Winnaars wedstrijd ‘Help de ggz gezonder te zorgen’

De wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen”, waarbij medewerkers in de ggz opgeroepen werden om arbotips in te sturen, heeft een groot aantal nuttige tips opgeleverd. Opvallend is dat in veel van de inzendingen het thema “agressie en onveiligheid” centraal stond.

In september was het zover: de drie prijswinnaars van de wedstrijd “Help de ggz gezonder te zorgen” werden bekend gemaakt door de jury. De prijsuitreiking vond plaats bij GGZ Nederland in Utrecht. Tijdens deze feestelijke middag lichtte de jury bij monde van Willeke Bezemer haar keuze toe. De ingezonden arbotips zijn beoordeeld op hun praktische toepasbaarheid en effectiviteit bij het terugdringen van het ziekteverzuim. Daarnaast is ook gekeken naar de algemene geldigheid van de tips. Ze moeten niet alleen voor de eigen maar ook voor andere ggz-instellingen bruikbaar en nuttig zijn.

Het thema “agressie en onveiligheid” wordt in het arboconvenant aangemerkt als één van de prioriteiten. De ingezonden tips benadrukken nog eens hoezeer dit thema de aandacht heeft én behoeft in de ggz. Ook de drie prijswinnende tips gaan over agressie en onveiligheid. Op deze pagina’s worden ze toegelicht.

1e prijs
‘Neem duidelijk standpunt in’
Marja Keus won de eerste prijs (6.000 gulden). Ze is verpleegkundige bij GGZ Drenthe en momenteel aan het “gluren bij de buren”, zoals ze het lachend noemt. ‘Ik werk tijdelijk bij GGZ Groningen om eens te kijken hoe het er daar aan toe gaat. Erg leerzaam.’

Haar tip: neem als instelling een standpunt in als het gaat om grensoverschrijdend gedrag van cliënten. Zorg bovendien dat de afspraken die daaruit voortvloeien inzichtelijk en bereikbaar zijn voor alle medewerkers. Keus pleit er bijvoorbeeld voor dat de instelling een standpunt inneemt over vragen als “Wanneer wordt er aangifte gedaan en door wie?”.

‘Ik had niet verwacht dat ik met deze tip de eerste prijs zou winnen, omdat het eigenlijk zeer voor de hand ligt’, zegt ze. ‘Als medewerker wil je dat je veiligheid gesteund wordt door de werkgever. Bij GGZ Drenthe is wel degelijk het een en ander geregeld, maar de meeste medewerkers weten dat niet.’ Keus zet het prijzengeld samen met GGZ Drenthe in voor een project waarin afspraken over agressie verder worden uitgewerkt. Daarnaast wordt ook onderzocht waar deze informatie het beste opgeslagen kan worden. GGZ Drenthe denkt aan een site op het interne netwerk. Keus: ‘Dan is de informatie actueel te houden en voor iedereen inzichtelijk en bereikbaar.’

2e prijs
‘Verhaal kwijt kunnen’
Bé Wolters en Ivo Zonnenberg, verpleegkundigen bij Zon & Schild in Amersfoort, onderdeel van de Symfora groep, sleepten de tweede prijs (3.000 gulden) in de wacht. Ze stuurden maar liefst twaalf tips in. De tip die het meeste indruk maakte op de jury ging over het organiseren van opvang na een incident. ‘Eens in de maand bespreken we incidenten met elkaar’, vertelt Zonnenberg. ‘Er is dus wel sprake van opvang, maar metéén na een incident zou er ook ruimte moeten zijn om even je verhaal kwijt te kunnen.’

De twee collega’s hebben ook nog een “tamelijk progressieve” tip ingezonden, aldus Zonnenberg. ‘Bij het separeren vallen nogal eens klappen. Voor buitenstaanders is dat misschien moeilijk te begrijpen, maar het gebeurt in de praktijk. Het ontwikkelen van extra stevige kleding die de eerste klappen opvangt en de verpleegkundige beschermt, vonden we daarom een goed idee.’ Wolters en Zonnenberg zijn uitgenodigd door de Vakgroep Agressie en Schokkende Gebeurtenissen van de Symfora groep om hun tips toe te lichten. Met het prijzengeld schaffen ze een airconditioning aan. ‘We werken op een zolder waar het ‘s zomers ontzettend warm is. Een airco betekent een hele verbetering.’

