‘Risico van vaktrauma is hoog in de verpleging’ Het Laatste Nieuws 22 maart 1995

door Loes Smit

Psycholoog Huub Buijssen geeft dat wat aarzelend toe. Als je maar niet de sterksten in het vak verwart met de besten, waarschuwt hij, want de besten vind je juist vaak aan de zwakke kant.

Als het om risico’s in het vak gaat, scoort verpleegkunde hoog. Aan geweld, bedreiging en diefstal staan entertainers het meest bloot, maar laat je de diefstallen weg, dan volgen meteen de verpleegkundigen. Voor hen – of ze nu in een ‘gewoon’ of psychiatrisch ziekenhuis, of een verzorg- of verpleeghuis werken maakt niet veel uit – komt daar nog bij dat patiënten onder hun handen sterven of zichzelf ombrengen.

Voorbeeld: in de 30 jaar dat ze in het vak zit, heeft een vrouw alleen al op haar eigen afdeling 249 zelfmoorden meegemaakt. Om gek van te worden. Zo ver komt het meestal niet, maar wel kan er een ernstig trauma uit voortkomen.

Buijssen heeft daar een boekje over geschreven, ‘Traumatische ervaringen van verpleegkundigen’, met de ondertitel ‘Als je beroep een nachtmerrie wordt’.

Dat laatste was de aanleiding het boekje te schrijven. In de jaren dat Buijssen als psychogerontoloog bij een kruisvereniging werkte, wist hij al dat verpleegkundigen zùlke ingrijpende voorvallen meemaken dat die hun leven ernstig kunnen beïnvloeden. In het zuiden van het land ging het zo en ook in de Rümkestichting in Den Dolder, zijn huidige werkplek, kan het niet anders zijn.

Wat veel voorkomt is dat de verpleegkundige het probleem inslikt en dus niet verwerkt, zeker als hij (maar meestal gaat het om een zij) er op het werk niet over kan praten. Het boekje gaat over het herkennen van een trauma en wat je eraan kan doen en bevat een aantal verhalen uit de praktijk.

Dooddoeners
Stel dat de zuster haar patiënt een injectie moet geven, die later de laatste blijkt te zijn geweest, want de patiënt overlijdt. Of een psychiatrisch verpleegde vliegt zijn verzorgster naar de keel. Je zou verwachten dat er in de instellingen begrip is voor het – onterechte – schuldgevoel of de angst voor herhaling. Niets van dat alles, in de regel zeker niet bij de afdelingshoofden en directies. Maar ook het thuisfront laat het afweten. Met dooddoeners als ‘het leven gaat door’ of ‘je moet je er overheen zetten’ is niemand geholpen.

Sinds hij een paar jaar geleden een brochure over hetzelfde onderwerp voor de politie schreef, maken tal van korpsen er gebruik van. Twaalf pagina’s over oorzaak en gevolg van een trauma (in de verpleging en dus ook in Buijssens boekje, wordt overigens over psychotrauma gesproken, omdat een trauma daar al staat voor alle lichamelijke verwondingen), waarvan binnen de kortste keren duizenden exemplaren werden besteld. Alleen al na de Bijlmerramp, op 4 oktober 1992, werden er 1 500 stuks aangevraagd.

Misschien had Buijssen niet aan een brochure gedacht, als hij niet naar een congres over trauma’s was gegaan. “Daar waren wel 400 workshops en lezingen over alle mogelijke trauma’s. Over gijzeling, aanranding, verkrachting, overvallen, berovingen, noem maar op, want er zijn er ontzettend veel. Maar tot mijn verbazing werd met geen woord over de verpleging gerept. Ik denk dat dat komt, doordat men redeneert: als je in de verpleging gaat, weet je wat er kan gebeuren, dat hoort nou eenmaal bij het vak.”

Zijn verbazing resulteerde in een artikel in het vakblad Verpleegkunde. Daaruit kwam uiteindelijk het boekje voort. Binnenkort komt er een brochure uit met de beknopte inhoud van het boek, waarop hij tientallen reacties van verpleegkundigen heeft gekregen die de ernst van de zaak nog benadrukken.

Zoals het verhaal van de verpleegster in een psychiatrisch ziekenhuis, waar een rechter op bezoek was om een inbewaringstelling voor patiënt X te regelen. “Ik zit op kantoor als X aanklopt en vraagt zijn ouders te mogen bellen. Terwijl ik opsta om dat in orde te maken, staat er weer iemand voor de deur. Ik wil die openmaken, maar X is me voor en houdt de deur dicht. Ik vraag hem driemaal weg te gaan en in de huiskamer verder te praten, want ik voel dat het zo niet goed gaat. Voordat ik naar hem toe ga, vraag ik een collega de zaak in de gaten te houden. X komt naar me toe. Hij is een grote man van wel 120 kilo. Hij heeft een starre blik in zijn ogen en lijkt onbereikbaar.”

“Op mijn verzoek te gaan zitten loopt hij naar een stoel, maar draait zich plotseling om, steekt zijn handen naar mijn keel uit, geeft me een paar harde dreunen op mijn hoofd en rukt aan mijn trui. Ik schiet uit mijn trui, val op de grond, maar gelukkig komen er dan anderen aan die X naar de separeer slepen.”

Het afdelingshoofd raadt haar aan aangifte bij de politie te doen en tenminste overplaatsing van X te vragen, omdat de man al eerder collega’s de keel blijkt te hebben dichtgeknepen, waarbij zelfs de nekspier van een slachtoffer is gescheurd. De rechter is overigens al die tijd in huis.

