtvaardig. Mijn derde stage was op de chirurgische afdeling waar ik ook vast ben gaan werken. Ik kwam schuchter binnen om me voor te stellen en het waarnemend hoofd zat met de benen op de stoel een sinaasappel te pellen. Ze vroeg wie ik was, wat ik gedaan had, en: ‘Wil je een stukje sinaasappel?’ Menselijk contact, gezien worden, is heel belangrijk. Als die factoren gewaarborgd zijn, kun je ook van de emotionele momenten leren.”

Boeken van Huub Buijssen:

‘Incidenten in de zorg kunnen grote impact hebben’ IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005

IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005, pagina 7-9

Opvang staat of valt met belangstelling en rust

door Alex Huismans

In uw werk kunt u te maken krijgen met ingrijpende gebeurtenissen, zoals het overlijden van een kind, een mislukte reanimatie of de zelfdoding van een cliënt. Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier, maar goede opvang met voldoende rust en betrokkenheid van uw omgeving is absoluut noodzakelijk. Zo voorkomt u serieuze problemen.

Een bewoner die ‘s nachts in totale eenzaamheid overlijdt omdat er een personeelstekort is. Of een cliënt met wie u een hechte band hebt opgebouwd, blaast zijn laatste adem uit. Het zijn voorbeelden van voorvallen die u kunnen raken en uw functioneren in de weg kunnen staan. Als medewerker in de gezondheidszorg bent u betrokken bij mensen. Daarom hebt u voor uw beroep gekozen en kan de gezondheidszorg niet zonder mensen als u. Maar om uw werk met plezier en op een gezonde manier te kunnen blijven doen, is een te grote betrokkenheid ook niet goed. Professionele afstand is het devies, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Op eigen manier verwerken
Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier. De een wil er het liefst vaak en veel over praten, een ander gaat liever sporten. Beide manieren zijn goed zolang ze in balans zijn. Alleen maar praten is niet verstandig, en je verliezen in de sport om maar niet aan het voorval herinnerd te hoeven worden, evenmin. Daarnaast is het belangrijk dat u probeert uw vaste patroon van slapen, werken, eten en ontspannen vast te houden, want structuur geeft u houvast. Juist in moeilijke periodes is regelmaat heel belangrijk. Bent u niet in staat om uw normale werkzaamheden uit te voeren, vraag uw leidinggevende dan of u tijdelijk andere, minder belastende taken, op u kunt nemen. Een tijdje in de luwte werken, is in veel gevallen beter dan thuis zitten. Zo blijft u betrokken bij uw werk en is de stap om weer volledig aan de slag te gaan, minder groot.

Praten, praten, praten
‘Je moet er veel over praten, dat lucht op.’ Veel mensen die iets ergs hebben meegemaakt, krijgen dat te horen van hun omgeving. Ten onrechte, want praten is niet altijd de beste manier om een ingrijpende gebeurtenis te verwerken. Vooral niet in het begin als ze het liefst met rust gelaten willen worden. En die rust krijgen ze niet als collega’s, familieleden en vrienden steeds weer over het incident willen praten. Door hun opstelling dwingen ze iemand min of meer terug te gaan naar de gebeurtenis, terwijl hij juist bezig is om die achter zich te laten. Wilt u een collega steunen, ga dan niet graven in zijn gevoelens. Door uw manier van helpen, kunt u zelfs meer schade aanrichten dan tot steun zijn. Vooral bij kwetsbare personen kunnen de gevolgen groot zijn, ook op langere termijn.

“Wat kan ik voor je doen?”
Wilt u uw collega echt steunen, speel dan in op zijn behoeften en houd er rekening mee dat elk verlies of vervelende gebeurtenis tijd kost om te verwerken. De vraag “wat kan ik voor je doen?” is de beste u kunt stellen. Zo toont u wel belangstelling, maar dringt u zich niet op. Uw collega krijgt de ruimte om aan te geven waar hij op dat moment behoefte aan heeft. Hij heeft de regie in handen en kan in alle vrijheid aangeven als u op dat moment niets voor hem kunt doen.
Is u zelf iets vervelends overkomen, besef dan dat niet iedereen even goed reageert op het voorval dat u hebt meegemaakt. Meestal is er geen sprake van boze opzet, maar weten collega’s, familieleden of vrienden niet goed raad met de situatie. Uit onmacht of onzekerheid kunnen ze op een manier reageren die u niet had verwacht of waar u op dat moment niet op zat te wachten. Veroordeel dergelijke reacties niet, maar accepteer ze.
Voor de mensen in uw omgeving kan het lastig zijn om af te wegen wanneer ze u met rust moeten laten en wanneer aandringen gepast is. Maar u mag er vanuit gaan dat degenen die u echt goed kennen, weten hoe ze zich het beste kunnen opstellen.