3e prijs
‘Zelfhulpgroep biedt steun’
Derde-prijswinnaar Marga van Herwijnen is leerling-verpleegkundige bij De Grote Rivieren en werkt momenteel op de opnameafdeling van APZ Gorinchem. ‘Mijn idee bestaat uit het oprichten van een zelfhulpgroep, waar medewerkers terechtkunnen na een traumatische ervaring’, vertelt Van Herwijnen. ‘Zo’n groep bestaat uit collega’s die hetzelfde hebben meegemaakt. Herkenning en erkenning spelen een belangrijke rol.’ Ook vindt ze dat er altijd iemand van deze groep bereikbaar zou moeten zijn, óók tijdens late en nachtdiensten. ‘Als er dan iets gebeurt, zijn er niet altijd collega’s om je op te vangen. Toch is het belangrijk dat je wel meteen, als je dat wilt, kunt praten over wat je overkomen is.’ Volgens Van Herwijnen zou een zelfhulpgroep goed kunnen bestaan naast andere vormen van opvang. ‘Ik zie het niet als een vervanging van bestaande opvang maar als aanvulling daarop.’

Met de 1.000 gulden die Van Herwijnen met haar tip heeft verdiend, gaat De Grote Rivieren een aantal boeken van Huub Buijssen over het omgaan met schokkende gebeurtenissen verspreiden binnen de organisatie.

 

‘Emoties verwerken: de beste strategieën.’ Carrière (special bij Nursing), november 2002

Carrière (special bij Nursing), november 2002

Emotionele stress hoort bij de verpleegkunde. Hoe ga je ermee om? Praten helpt – maar er is meer nodig.
Door Lisette Thooft

“Zolang de verpleging bestaat, hebben verpleegkundigen het moeilijk gehad met wat ze meemaakten,” zegt Huub Buijssen, psycholoog en auteur van diverse boeken over het omgaan met emotionele belasting. Er is de laatste tijd veel aandacht voor de emotionele belasting die verpleegkundigen dag in dag uit te verwerken krijgen, in de loop van hun ‘gewone’ werk. Zo gewoon is dat werk natuurlijk niet. De voortdurende confrontatie met pijn en lijden gaat je niet in je koude kleren zitten. Tachtig procent van alle sterfgevallen vinden plaats in een zorginstelling. De meeste verpleegkundigen maken in enkele jaren meer mee in dit opzicht dan de doorsnee mens in een heel leven. Een hulpbehoevende mens of kind verzorgen en verplegen kan alleen maar als je jezelf openstelt voor de kwetsbaarheid, het lijden en de pijn van die ander.

“Het zijn soms heel erge dingen die je hier meemaakt,” zegt Jannie de Vos, Hoofd van de afdeling Neonatologie van het UMC Utrecht/Wilhelmina Kinderziekenhuis. “Je blijft er wel even mee rondlopen. Dat is niet verkeerd. Het is ook goed dat dingen je raken, dat je een mens bent en blijft in dit werk.” Maar chronische emotionele belasting, of overbelasting, leidt tot burn-out en overspannenheid. Alle kleine beetjes onverwerkte emotie stapelen zich dan op en ineens gebeurt er iets dat als de spreekwoordelijke druppel de emmer doet overlopen. Ook echte of vermeende fouten die je zelf maakt of die je collega’s ziet maken, zelfs als ze geen gevolgen hebben, kunnen zware emotionele belasting veroorzaken.

“Florence Nightingale had zelf jarenlang een posttraumatische stress stoornis en een depressie,” vertelt Huub Buijssen, “dat gaat vaak samen. Na thuiskomst uit de Krimoorlog ontdekte ze dat er door haar toedoen vierduizend soldaten teveel gestorven waren door haar verzorging in het onhygiënische ziekenhuis. Als die op het slagveld verpleegd waren, hadden ze niet hoeven sterven. Ze had enorme schuldgevoelens en wroeging en vanaf dat moment was ze een tegenstandster van ziekenhuizen.”

Het idee dat ook verpleegkundigen soms hulp nodig hebben om te verwerken wat ze meemaken, is lang taboe geweest. Stilzwijgend heerste de opvatting dat je ook wel in staat bent om jezelf en je collega’s te helpen, als je opgeleid bent om anderen te helpen.

“Verpleegkundigen zijn dienstbare mensen,” zegt Loes van der Vlist, hoofdverpleegkundige op de afdeling chirurgische oncologie van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam, “en in de oncologie nog eens een keer extra. Soms zo dienstbaar dat ze alsmaar geven, geven, geven. Veel van hen hebben niet geleerd goed voor zichzelf te zorgen en daarna pas voor de ander. Dan is het ineens op.”