Buijssen vindt dit een typerend geval: “Iedereen maakt zich druk om de patiënt, maar om de zuster bekommeren ze zich niet. Alleen de politie vroeg: hebben jullie geen traumateam? Die zijn gewend aan opvang, maar zoiets kennen wij in de verpleging niet.”

Schiet de opleiding tekort? Aankomend verpleegkundigen zouden toch op dergelijke risico’s voorbereid moeten worden.

Buijssen: “Ik weet niet of je op alles kunt worden voorbereid. Nummer 1 op de top-100 van ingrijpende gebeurtenissen in een gewoon mensenleven is het overlijden van je partner. Iedereen weet tevoren dat dat ooit zal gebeuren, maar op zo’n moment heb je het er toch hartstikke moeilijk mee. In een psychiatrisch ziekenhuis kun je voor situaties komen te staan, dat een patiënt ineens met een groot keukenmes voor je staat of je met een elektrisch snoer probeert te wurgen. Of hij sluit je in je kamertje op en komt met een stuk hout op je af. Die dingen gebeuren. Daar kun je je moeilijk op voorbereiden.”

Een verpleegkundige die zo doodsnood heeft moeten doorstaan, zal haar verhaal kwijt willen. Het ligt niet alleen aan haar werkplek dat ze dat niet (voldoende) kan, maar evenzeer aan thuis. “Wij hebben niet goed geleerd om met verdriet en teleurstellingen om te gaan. Eigenlijk zou iedereen opnieuw moeten worden geprogrammeerd om niet altijd met dezelfde dooddoeners aan te komen”, zegt Buijssen. “Tachtig procent van dat soort opmerkingen blijkt niets te helpen.”

Volgens hem zit de top-10 van dooddoeners ongeveer zo in elkaar: 1. Ik weet hoe je je voelt. 2. Probeer je er overheen te zetten. 3. Het gaat wel over, de tijd heelt alle wonden. 4. Het leven gaat door. 5. Het had nog veel erger kunnen zijn. 6. Ga er eens lekker tussenuit. 7. Je moet er niet steeds over praten of denken. 8. Iedereen maakt wel eens een moeilijke tijd door. 9. Dat hoort nou eenmaal bij het vak. 10. Geloof me, alles komt goed.’

Het ergste is, zegt Buijssen, die in zijn boek tips geeft hoe het wèl moet, dat de omgeving om de hete brij heendraait, terwijl je het best door kunt vragen. Waar je zou willen stoppen, moet je juist doorpraten. Doe je dat niet, dan kruipt het slachtoffer uiteindelijk in z’n schulp, omdat toch niemand het begrijpt. En dan krijg je een trauma. “Het ergste is, dat je van het ene op het andere moment buiten de gewone wereld wordt geplaatst. Wegstoppen helpt niet. Als je zo’n gebeurtenis niet verwerkt, blijft die je leven beheersen, het blijft altijd op de achtergrond.”

Bang
Niet te schatten is, hoeveel verpleegkundigen met een trauma rondlopen. Er zijn er nogal wat die afhaken, ontslag nemen, zich in hun gezin terugtrekken en later ander werk zoeken. Ze lijken ook bang voor hun directies. Bang om voor niet goed in je vak aangezien te worden, bang voor ontslag, omdat zij de instelling een slechte naam zouden bezorgen.

Zijn de directies dan niet de oorzaak dat het zo ver is gekomen? “Uiteindelijk wel, maar vaak is het onwetendheid. Zo van: bij ons gebeurt dat niet.”

Misschien zal er nu iets veranderen, nu per 1 oktober de Arbowet met drie bepalingen is uitgebreid. Daarin staat, dat er in de instellingen iets tegen seksuele intimidatie, agressie en geweld moet gebeuren en dat er aandacht dient te worden besteed aan voorlichting en onderricht. Het is nog erg vrijblijvend. De nieuwe regels worden nergens omschreven en dus mag iedere instelling er naar eigen goeddunken mee handelen.

——————————————————————————–

Traumatische ervaringen van verpleegkundigen – Als je beroep een nachtmerrie wordt,
door Huub Buijssen. Uitg. De Tijdstroom, Utrecht, fl. 24,50.

 

“‘Een halt aan huilen op de wc.’ De Radbode (personeelsblad Radboudziekenhuis), september 2000

In de zorgsector is het slecht gesteld met de opvang van personeel na een traumatische gebeurtenis, bleek dit voorjaar uit onderzoek. En dat terwijl het verplegend personeel met regelmaat een schokkende gebeurtenis meemaakt. Om de opvang te verbeteren presenteren NU’91 en Nursing99 op bijeenkomsten onder de titel ‘Geschokt! Geraakt! Opgevangen?’ een traumaprotocol. “We moeten zuinig zijn op onze verpleegkundigen.”

“Ze werd binnen gebracht tijdens m’n nachtdienst. Ze was 74 jaar, totaal verbrand. De arts vertelde haar dat pijnbestrijding het enige was wat hij kon bieden. Dat ze hoe dan ook zou overlijden. Maar ze antwoordde dat ze geen pijnbestrijders wilde, dat ze dan te suf zou zijn en ze wilde graag bewust afscheid nemen. Later zei ze tegen me: ‘Ik realiseer me best dat er een keer een eind aan moet komen, maar dat dit nou de manier moet zijn waarop ik eruit moet stappen…’. Ik heb de naaste familieleden en vrienden gebeld en uitgelegd hoe de situatie ervoor stond. Gezegd dat ze niet moesten schrikken van haar uiterlijk. Ik was er de hele tijd bij.”
Het is al weer een paar jaar geleden dat verpleegkundige Henna Ruyssenaars de 74-jarige vrouw begeleidde op de afdeling spoedeisende hulp. Maar nog altijd ziet ze de verbrandde vrouw haarscherp voor zich als ze aan haar denkt. Ze zegt: “Je gaat professioneel met de zaken om. Je doet gewoon de dingen die je moet doen. Maar dat wil nog niet zeggen dat het je niet persoonlijk raakt.” Dat ze er geen trauma aan over heeft gehouden, wijt Ruyssenaars onder meer aan het feit dat ze diezelfde ochtend haar ei kwijt kon bij de collega’s die die nacht ook in de buurt waren. “Ik ben niet meteen naar huis gegaan. Ben nog even blijven napraten.”
Maar vaak ontbreekt daarvoor de rust, heeft 27 jaar ervaring op de afdeling spoedeisende hulp haar wel geleerd. “We krijgen hier de een na de ander binnen, waardoor je praktisch nooit tijd hebt om een pas op de plaats te maken.”