Toon belangstelling
Mensen die iets ergs hebben meegemaakt, waarderen belangstelling en blijken van medeleven. Een kaartje, bloemetje, telefoontje of sms’je doen het altijd goed. Meeleven is prima, maar aan medelijden hebben ze niets. Ze willen niet zielig gevonden worden en kunnen zich door blijken van medelijden zelfs slechter voelen. Is uw collega iets ergs overkomen en wilt u na verloop tijd weten hoe het met hem gaat, stel dan niet de vraag “hoe is het?”. Deze beleefdheidsvraag kan hij bijna niet anders beantwoorden dan met “goed”. Het is verstandiger een andere formulering te kiezen, zoals: “Je hebt laatst iets vervelends meegemaakt. Hoe gaat het op dit moment met je”.
Leidinggevenden spelen na een ingrijpende gebeurtenis een belangrijke rol. Juist omdat het incident in de werksituatie is gebeurd, verwacht de betrokkene iets extra’s. “Ik heb me altijd ingezet voor mijn werkgever, nu moet hij er voor mij zijn”, zo is vaak de reactie. Een medewerker zal de rol van zijn leidinggevende extra kritisch bekijken. Belangstelling tonen, aandacht geven en de juiste toon aanslaan zijn noodzakelijk. Een vraag als “wanneer kom je weer werken?” kan bij een medewerker in het verkeerde keelgat schieten. Hij voelt zich onder druk gezet en niet serieusgenomen.

Sterker in je schoenen
De impact die een incident op u kan hebben, heeft voor een deel te maken met uw persoonlijkheid. Wanneer u als stagiair(e) of onervaren medewerker iets ergs meemaakt, kunnen de gevolgen groter zijn dan wanneer u al langer werkt. Hoe aangrijpend een voorval ook geweest kan zijn, u wordt er in veel gevallen weerbaarder en sterker van. U hebt leren ontdekken wat u zoal aankunt. Er is iets erg gebeurd, maar u bent niet bezweken. U bent overeind gekrabbeld en hebt na verloop van tijd de draad weer opgepakt. Deze ervaring kan ervoor zorgen dat u sterker in de schoenen komt te staan.

 

Nathalie Muskens is betrokken maar kan werk loslaten
‘Soms moet ik een traantje wegpinken’

Nathalie Muskens werkt als ziekenverzorgster psychogeriatrie en is tijdelijk waarnemend afdelingshoofd in verpleeghuis De Weerde in Eindhoven. Het verpleeghuis is onderdeel van De Vitalis Zorg Groep. Door haar werk heeft Nathalie regelmatig te maken met het overlijden van patiënten. ‘Toen ik met dit werk begon, wist ik dat sterfgevallen erbij horen. Ik heb er nooit moeite mee gehad. Dat komt voor een deel doordat vroeger bij ons thuis heel normaal over de dood werd gesproken. Gelukkig heb ik in mijn werk nooit aangrijpende sterfgevallen meegemaakt. Sommige collega’s wel. Laatst vond iemand een patiënt die was gestikt. Dat vond ze heel naar om te zien. Gelukkig hebben we haar kunnen steunen, bijvoorbeeld door met haar te praten. Zo voorkom je dat je er mee blijft rondlopen. Ik ben betrokken bij mijn werk, maar kan het goed loslaten. Dat wil overigens niet zeggen dat een sterfgeval me onberoerd laat. Vooral niet als je een hechte band met iemand hebt opgebouwd. Soms moet ik een traantje wegpinken en daar schaam ik me niet voor. Vaak zie je een sterfgeval aankomen. Je kunt je er dan op voorbereiden. In ons maandelijks zorgoverleg praten we over de gang van zaken. Hoe hebben we gehandeld na een sterfgeval? Waar hadden we het eventueel beter kunnen doen? Daar kunnen we dan van leren.
Bij een sterfval hoort natuurlijk ook het afleggen van de overledene. Dat vind ik iets heel moois. Het is het allerlaatste wat je nog voor iemand kunt doen. En voor mezelf is het de afsluiting van de zorg die ik heb gegeven.
Onze instelling besteedt gelukkig veel aandacht aan de nazorg na een overlijden. Iedereen kan bij collega’s terecht of eventueel bij een psycholoog. Ik heb onlangs extra aandacht gevraagd voor de mogelijkheid om een beroep te doen op professionele hulp. De Vitalis Zorg Groep krijgt er straks een afdeling voor palliatieve zorg bij, waar ook jongeren worden verpleegd. Het overlijden van een leeftijdgenoot kan veel ingrijpender zijn dan een sterfgeval in ons verpleeghuis. Om problemen te voorkomen, moet er goede nazorg zijn.’