Huub Buijssen: “In de hele naoorlogse tijd was er een cultuur van je groot houden, wegstoppen, niet omkijken, en de verpleging is niet heiliger of beter dan de rest. Je moest er maar tegen kunnen, net een brandweerman tegen vuur moet kunnen.”

Maar die tijd is voorbij. Dat er opvang moet zijn voor emotionele stress is zelfs in de CAO voor ziekenhuizen vastgelegd. Veel ziekenhuizen hebben een protocol opgesteld voor wat er moet gebeuren bij een ernstige, aangrijpende gebeurtenis. Sommige ziekenhuizen hebben speciale opvangteams, of gebruiken de dagelijkse evaluatie doelbewust om emoties door te spreken.

“Collegiale opvang is de eerste en belangrijkste stap,” vindt Jannie de Vos. “Het sterven van een kind geeft altijd extra emotionele belasting. Als je voor een kind zorgt dat gaat overlijden, is het belangrijk dat je collega’s in de gaten houden of het allemaal wel gaat, met jou. In dat opzicht is het een voordeel als de afdeling groot genoeg is – je hebt altijd collega’s om je heen. Na moeilijke of emotionele situaties moet je altijd zorgen voor evaluatie en nabespreking. Hoe is het geweest, waar had ik last van, waar loop ik tegen aan en wat kan de volgende keer beter?”

Toch is praten niet het wondermiddel dat alles oplost. “Mensen hebben verschillende strategieën om emoties te verwerken,” zegt Huub Buijssen, directeur van trainingsbureau Buijssen Training en Educatie dat zich gespecialiseerd heeft in trainingen traumaopvang in de zorg. “Dat maakt het moeilijk om elkaar te steunen. De bekendste is met elkaar praten, maar dat is niet de enige en ook niet alleenzaligmakend. Je kunt ook in een dagboek schrijven, of er met jezelf over bezig zijn door te piekeren. Ook dat is verwerken. Vroeger dacht men dat alles verstoppen gezond was. Jacqueline Kennedy werd geprezen omdat ze bij de begrafenis van John F.Kennedy haar emoties zo goed in bedwang had. Maar toen Diana overleed, werden de leden van het Britse koningshuis bekritiseerd omdat ze zo weinig emotie toonden. Nu zegt men dus dat je verwerkt door erover te praten. De waarheid ligt in het midden: je verwerkt emoties door erover te praten EN door ze weg te duwen. Mensen die alleen maar aan het praten zijn, moet je in de gaten houden, en de niet-praters ook.” Het gaat bij stukjes en beetjes, legt de psycholoog uit. “Als je topsport bedrijft, zorg je dat je conditie krijgt door intervaltraining: afwisselend rennen en rusten. Dat rusten is net zo belangrijk, anders ga je over de kop. Met verwerken is het precies hetzelfde. Je moet er aandacht schenken en ermee bezig zijn. Maar als je geen adem meer krijgt, stop je en zoek je afleiding.”

“Ook dat kun je doen op verschillende manieren”, stelt hij. “Je kunt je op je werk storten, of op muziek, koken, drank, sport – alles kan, als je het maar niet overdrijft. Soms kan het zelfs goed zijn jezelf in de verdoving te zetten. Natuurlijk moet je je niet elke dag leplazarus zuipen, dan kom je namelijk niet meer in de aandachtsfase terecht. Dus je moet zorgen voor afwisseling. Praten met collega’s is prima – maar denken: over een uurtje of twee is het werk afgelopen, dan kan ik lekker naar huis, is ook prima. Of ondertussen aan het korfballen denken, of je verstoppen achter de krant. Dat is allemaal niet verkeerd. Het ziekenhuis moet ook af en toe die mogelijkheid bieden om te ontsnappen aan de emotie. Wij kunnen maar beperkte hoeveelheid confrontatie met leed aan, de een een uur per dag, de andere een half uur, maar allemaal hebben we tussendoor tijd nodig om op te laden. Dat is geen hardheid of kilheid. Net zoals de hardloper rust nodig heeft om een sprint te trekken, heeft de verpleegkundige tijd nodig van koelheid om bij de patient te kunnen zijn. Er wordt wel verwacht dat je acht uur per dag betrokken kunt zijn, maar dat is niet zo.”