Sterfgevallen
De kans dat verplegend personeel een trauma oploopt is, vergeleken met andere beroepsgroepen, vrij groot. Uit onderzoek in opdracht van NU ’91 afgelopen voorjaar onder 500 verpleegkundigen en verplegers in algemene ziekenhuizen bleek dat de helft de afgelopen vijf jaar een traumatische gebeurtenis meemaakte. Sterfgevallen, vooral die van kinderen, komen het hardst aan. De respondenten gaven aan dat ze gemiddeld een tot vijf dagen nodig hebben om de ervaring te verwerken. Een vijfde zei serieus te hebben overwogen uit het vak te stappen of elders werk te zoeken.

Volgens klinisch psycholoog en trainer in traumaopvang Huub Buijssen is er sprake van een ‘posttraumatische stresstoornis’ als iemand een maand na een ingrijpende gebeurtenis nog steeds vrijwel aan niets anders kan denken. Wat hij of zij heeft meegemaakt trekt nog steeds met regelmaat aan z’n geestesoog voorbij en lichaam en geest zijn voortdurend in een verhoogde staat van paraatheid. Volgens Buijssen, auteur van ‘Geschokt’ en van ‘Geraakt’, twee boekjes over traumatische ervaringen van verplegend personeel, kampt een op de vijf mensen die een traumatische gebeurtenis meemaken, met zo’n stoornis.

Buijssen: “Wat het voor verpleegkundigen extra moeilijk maakt, is dat ze vaak een band hebben ontwikkeld met een patiënt. Als zo’n persoon suïcide pleegt of je ziet ‘m voor je ogen stikken, dan grijpt dat sterker aan dan wanneer de patiënt alleen een nummer voor je is.” Daar komt bij dat verpleegkundigen geacht worden de familie op te vangen. En dat kan zwaar zijn, weet ook Henna Ruyssenaars. “Op zo’n moment krijg je met hevige emoties te maken en met duizenden vragen die je vaak niet kunt beantwoorden. Je hebt de familie eigenlijk weinig te bieden. Je kunt ze aandacht geven, een praatpaal voor ze zijn, meer kun je niet doen. Dat is een moeilijk punt van ons werk.”
Heeft de verpleegkundige op het moment van de traumatische gebeurtenis ook tegenslag in de privésfeer, zoals een familielid dat overlijdt, of gaat het om een heel kwetsbare persoonlijkheid, dan is de kans groter dat hij of zij de gebeurtenis niet goed verwerkt. Dat is ook het geval als er tijdens de verpleging fouten zijn gemaakt met fatale gevolgen.

Steun van collega’s is volgens Buijssen essentieel bij schokkende gebeurtenissen.”Een verpleegkundige vertelde me dat er tijdens haar nachtdienst vijf patiënten overleden, terwijl dat er normaliter misschien een of twee zijn. Ze was er nogal van onder de indruk en toen haar leidinggevende dat zag, zei die: ‘Als je daar niet tegen kunt, moet je misschien eens uitkijken naar een ander vak.’ Zo’n opmerking maakt de kans groter dat iemand een traumatische gebeurtenis niet goed verwerkt.”

Slachtoffer
Een protocol om de opvang te regelen, is geen gemeengoed in ziekenhuizen, bleek uit het onderzoek van NU’91. Vijftien procent van de respondenten gaf aan dat er binnen hun instelling een opvangprotocol is. Dat overigens in minder dan de helft van de gevallen daadwerkelijk wordt gebruikt. Bijna eenderde van de ondervraagden wist niet of het ziekenhuis bij trauma’s vaste regels hanteert. Dat er wel een protocol voor traumazorg moet komen, daar was ruim tachtig procent van het ondervraagde verplegend personeel het over eens.

“Eigenlijk is het heel raar dat traumaopvang in de zorgsector niet is geregeld”, zegt beleidsmedewerker NU’91 Marcellino Bogers. “Bij de brandweer is traumaopvang al jaren praktijk en ook de politie heeft er protocollen voor. Ik hoorde van een geval waarbij iemand suïcide wilde plegen door onder een trein te springen en dat daar een traumateam voor de machinest aan te pas kwam, een team voor het slachtoffer, maar voor de verpleegkundige die erbij was, was niets geregeld. Dat is natuurlijk belachelijk. We moeten zuinig zijn op onze verpleegkundigen, het zijn er tenslotte steeds minder.”

Voor NU’91 waren de onderzoeksresultaten reden om te pleiten voor een betere nazorg in de ziekenhuizen in geval van schokkende gebeurtenissen. Het pleidooi had succes. In vier CAO’s die de beroepsorganisatie van verplegend personeel sloot met de ziekenhuizen is expliciet opgenomen dat de werkgever zorgt draagt voor een adequate opvang van medewerkers die een traumatische ervaring hebben gehad. Ook staat in de CAO’s dat de werkgever in overleg met de Ondernemingsraad een regeling ontwerpt.