Huub Buijssen, klinisch psycholoog en traumadeskundige
‘Zorg voor een goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust’

‘De onverwachte dood van een kind, het maken van een fatale fout of agressief gedrag van een cliënt of bezoeker zijn gebeurtenissen die mensen sterk kunnen aangrijpen. We spreken van een traumatische gebeurtenis als iemand tijdens of vlak na het incident gevoelens had van extreme angst, machteloosheid en afschuw. Iedereen heeft het dan enige tijd heel moeilijk. Hoe lang en hoe hevig, dat hangt voor een groot deel af van iemands persoonlijke veerkracht, de steun die hij krijgt en van de aard van het voorval. Wat het laatste betreft, gebeurt iets heel onverwacht of heeft een medewerker het idee dat hij het voorval had kunnen voorkomen, dan is de impact meestal groter. Een sterfgeval dat je ziet aankomen, brengt vaak minder heftige emoties met zich mee. Je houdt er geen psychotrauma aan over.
Een traumatische gebeurtenis te boven komen, verloopt hetzelfde als het genezingproces bij een ernstige lichamelijke verwonding of blessure. Bij beide gaat het om de goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust. Bij een psychotrauma is afleiding en ontspanning net zo belangrijk als praten. Daarom is het goed dat mensen in de directe omgeving niet steeds ongevraagd het incident ter sprake brengen. Belangstelling tonen en aandacht geven is natuurlijk heel belangrijk, maar dat hoeft niet altijd praten te zijn. Net als bij een lichamelijke wond hebben velen de eerste dagen juist wat behoefte aan rust en afleiding. Betrokkenheid kun je ook laten blijken door te vragen waar de ander behoefte aan heeft of te vragen of je iets voor de ander kunt doen. Zo laat je de regie ook bij de ander.
Laat iemand zijn eigen verwerkingstempo bepalen en respecteer zijn eigen manier van verwerken. Verder is het raadzaam om de “natuur zijn werk te laten doen” en de weerbaarheid van mensen niet te onderschatten. De meeste mensen die iets ergs hebben meegemaakt, komen er weer bovenop. Normaal doen en de hoop op herstel uitstralen, is daarom beter dan medelijden tonen of overbezorgdheid reageren.
Meer informatie: www.traumaopvang.com

 

Vijf tips om uw collega te ondersteunen

Tip 1
Toon medeleven. Na een vervelende ervaring heeft een mens eerst en vooral behoefte aan een gevoel van betrokkenheid. Laat uw collega merken dat u er voor hem bent. Geef een schouderklopje, pak de telefoon, stuur een kaartje, bloemetje of sms’je.

Tip 2
Biedt in het begin vooral praktische steun. Vraag of u iets kunt doen of regelen. Ook op deze manier toont u uw betrokkenheid en medeleven. Voor veel mensen is praktische ondersteuning in het begin belangrijker dan emotionele opvang.

Tip 3
Leg uw verwerkingsstijl niet op aan uw collega. Iedereen heeft een eigen manier van verwerken. Wat voor u goed is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Respecteer dat.

Tip 4
Zeg en vraag niet te veel. Laat uw collega tot rust komen. Te intensieve opvang is vaak goed bedoeld, maar kan verkeerd uitpakken. Stel vragen als: “wat kan ik voor je doen?” en “waar heb je behoefte aan?” Graaf niet in andermans emoties en praat alleen over het incident als uw collega dat wil.

Tip 5
Onderschat de weerbaarheid van uw collega niet. Duw iemand niet te veel in de slachtofferrol en maak geen drama van het incident. Het helpt als uw collega ervan overtuigd is dat hij er wel weer bovenop komt. Stimuleer hem in deze overtuiging.

Tips ontleend aan:
Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt. Elsevier, 2003