“Voor mij werkt het al dat ik fiets van en naar het werk,” zegt Jannie de Vos. ,,Het is een behoorlijke afstand en dat is heerlijk om de overgang te maken en om los te laten wat er op het werk gebeurd is. Het buiten zijn is lekker. Zulke momenten zijn belangrijk.”

“Emoties delen helpt,” zegt Loes van der Vlist, “maar daar stopt het niet bij. Er hoort een heel beleid bij. Sinds ik hier hoofdverpleegkundige ben, heb ik bij een aantal mensen die al tien of meer jaar op oncologie werken, duidelijke verschijnselen gezien van burnout, door de emotionele stress. Uitputtingsverschijnselen. Het hoopt zich op, en door de hoge werkdruk wordt er onvoldoende aandacht aan besteed. Je ziet vaak dat de dokters bepalen wat er moet gebeuren en de verpleegkundigen te weinig mogelijkheden hebben om de werkdruk in balans te houden. Een patiënt gaat bijvoorbeeld voor operatie en het blijkt dat het veel ernstiger was dan gedacht. Het leek mogelijk om hem genezend te opereren, maar nu blijkt dat hij nog maar een maand te leven heeft. Zo’n patiënt leunt op de verpleegkundige die hem verzorgt, en dat is heel indringend. Dat wordt dan doorgesproken: hoe kun je daarmee omgaan, hoe kun je elkaar ondersteunen. Je kunt je onmachtgevoelens uitspreken en als je collega’s met dezelfde onmacht blijken te zitten, helpt het om dat te delen. Dat is de aanzet. We hebben al heel lang elke dag een groepsbespreking, maar dat is niet voldoende – er moet ook een vervolg aan gegeven worden. Elke week hebben nu ook een psychosociale bespreking. Een problematische patiënt wordt ingebracht en onder begeleiding van een maatschappelijk werker en dikwijls ook een geestelijke verzorger kijken we hoe de verpleegkundigen het beste daarmee om kunnen gaan. En afgelopen jaar ben ik ook begonnen cursussen zingeving te organiseren. Vragen komen aan bod als: wat betekent ziek zijn en sterven voor jouzelf, hoe maakt het dat je er mee omgaat in je werk? Je moet weten hoe je zelf in het leven staat, dat moet je van jezelf weten. En je moet kunnen relativeren kunnen, humor hebben.” Voor sommigen is het uiteindelijk beter als ze bewust kiezen om ergens anders te gaan werken, stelt ze.

Ook de sfeer op een afdeling is bepalend, zegt Martine Franken, hoofdverpleegkundige op de Chirurgische Oncologie van het UMC Utrecht. “Hoe weerbaar of kwetsbaar je bent op het werk heeft veel te maken met de vraag of je je veilig voelt op de afdeling, of je iets kwijt kunt bij een collega na een slechtnieuws-gesprek, of er aandacht is van uit de leiding. Als iemand overleden is of euthanasie heeft gehad, proberen wij de tijd te nemen voor de collega die ermee te maken had. Laatst hadden we ‘s avonds een euthanasie op de afdeling. Normaal gesproken probeer je dat in een dagdienst te laten plaatsvinden, want dan zijn er teamleiders en genoeg collega’s om degenen die erbij betrokken zijn, op te vangen. Maar deze patiënt wilde dat heel graag om half negen ‘s avonds en daar hebben we gehoor aan gegeven. Ik heb ervoor gekozen om toen zelf ook in huis te komen, speciaal voor die collega en de rest van het team, als ze behoefte hadden om terug te vallen op iemand. De kunst in mijn functie is de mooie en bijzondere kanten van een situatie te laten zien, hoe moeilijk en droevig het kan zijn. Als je achter je mensen staat, haal je het beste uit ze.”

Zelf herinnert ze zich nog levendig hoe het was toen zij begon, net achttien en met drie maanden vooropleiding achter de rug: “Op mijn eerste afdeling was de sfeer afschuwelijk omdat het hoofd overspannen rondliep en er heel veel onderling gekonkel was. Ik voelde me niet op mijn gemak. De meeste steun heb ik toen aan de keukenhulp gehad. Daar kon ik even een kop koffie of een glas sinaasappelsap komen drinken – ze had gezelligheid en aandacht voor me. Daarna zou ik naar cardiologie gaan, en ik dacht: o nee, weer zo’n afdeling waar iedereen dood gaat, verschrikkelijk! Maar op die afdeling heb ik, gewoon omdat het een goed georganiseerde afdeling was, een ontzettend goede tijd gehad. Het team en de leiding waren duidelijk, rechtstreeks en rechtvaardig. Mijn derde stage was op de chirurgische afdeling waar ik ook vast ben gaan werken. Ik kwam schuchter binnen om me voor te stellen en het waarnemend hoofd zat met de benen op de stoel een sinaasappel te pellen. Ze vroeg wie ik was, wat ik gedaan had, en: ‘Wil je een stukje sinaasappel?’ Menselijk contact, gezien worden, is heel belangrijk. Als die factoren gewaarborgd zijn, kun je ook van de emotionele momenten leren.”