NU’91 hoopt dat het protocol komend voorjaar een feit zal zijn in de betrokken ziekenhuizen. “En als er meldingen komen van verpleegkundigen die verklaren dat ze ten onrechte niet zijn opgevangen, dan zullen wij de eerste zijn die de instellingen zullen wijzen op de inspanningsverplichting die in de CAO is vastgelegd”, zegt Bogers.
Hoewel de CAO-onderhandelingen voor Academisch Ziekenhuizen nog moeten starten, gaat Bogers ervan uit dat de bepalingen over nazorg ook in die CAO wordt opgenomen.

Blik deskundigen
Klinisch psycholoog Buijssen verwacht veel van een protocol voor de opvang bij ingrijpende gebeurtenissen. “Als je voor de juiste opvang zorgt, kun je het aantal mensen dat een posttraumatische stoornis oploopt, verminderen. Ik denk dat het bijvoorbeeld belangrijk is dat al het verplegend personeel een eerste opvanggesprek leert voeren. Dat kun je in een paar uur tijd leren. En het mes snijdt aan twee kanten: verpleegkundigen komen in een ziekenhuis voortdurend in aanraking met traumatische patiënten. Met een cursus traumaopvang kunnen ze niet alleen hun collega’s beter begeleiden maar ook hun patiënten.”

Bogers en Buijssen hebben samen een aantal eisen opgesteld waaraan een traumaprotocol zou moeten voldoen. Bogers: “Bedoeld als een richtlijn waarop ziekenhuizen zich kunnen baseren als ze voor de eigen instelling een protocol op maat maken.” Zo zou de eerste opvang binnen 24 uur na het incident moeten plaatsvinden. “Het blijkt dat als er direct opvang geregeld wordt, de kans groter is dat mensen een schokkende gebeurtenis goed verwerken”, zegt Bogers.

Ook stellen ze voor om per ziekenhuis een ‘traumateam’ samen te stellen dat 24 uur per dag inzetbaar is. Zo’n team moet in ieder geval niet bestaan uit psychologen, psychiaters of maatschappelijk werkers, zegt Bogers. “We vinden het belangrijk dat je geen blik deskundigen opentrekt. Een psycholoog of psychiater kan stigmatiserend werken en is voor de meesten een te hoge drempel. Daar komt bij dat vakgenoten meestal onmiddelijk weten waar het over gaat. Je hoeft niet eens zoveel uit te leggen, een collega weet al snel wat je bedoelt. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Huilen op de wc, als verpleegkundigen weten we van elkaar dat we dat doen.”

 

 

‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’ Eindhovends Dagblad, 21 maart 1999

Eindhovends Dagblad, 21 maart 1999

Als je beroep een nachtmerrie wordt. Daarover spreken verpleegkundigen in twee boeken die volgende week verschijnen. Ze vertellen over hun traumatische ervaringen met dood en agressie. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’.

‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’. Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkt nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar:

‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. ‘Rustig aan, kalm blijven’, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos.’ ‘Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, ligt ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar één gedachte: ‘weg van hier, naar huis’. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik wil niet met hen praten. Ik schaam me te erg.’ ‘Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weet dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is één van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken Geraakt (psychiatrie) en Geschokt (algemene gezondheidszorg) van de klinisch psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. ‘Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen. Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of de zelfmoord van een patiënt: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt’, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging.

Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er -’s nachts letterlijk en figuurlijk alleen voor staat. Ze voelen zich onveilig. Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

Ceciel heeft nachtdienst:
‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname- afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gil, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.’ Meer dan de helft van de ondervraagden uit de NU’91-enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. ‘Ongelofelijk en onbegrijpelijk’, vindt beleidsmedewerker Bogers van NU’91.

De gezondheidszorg loopt op het gebied van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe een psychiatrisch patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadegeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van getraumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recente studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaar beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen.

Het meest diepgaand onderzoek is een studie uit 1994 van de Utrechtse psycholoog Peter van der Velden en verpleegwetenschapper T. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot dreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de veertien bedraagt. De slachtoffers van geweldsdelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide- incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘Zijn ze al afgelegd?’
Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer: ‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (…) de spanning loopt bij mij steeds verder op. ‘Doe ik alles wel goed?’ Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’ Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die lieve snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: ‘dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan’. Pieter moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van een deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijdens de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd?’, vraagt de ochtenddienst. ‘Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: ‘O, dat is misschien wel wat zwaar geweest’. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim, een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

Hoeveel verpleegkundigen hun beroep vaarwel zeggen ten gevolge van een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna een op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: ‘De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.’

Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams en tijdige signalering en goede begeleiding van verpleegkundigen, en in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek Geen tijd om aardig te zijn, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben besefd, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden ze verdrongen had. Buis: ‘Omdat ik als verpleeghulp vaak geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.’

‘Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.’


Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50
Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00
Beide boeken verschijnen 25 maart.

‘Opvang na trauma moet niet doorslaan’ Bijzijn, november 2005

Bijzijn, (Tijdschrift voor verpleegkundigen en verzorgenden)
jaargang 0, nummer 0, november 2005,

Vraag & Antwoord

‘Opvang na trauma moet niet doorslaan’

door Paulien Spieker

Huub Buijssen is psycholoog en schreef boeken over depressie bij ouderen, palliatieve zorg, mantelzorg en traumatische ervaringen in de zorg. Over dat laatste onderwerp verschenen maar liefst acht boeken van zijn hand.

Vanwaar die fascinatie voor verpleegkundigen die traumatische ervaringen in de zorg dingen meemaken?
“Eigenlijk is dat bij toeval ontstaan. Ik werkte bij de kruisvereniging in Breda, toen ik werd gevraagd om parttime voor de politie op te treden als psycholoog die agenten met een traumatische ervaring moest opvangen. Toen ik dat een paar jaar had gedaan was er in Amsterdam een wereldcongres over Post Traumatische Stress Stoornissen (PTSS). Voor allerlei beroepen die een verhoogd risico lopen te maken krijgen met traumatische ervaringen was er aandacht Behalve voor …verpleegkundigen.
Ik had een schoonzus die verpleegkundige was en die uit het vak was gestapt na een nare ervaring met morfine. Ik heb toen voor Verpleegkunde Nieuws een artikel geschreven over schokkende ervaringen met daarbij wat tips. Op dat artikel kreeg ik heel veel reacties, zelfs jaren later nog. Zo is het balletje gaan rollen.”

Is er inmiddels veel verbeterd in de opvang van mensen die een traumatische ervaring hebben meegemaakt?
“Ja. Hoewel het fenomeen PTSS nog niet zolang ‘bestaat’. Toen de oorlogsveteranen uit Vietnam terugkwamen, kwam er voor het eerst aandacht voor. In de verpleging werd het pas midden jaren negentig een onderwerp. Nu hebben de meeste ziekenhuizen de traumaopvang geregeld. In de zorg voor verstandelijk gehandicaptenzorg en de GGZ is naar schatting een kwart nog niet zo ver. Maar mijn zorg is nu dat het doorslaat naar het aanbieden van te veel zorg.”

Hoezo?
“Opvang na traumatische gebeurtenissen is net als rouw tijdgebonden. Begin jaren zestig werd Jacqueline Kennedy de heldin van het volk omdat ze zo flink was; ze had tijdens de begrafenis van haar man niet gehuild. In die tijd moest je je groot houden. Toen prinses Diana stierf was dat heel anders. Queen Elisabeth werd zelfs gekapitteld omdat ze te weinig medeleven toonde. Dat zie je ook in de zorg. Nu moet je het er veel over hebben. Terwijl niet iedereen daar behoefte aan heeft en – nog belangrijker – het is niet voor iedereen goed.”

Wat is de beste manier om gekwetste collega’s op te vangen?
“Er ergens tussenin gaan zitten. Niets voorschrijven, maar aan de mensen zelf vragen waar zij behoefte aan hebben. Er zijn. Betrokkenheid tonen en je eigen behoefte daarbij even opzij zetten. En niks forceren. “

Hoe komt het dat de één niet ziek wordt en een ander wel een PTSS ontwikkelt?
“Mensen verschillen. Het hangt af van de ernst van het trauma en de mate van blootstelling. Maar vooral ook van de mate van kwetsbaarheid van het individu. Een kwart van de mensen is extra kwetsbaar. Deze mensen hebben meer risico op een PTSS.”

Jij bent psycholoog maar vindt dat mensen na een traumatische ervaring niet meteen door een professionele hulpverlener moeten worden opgevangen. Hoe zit dat?
“Als je er eenmaal in verdiept, merk je dat mensen het niet zo prettig vinden als er meteen een vreemde hulpverlener op hen wordt afgestuurd. Ga jezelf maar na. Als er iets naars gebeurt ga je het liefste naar een goede vriend of vriendin, iemand van je familie, of een naaste collega.”

Ja, maar professionals hebben er voor doorgeleerd.
“Uit onderzoek blijkt ook dat mensen die worden opgevangen worden door professionals slechter af zijn dan zij die worden opgevangen door hun naasten. De professionele hulpverlener moet op de achtergrond blijven. Pas als iemand vastloopt, kan een professional worden ingeschakeld.”

Huub Buijssen werkt mee aan de nieuwe rubriek ‘Dilemma’s’, waarin hij als één van de deskundigen tips en adviezen geeft aan verpleegkundigen of verzorgenden die op hun werk geconfronteerd worden met lastige kwesties of dilemma’s.

‘Flink zijn is Link. De gevaren van het doorlopen met de gevolgen van een schokkende gebeurtenis.’ De Dordtenaar, 11 oktober 2001”

Het Albert Schweitzer ziekenhuis belicht vandaag tijdens het symposium ‘Flink zijn is Link’ de gevaren van het doorlopen met de gevolgen van een schokkende gebeurtenis.

Door Jill Waas
DORDRECHT – Een verpleegkundige ziet een patiënt, die ze heeft proberen te reanimeren, onder haar handen sterven. Vervolgens reageert de zoon van de patiënt zijn emoties af op haar. „Ik krijg je nog wel, je hebt mijn moeder dood laten gaan”, bedreigt hij de verpleegkundige.