Boeken van Huub Buijssen:

‘Incidenten in de zorg kunnen grote impact hebben’ IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005

IZZine, Tijschrift voor verzekerden bij het IZZ nr 3, 2005, pagina 7-9

Opvang staat of valt met belangstelling en rust

door Alex Huismans

In uw werk kunt u te maken krijgen met ingrijpende gebeurtenissen, zoals het overlijden van een kind, een mislukte reanimatie of de zelfdoding van een cliënt. Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier, maar goede opvang met voldoende rust en betrokkenheid van uw omgeving is absoluut noodzakelijk. Zo voorkomt u serieuze problemen.

Een bewoner die ‘s nachts in totale eenzaamheid overlijdt omdat er een personeelstekort is. Of een cliënt met wie u een hechte band hebt opgebouwd, blaast zijn laatste adem uit. Het zijn voorbeelden van voorvallen die u kunnen raken en uw functioneren in de weg kunnen staan. Als medewerker in de gezondheidszorg bent u betrokken bij mensen. Daarom hebt u voor uw beroep gekozen en kan de gezondheidszorg niet zonder mensen als u. Maar om uw werk met plezier en op een gezonde manier te kunnen blijven doen, is een te grote betrokkenheid ook niet goed. Professionele afstand is het devies, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Op eigen manier verwerken
Iedereen verwerkt een incident op zijn eigen manier. De een wil er het liefst vaak en veel over praten, een ander gaat liever sporten. Beide manieren zijn goed zolang ze in balans zijn. Alleen maar praten is niet verstandig, en je verliezen in de sport om maar niet aan het voorval herinnerd te hoeven worden, evenmin. Daarnaast is het belangrijk dat u probeert uw vaste patroon van slapen, werken, eten en ontspannen vast te houden, want structuur geeft u houvast. Juist in moeilijke periodes is regelmaat heel belangrijk. Bent u niet in staat om uw normale werkzaamheden uit te voeren, vraag uw leidinggevende dan of u tijdelijk andere, minder belastende taken, op u kunt nemen. Een tijdje in de luwte werken, is in veel gevallen beter dan thuis zitten. Zo blijft u betrokken bij uw werk en is de stap om weer volledig aan de slag te gaan, minder groot.

Praten, praten, praten
‘Je moet er veel over praten, dat lucht op.’ Veel mensen die iets ergs hebben meegemaakt, krijgen dat te horen van hun omgeving. Ten onrechte, want praten is niet altijd de beste manier om een ingrijpende gebeurtenis te verwerken. Vooral niet in het begin als ze het liefst met rust gelaten willen worden. En die rust krijgen ze niet als collega’s, familieleden en vrienden steeds weer over het incident willen praten. Door hun opstelling dwingen ze iemand min of meer terug te gaan naar de gebeurtenis, terwijl hij juist bezig is om die achter zich te laten. Wilt u een collega steunen, ga dan niet graven in zijn gevoelens. Door uw manier van helpen, kunt u zelfs meer schade aanrichten dan tot steun zijn. Vooral bij kwetsbare personen kunnen de gevolgen groot zijn, ook op langere termijn.

“Wat kan ik voor je doen?”
Wilt u uw collega echt steunen, speel dan in op zijn behoeften en houd er rekening mee dat elk verlies of vervelende gebeurtenis tijd kost om te verwerken. De vraag “wat kan ik voor je doen?” is de beste u kunt stellen. Zo toont u wel belangstelling, maar dringt u zich niet op. Uw collega krijgt de ruimte om aan te geven waar hij op dat moment behoefte aan heeft. Hij heeft de regie in handen en kan in alle vrijheid aangeven als u op dat moment niets voor hem kunt doen.
Is u zelf iets vervelends overkomen, besef dan dat niet iedereen even goed reageert op het voorval dat u hebt meegemaakt. Meestal is er geen sprake van boze opzet, maar weten collega’s, familieleden of vrienden niet goed raad met de situatie. Uit onmacht of onzekerheid kunnen ze op een manier reageren die u niet had verwacht of waar u op dat moment niet op zat te wachten. Veroordeel dergelijke reacties niet, maar accepteer ze.
Voor de mensen in uw omgeving kan het lastig zijn om af te wegen wanneer ze u met rust moeten laten en wanneer aandringen gepast is. Maar u mag er vanuit gaan dat degenen die u echt goed kennen, weten hoe ze zich het beste kunnen opstellen.