Een verpleger heeft zijn nichtje verloren bij een auto-ongeluk en een paar weken later komt een meisje van dezelfde leeftijd binnen op de afdeling die zwaargewond is geraakt bij een aanrijding. Of een verpleegster prikt zich aan de naald waarmee ze zojuist bloed heeft afgenomen bij een HIV-geïnfecteerde. Dit zijn slechts een paar voorbeelden van gebeurtenissen die tot traumatische ervaringen kunnen leiden bij ziekenhuispersoneel. Het komt vaak voor dat het slachtoffer de ervaring niet verwerkt, zijn gevoelens wegstopt en gewoon doorgaat. Dat is verkeerd, vindt het Albert Schweitzer ziekenhuis. Tijdens het symposium ‘Flink zijn is Link’ belicht het ziekenhuis de gevaren van het doorlopen met de gevolgen van een schokkende gebeurtenis. „We willen onze medewerkers duidelijk maken dat ze hulp moeten zoeken als ze met nare gevoelens door zo’n ervaring blijven rondlopen. Erover praten helpt, maar beseffen dat het normaal is dat je heftig reageert op zo’n gebeurtenis is het belangrijkste. Ook moeten medewerkers alert zijn op collega’s die iets vervelends meemaken en elkaar opvangen. Gewoon doorgaan en denken dat de gevoelens vanzelf verdwijnen, is gevaarlijk. Verwerk je een gebeurtenis die een diepe indruk op je maakt niet goed, dat steekt de pijn altijd op een onverwacht en ongewenst moment de kop op. Het gevolg kan zijn dat personeelsleden concentratieproblemen krijgen, heel angstig of onzeker worden en zelfs thuis komen te zitten met psychische problemen of een totale burn-out”, zegt beleidsmedewerker Sylvia Mol die het project Vangnet coördineert. Het rapport van de Arbo Unie uit 1999 liegt er niet om: meer dan dertig procent van de gezondheidsklachten van personeel van het Albert ziekenhuis wordt gevormd door klachten van psychische aard. „Het is alleen moeilijk aan te tonen of het door een ingrijpende gebeurtenis op het werk komt. Vaak speelt er meer en is de traumatische ervaring de druppel”, zegt voorzitter J. Hochstenbach van de Arbo- stuurgroep in ziekenhuismagazine Remedie.

Vangnet
Het Albert Schweitzer ziekenhuis is vorig jaar gestart met Vangnet, een project waarin de opvang van collega’s door collega’s na een ingrijpende gebeurtenis centraal staat. Zes medewerkers van het ziekenhuis zijn getraind om collega’s op te vangen en daar komen er nog vier bij. De Vangnetmedewerkers voeren gesprekken, geven emotionele steun en verwijzen het personeelslid indien nodig door naar de bedrijfsarts. Die kan het slachtoffer weer doorverwijzen naar een externe in traumaverwerking geschoolde therapeut. Een belangrijke rol is ook weggelegd voor de mensen op de afdelingen zelf. „Verpleegkundigen zijn verplicht elkaar op te vangen. Wie de traumatische ervaringen van zichzelf afdoet als aanstellerij, kan ook voor een ander niets betekenen”, verklaart Mol. „We moeten voorkomen dat mensen helemaal afknappen op hun beroep doordat ze hun gevoelens wegstoppen. Er zijn al enorme tekorten in de gezondheidszorg en het zou vervelend zijn als die nog groter worden als gevolg van traumatische ervaringen bij het personeel als dat niet goed wordt opgevangen.”

Uit de evaluatie van de Arbo-wet (Soethout en Sloep, 2000) is gebleken dat met name verpleegkundigen eerder dan de gemiddelde mens in aanraking komen met een opeenstapeling van indringende gebeurtenissen. Zo worden bijna dagelijks geconfronteerd met verlies, dood en verdriet. Behalve bovengenoemde voorbeelden zijn er volgens Mol nog tientallen gebeurtenissen te noemen die kunnen leiden tot traumatische ervaringen. „Geweld, bedreigingen of intimidaties door patiënten of bezoekers, seksuele intimidatie en pesten van collega’s en leidinggevenden, patiënten die zichzelf iets aandoen, een verpleegster met een incestverleden die van een collega een goedbedoelde tik op haar billen krijgt, een patiënt waarmee een verpleegkundige een hechte band heeft die komt te overlijden, een ongeluk met een groot aantal zwaargewonden, ruzies tussen patiënten en familieleden enzovoorts.

 

‘Taboe medische fouten doorbroken’ Netwerk, 18 mei 2004, 20.30u

Netwerk, 18 mei 2004, 20.30u

door W. van der Horst (Avro)

In Netwerk spreken drie medici voor het eerst openlijk over hun fouten. Bij twee van hen was de medische misser zelfs fataal. Er rust een groot taboe op het onderwerp: artsen die medische fouten maken, komen daar vaak niet openlijk voor uit.

‘Gewoon fout’
Longarts Piet Postmus, dermatoloog Jannes van Everdingen en ex-huisarts en hoofdredacteur van het blad Medisch Contact Ben Crul, vertellen over hun betrokkenheid bij een medische fout. Van Everdingen: “Na de fout ging ik de patiënt medeschuldig maken, omdat ik vond dat hij me op een dwaalspoor had gebracht. Maar als je de zaak ‘sec’ bekijkt, ben ik gewoon fout. Er viel de patiënt niets te verwijten.”

Reputatieschade
Artsen houden in de regel hun mond over fouten. Volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen komt dat, omdat de artsen bang zijn voor reputatieschade. “Als je een foutje maakt op een kantoor dan is dat jammer, bij een arts stopt soms het leven en zijn carrière.” Ook verzekeringsmaatschappijen zijn niet happig op openheid.

Taboe doorbroken
“Op een bepaalde manier wordt hier een taboe doorbroken,” zegt de voorzitter van de Orde voor Medisch Specialisten, Pieter Vierhout. Hij pleit in Netwerk voor meer openheid over medische fouten. “Eerlijkheid maakt dat je de patiënt inzichtelijk maakt wat er gebeurd is. Dat hij het begrijpt en niet het gevoel heeft dat hij belazerd wordt. Maar we moeten de patiënt vooraf ook duidelijk uitleggen wat er fout kan gaan. Wij zijn feilbaar.” Volgens Vierhout voorkomt openheid in veel gevallen een rechts- of tuchtzaak.

‘Uit de praktijk’
Huub Buijssen en Suzanne Buis schreven een boek met ervaringsverhalen van artsen en een handreiking voor zelfhulp en nazorg bij psychotrauma’s in de zorg. In de bundel wordt ook aandacht besteed aan medische fouten. Het boek heet: ‘Uit de praktijk: Indringende levensverhalen van artsen. En een gids voor zelfhulp en nazorg na incidenten.