Toon belangstelling
Mensen die iets ergs hebben meegemaakt, waarderen belangstelling en blijken van medeleven. Een kaartje, bloemetje, telefoontje of sms’je doen het altijd goed. Meeleven is prima, maar aan medelijden hebben ze niets. Ze willen niet zielig gevonden worden en kunnen zich door blijken van medelijden zelfs slechter voelen. Is uw collega iets ergs overkomen en wilt u na verloop tijd weten hoe het met hem gaat, stel dan niet de vraag “hoe is het?”. Deze beleefdheidsvraag kan hij bijna niet anders beantwoorden dan met “goed”. Het is verstandiger een andere formulering te kiezen, zoals: “Je hebt laatst iets vervelends meegemaakt. Hoe gaat het op dit moment met je”.
Leidinggevenden spelen na een ingrijpende gebeurtenis een belangrijke rol. Juist omdat het incident in de werksituatie is gebeurd, verwacht de betrokkene iets extra’s. “Ik heb me altijd ingezet voor mijn werkgever, nu moet hij er voor mij zijn”, zo is vaak de reactie. Een medewerker zal de rol van zijn leidinggevende extra kritisch bekijken. Belangstelling tonen, aandacht geven en de juiste toon aanslaan zijn noodzakelijk. Een vraag als “wanneer kom je weer werken?” kan bij een medewerker in het verkeerde keelgat schieten. Hij voelt zich onder druk gezet en niet serieusgenomen.

Sterker in je schoenen
De impact die een incident op u kan hebben, heeft voor een deel te maken met uw persoonlijkheid. Wanneer u als stagiair(e) of onervaren medewerker iets ergs meemaakt, kunnen de gevolgen groter zijn dan wanneer u al langer werkt. Hoe aangrijpend een voorval ook geweest kan zijn, u wordt er in veel gevallen weerbaarder en sterker van. U hebt leren ontdekken wat u zoal aankunt. Er is iets erg gebeurd, maar u bent niet bezweken. U bent overeind gekrabbeld en hebt na verloop van tijd de draad weer opgepakt. Deze ervaring kan ervoor zorgen dat u sterker in de schoenen komt te staan.

 

Nathalie Muskens is betrokken maar kan werk loslaten
‘Soms moet ik een traantje wegpinken’

Nathalie Muskens werkt als ziekenverzorgster psychogeriatrie en is tijdelijk waarnemend afdelingshoofd in verpleeghuis De Weerde in Eindhoven. Het verpleeghuis is onderdeel van De Vitalis Zorg Groep. Door haar werk heeft Nathalie regelmatig te maken met het overlijden van patiënten. ‘Toen ik met dit werk begon, wist ik dat sterfgevallen erbij horen. Ik heb er nooit moeite mee gehad. Dat komt voor een deel doordat vroeger bij ons thuis heel normaal over de dood werd gesproken. Gelukkig heb ik in mijn werk nooit aangrijpende sterfgevallen meegemaakt. Sommige collega’s wel. Laatst vond iemand een patiënt die was gestikt. Dat vond ze heel naar om te zien. Gelukkig hebben we haar kunnen steunen, bijvoorbeeld door met haar te praten. Zo voorkom je dat je er mee blijft rondlopen. Ik ben betrokken bij mijn werk, maar kan het goed loslaten. Dat wil overigens niet zeggen dat een sterfgeval me onberoerd laat. Vooral niet als je een hechte band met iemand hebt opgebouwd. Soms moet ik een traantje wegpinken en daar schaam ik me niet voor. Vaak zie je een sterfgeval aankomen. Je kunt je er dan op voorbereiden. In ons maandelijks zorgoverleg praten we over de gang van zaken. Hoe hebben we gehandeld na een sterfgeval? Waar hadden we het eventueel beter kunnen doen? Daar kunnen we dan van leren.
Bij een sterfval hoort natuurlijk ook het afleggen van de overledene. Dat vind ik iets heel moois. Het is het allerlaatste wat je nog voor iemand kunt doen. En voor mezelf is het de afsluiting van de zorg die ik heb gegeven.
Onze instelling besteedt gelukkig veel aandacht aan de nazorg na een overlijden. Iedereen kan bij collega’s terecht of eventueel bij een psycholoog. Ik heb onlangs extra aandacht gevraagd voor de mogelijkheid om een beroep te doen op professionele hulp. De Vitalis Zorg Groep krijgt er straks een afdeling voor palliatieve zorg bij, waar ook jongeren worden verpleegd. Het overlijden van een leeftijdgenoot kan veel ingrijpender zijn dan een sterfgeval in ons verpleeghuis. Om problemen te voorkomen, moet er goede nazorg zijn.’

Huub Buijssen, klinisch psycholoog en traumadeskundige
‘Zorg voor een goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust’

‘De onverwachte dood van een kind, het maken van een fatale fout of agressief gedrag van een cliënt of bezoeker zijn gebeurtenissen die mensen sterk kunnen aangrijpen. We spreken van een traumatische gebeurtenis als iemand tijdens of vlak na het incident gevoelens had van extreme angst, machteloosheid en afschuw. Iedereen heeft het dan enige tijd heel moeilijk. Hoe lang en hoe hevig, dat hangt voor een groot deel af van iemands persoonlijke veerkracht, de steun die hij krijgt en van de aard van het voorval. Wat het laatste betreft, gebeurt iets heel onverwacht of heeft een medewerker het idee dat hij het voorval had kunnen voorkomen, dan is de impact meestal groter. Een sterfgeval dat je ziet aankomen, brengt vaak minder heftige emoties met zich mee. Je houdt er geen psychotrauma aan over.
Een traumatische gebeurtenis te boven komen, verloopt hetzelfde als het genezingproces bij een ernstige lichamelijke verwonding of blessure. Bij beide gaat het om de goede balans tussen (er mee) bezig zijn en rust. Bij een psychotrauma is afleiding en ontspanning net zo belangrijk als praten. Daarom is het goed dat mensen in de directe omgeving niet steeds ongevraagd het incident ter sprake brengen. Belangstelling tonen en aandacht geven is natuurlijk heel belangrijk, maar dat hoeft niet altijd praten te zijn. Net als bij een lichamelijke wond hebben velen de eerste dagen juist wat behoefte aan rust en afleiding. Betrokkenheid kun je ook laten blijken door te vragen waar de ander behoefte aan heeft of te vragen of je iets voor de ander kunt doen. Zo laat je de regie ook bij de ander.
Laat iemand zijn eigen verwerkingstempo bepalen en respecteer zijn eigen manier van verwerken. Verder is het raadzaam om de “natuur zijn werk te laten doen” en de weerbaarheid van mensen niet te onderschatten. De meeste mensen die iets ergs hebben meegemaakt, komen er weer bovenop. Normaal doen en de hoop op herstel uitstralen, is daarom beter dan medelijden tonen of overbezorgdheid reageren.
Meer informatie: www.traumaopvang.com

 

Vijf tips om uw collega te ondersteunen

Tip 1
Toon medeleven. Na een vervelende ervaring heeft een mens eerst en vooral behoefte aan een gevoel van betrokkenheid. Laat uw collega merken dat u er voor hem bent. Geef een schouderklopje, pak de telefoon, stuur een kaartje, bloemetje of sms’je.

Tip 2
Biedt in het begin vooral praktische steun. Vraag of u iets kunt doen of regelen. Ook op deze manier toont u uw betrokkenheid en medeleven. Voor veel mensen is praktische ondersteuning in het begin belangrijker dan emotionele opvang.

Tip 3
Leg uw verwerkingsstijl niet op aan uw collega. Iedereen heeft een eigen manier van verwerken. Wat voor u goed is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Respecteer dat.

Tip 4
Zeg en vraag niet te veel. Laat uw collega tot rust komen. Te intensieve opvang is vaak goed bedoeld, maar kan verkeerd uitpakken. Stel vragen als: “wat kan ik voor je doen?” en “waar heb je behoefte aan?” Graaf niet in andermans emoties en praat alleen over het incident als uw collega dat wil.

Tip 5
Onderschat de weerbaarheid van uw collega niet. Duw iemand niet te veel in de slachtofferrol en maak geen drama van het incident. Het helpt als uw collega ervan overtuigd is dat hij er wel weer bovenop komt. Stimuleer hem in deze overtuiging.