Sneller Beter
Minister Hoogervorst van Volksgezondheid, de Orde van medisch Specialisten en de ziekenhuisvereniging NVZ willen de kwaliteit en efficiency van ziekenhuizen verbeteren. Daartoe is president-directeur Willems van Shell vandaag geïnstalleerd om onderzoek te doen naar veiligheid in de zorg. Hij wordt speciale ‘gezant’ van het programma Sneller Beter.

‘Baas hoeft niet met zakdoekjes te wapperen’ De Volkskrant 5 oktober 2005

Door Miriam Immerzeel

Werknemers krijgen in hun werkomgeving vaker te maken met agressie. Opvang is van cruciaal belang. Vooral door de baas zelf. Mensen denken vaak dat het vooral om emoties gaat. Maar dat is een misverstand.

Een bankovervaller die een pistool op je slaap plaatst. Of een klant die zij grieven kracht bijzet met een honkbalknuppel. Steeds meer Nederlanders krijgen te maken met agressie op het werk. Van hotelmedewerkers tot ambulancepersoneel, van gemeenteambtenaren tot leerkrachten, veel beroepsgroepen begeven zich en de hufterzone. Daar lijkt een scheldpartij, bedreiging of erger inmiddels normaal.Zo heeft een kwart van de leerkrachten in het basisonderwijs afgelopen
schooljaar te maken gehad met agressie van ouders.In sommige gevallen leidt agressie en geweld tot langdurige uitval. Iets meer dan 2 procent van de werknemers zegt zelfs langer dan een
maand te hebben verzuimd als gevolg van agressie en geweld op het werk. Opmerkelijk is dat vooral jongere werknemers zeggen dat zij om die reden wel een verzuimen of minder goed functioneren. Belangrijk is dat werknemers die met agressie te maken hebben gehad,
goed worden opgevangen. Bijna 11 procent zegt behoefte te hebben aan hulp in het omgaan met conflicten, intimidatie of agressie.
En ze hebben groot gelijk vindt Huub Buijssen. Hij is zelfstandig psycholoog en schrijver
van diverse boeken over agressie, opvang na aangrijpende gebeurtenissen en preventie op het werk. Werknemers die goed zijn opgevangen, voelen zich gesteund en kunnen zelfs meer tevreden met hun baan zijn dan collega`s die nog nooit iets ergs op het werk hebben meegemaakt.
Slechte of geen opvang vergeten werknemers nooit. Ze blijven misschien wel werken, maar zijn het minst tevreden en gemotiveerd, aldus Buijssen. Vooral de direct leidinggevende speelt een bepalende rol, zo blijkt onder meer uit een peiling onder verpleegkundigen. Op de vraag wie ze
de belangrijkste steun vinden, kwam een opmerkelijk antwoord: hun manager. Dus niet collega`s, niet de familie en ook niet het bedrijfsomvangteam. Medewerkers die iets meemaken op hun werk voelen zich niet alleen aangedaan door de dader, legt Buijssen uit, maar ook door hun werkgever. Vlak na een incident ben je als manager het gezicht van de organisatie. Er wordt verwacht dat je iets doet..De vraag is natuurlijk wat je dan moet doen in ieder geval is het
meestal niet nodig om meteen met zakdoeken te gaan wapperen. Mensen denken vaak dat het vooral om emoties gaat. “Dat is een misverstand”, zegt Rolf Kleber, bijzonder hoogleraar
psychotraumatologie aan de Universiteit Utrecht. De allereerst opvang moet heel praktisch zijn. Bij heel ernstige voorvallen is het vooral een kwestie van wegvoeren van het incident, schone kleding en contact met de familie en politie. Breng structuur aan in de situatie, daar
hebben slachtoffers van geweld behoefte aan. Maar daarna met er wel een moment komen dat alle betrokkenen even rustig gaan zitten. Na de eerste schrik wil de meerderheid meteen zijn
of haar verhaal kwijt, dus dan moet de manager gewoon luisteren. De rest die niet wel praten, moet je toch expliciet vragen of je iets voor ze kunt doen. Wat je in ieder geval niet moet zeggen, is dat het iedereen wel eens overkomt, waarschuwt Kleber. Zeg ook niet: ‘Jongens, het werk gaat door.’ Op zo`n moment gaat het om erkenning. “Ja, er is iets ergs gebeurd en ik vind het vreselijk voor je”. Ga ook niet de situatie zitten te vergelijken met iets wat jezelf ooit hebt
meegemaakt. Als leidinggevende heb je toch een andere rol. Want als de eerste consternatie voorbij is, is het vooral aan leidinggevenden om lering te trekken uit incidenten. Dat zijn ze niet
alleen verplicht aan hun medewerkers, maar ook aan de werkgever en de Arbo-wet. Aan klanten, leerlingen en patiënten kan een manager niet sleutelen. Maar wel aan de werkomstandigheden. Buijssen noemt de aanpak van een psychiatrisch ziekenhuis als voorbeeld.”Beetje bij
beetje kwam het erachter dat de overdracht tussen teams hét moment van de dag was dat patiënten onrustig werden en eerder agressief. Daar hebben ze op ingespeeld door de overdracht op een andere manier te doen, met meer medewerkers”.Er wordt veel van leidinggevenden geëist, vindt Buijssen. Ze moeten iemand kunnen troosten, maar tegelijk ook de belangen van de hele
afdeling in de gaten hoeden en die van de hele organisatie. Terwijl ze zelf misschien ook van de kaart zijn door het incident of door de confrontatie met het slachtoffer. Het licht er een beetje aan hoe intiem de verhoudingen zijn, maar echt je verdriet delen met medewerkers raden beide psychologen leidinggevenden niet aan.”Je kunt dan beter steun zoeken bij collega managers of je eigen leidinggevende. Veel bedrijven hebben vertrouwenspersonen of bedrijfsmaatschappelijk werkers in dienst”, aldus Kleber..Op langere termijn moeten direct leidinggevenden in de gaten houden of mensen niet posttraumatische stresstoornis ontwikkelen, een ernstige verwerkingsstoornis. Bij Buijssen legt uit:”Kunnen ze zich niet concentreren op hun werk, zijn er problemen thuis, komen ze afwezig en dof over? Dan is het tijd om professionele hulp te zoeken, ga niet zelf wroeten in iemand gevoelens.