Tips ontleend aan:
Huub Buijssen, Traumatische ervaringen van verpleegkundigen. Als je beroep een nachtmerrie wordt. Elsevier, 2003

‘Arts verwerkt trauma in zijn eentje’ Het Parool, 6 oktober 2003

Het Parool, 6 oktober 2003
(ook verschenen in: Tubantia, Utrechs Nieuwsblad, Rijn en Gouwstreek,
De Amersfoortse Courant & het Leidsch Dagblad)

(Van een onzer verslaggevers)

DEN HAAG (GPD) – Artsen moeten een traumatische ervaring vaak in hun eentje verwerken, omdat zorginstellingen te weinig aandacht besteden aan nazorg. Artsen lopen door de gebrekkige aandacht voor trauma’s het risico dat ze ziek thuis komen te zitten. Of ze haken vroegtijdig af tijdens hun co-assistentschap. Dat stelt psycholoog Huub Buijssen in het boek ‘Uit de Praktijk. Indringende ervaringsverhalen van artsen’, dat vandaag wordt gepubliceerd.

Buijssen stelt dat het taboe op trauma’s bij artsen moet worden doorbroken. ,De overheersende gedachte is dat artsen maar tegen alle verschrikkingen moeten kunnen, die ze in hun werk tegen kunnen komen, net zoals brandweermannen tegen rook en vuur moeten kunnen. Maar ze maken zaken mee die soms wel heel extreem zijn.” In het boek komen 17 artsen aan het woord door wiens onachtzaamheid patiënten onnodig stierven, artsen die te kampen gehad met hevige agressie of fysiek geweld, die te maken kregen met suïcide van een eigen patiënt of die meehielpen aan euthanasie. Openhartig vertellen ze over hun slapeloze nachten, hun vertwijfeling, hun angsten en onzekerheden.

Sinds 2000 zijn zorginstellingen verplicht om traumaopvang te regelen. Nog maar de helft van de instellingen heeft daaraan voldaan. Bovendien ligt bij de protocollen voor traumaopvang sterk de nadruk op verpleegkundigen en ondersteunend personeel, artsen zitten zelden in een bedrijfsopvangteam. ,,Artsen willen net als iedereen graag praten met gelijkstelden, maar de kleine groepjes vertrouwenspersonen die er zijn bestaan vaak uit verpleegkundigen.”

De auteur en psycholoog stelt dat het moeilijk is voor artsen om met trauma’s om te gaan, omdat dat als zwakte kan worden geduid. Dat zou invloed kunnen hebben op de positie van de arts als eindverantwoordelijke. ,,Een kapitein op een schip mag op kritieke momenten ook niet onzeker overkomen, want dat ondermijnt zijn positie en gezag. In die zin is de kalme pose van onverstoorbaarheid zowel begrijpelijk als functioneel, bovendien wacht na een incident voor een arts al vaak weer de volgende patiënt”, zegt Buijssen.

Vooral artsen in de leerfase zijn kwetsbaar, omdat ze dan voor het eerst met geboorte en dood en ‘al het gekwakkel er tussen in’ te maken krijgen. ,,Artsen in opleiding worden nu vanaf de collegebanken in het diepe gegooid en als kuikentjes plots uit het nest geduwd met de opdracht zelf maar te leren vliegen. Ze leren hun vak nu eenmaal pas echt door te werken met levende mensen. Een betere voorbereiding, waarbij vooral wordt gezegd dat angst en twijfel in het begin normaal zijn, voorkomt dat ze er vroegtijdig de brui aangeven. Ze voelen zich nu vaak onzeker en twijfelen aan zichzelf, omdat ze denken dat angst niet normaal is. Deze cultuur heerst ook in veel ziekenhuizen waar artsen de scepter voeren die zich al jarenlang getraind hebben in het recht houden van hun schouders.’

Om agressie, geweld en bedreigingen tegen te gaan, en zo trauma’s te voorkomen, zouden met name bedrijfs- en huisartsen die vaak alleen werken een alarmknopje onder hun bureau moeten krijgen. Arbodiensten en de Nederlandse Vereniging van Bedrijfsartsen hebben dat al eerder toegezegd, maar er is nog niks gebeurd. In het boek bekent een arts dat hij daarom altijd een honkbalknuppel achter zijn bureau heeft staan.


Huub Buijssen en Suzanne Buis: Uit de praktijk. Indringende ervaringsverhalen van artsen. De Stiel, €25,-. ISBN 90 704 1531 3