Eerste hulp bij agressie:
1 Zoek uit wat precies is gebeurd.
2. Wie zijn er direct en indirect getroffen.
3. Welke behoeften hebben de medewerkers?
4. Wat moet je nu en wat later regelen?
5. Geef kwetsbare medewerkers extra aandacht.
6. Toon begrip.
7. Niet bagatelliseren, geen foute grappen.
8. Regel telefonisch contact met familie.
9. Informeer niet-betrokken medewerkers.
10.Informeer medewerkers over (professionele) vervolghulp

‘De blauwe plekken van de verpleging’ Brabants Dagblad, 13 maart 1999

Verpleegkundigen staan dagelijks bloot aan geweld en bedreiging
De blauwe plekken van de verpleging
Door Paul Bolwerk

Als je beroep een nachtmerrie wordt. In twee boeken die deze maand verschijnen, schrijven verpleegkundigen hun traumatische ervaringen met dood en agressie van zich af. In veel verhalen komt het gebrek aan begrip en nazorg na een schokkende gebeurtenis op pijnlijke wijze naar voren. De beroepsgroep lijdt aan ‘misplaatste flinkheid’. ‘Even uithuilen, een kop koffie en op naar de volgende patiënt.’

‘Ik wil er nooit meer aan herinnerd worden’.

Zo begint het verhaal van Anke. Het is nog maar een half jaar geleden dat ze op een gesloten afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis werkte. Na een traumatische ervaring stopte ze ermee. Haar moeder schreef haar ontslagbrief. Anke werkte nu als verpleegkundige in een algemeen ziekenhuis. Anke’s verhaal gaat over de zwakbegaafde Johan, een ‘jongen met trouwe hondenogen die de hele dag vlekken op de vloer bestudeert’. Tijdens een nachtdienst overrompelt Johan haar: ‘Voor ik begrijp wat er gebeurt, drukt Johan mij tegen de muur. Rustig aan, kalm blijven, schiet het door mijn hoofd, dan zal de ijzeren greep om mijn polsen vanzelf verslappen. Ik kijk Johan recht in zijn ogen. Maar ik krijg geen contact met hem. Hij is niet meer toegankelijk. Nu weet ik dat ik verloren ben. Ik vloek en huil. Johans handen zwerven overal over mijn lichaam. Ik proef zijn tong, een dikke zware slang die zich tussen mijn lippen dringt. Zijn mond legt mij het zwijgen op. Ik probeer te trappen, te schoppen, in zijn ogen te prikken. Tegenover zijn lichaamskracht ben ik echter machteloos. Als Jan en Gerard eindelijk komen en Johan van mij wegtrekken, lig ik als een huilend hoopje op de grond. Ik schaam me dood voor de ontklede toestand waarin mijn collega’s mij zien. Ik heb maar een gedachte: weg van hier, naar huis. Ik breng mijn kleren zo snel mogelijk in fatsoen en ren weg van de afdeling. Jan en Gerard roepen mij na. Ik schaam me te erg. Mijn moeder vangt me thuis op. Zij maakt een kop warme soep voor mij klaar, laat me uithuilen en dekt me toe als ik ga slapen. Ik wil niemand van het ziekenhuis meer onder ogen komen. Als ik aan de afdeling of mijn collega’s denk, zie ik mijzelf weer naakt op de grond liggen. En ik weer dat als zij naar mij kijken zij hetzelfde zullen zien of het zich zullen proberen voor te stellen. Johan heeft mij gebrandmerkt. Ik kan in het ziekenhuis niet meer dezelfde zijn als vroeger.’

Het is een van de vele traumatische ervaringen van verpleegkundigen en verzorgenden uit de boeken ‘Geraakt‘ (psychiatrie) en ‘Geschokt‘ (algemene gezondheidszorg) van de klinische psycholoog Huub Buijssen en auteur/verpleeghulp Suzanne Buis. Het zijn indringende verhalen van een beroepsgroep die vooral oog heeft voor de noden van een ander, maar minder van zichzelf. “Iedereen die voor het verpleegkundig beroep kiest, komt onherroepelijk in aanraking met emotionele gebeurtenissen”, zegt beleidsmedewerker Marcellino Bogers van NU’91, de beroepsorganisatie van de verpleging. “Schokkende incidenten zoals uitingen van agressie door patiënten of familie, het plotseling overlijden van een (jonge) patiënt of zelfmoord: het hoort er allemaal bij, maar het moet niet normaal worden gevonden. Verpleegkundigen praten er te weinig over, we eisen al gauw van elkaar dat de draad weer wordt opgepakt. Dit is misplaatste flinkheid, we weten dat je er op termijn last van krijgt.” Bogers doelt op een onlangs door NU’91 gehouden enquête over veiligheid en welzijn onder verpleegkundigen. Daaruit blijkt dat meer dan de helft van de ondervraagde verpleegkundigen er ’s nachts letterlijk en figuurlijk allee voor staat. Ze voelen zich onveilig.

Zwoele avond
Tweederde van de ondervraagden heeft in de afgelopen jaren een schokkende gebeurtenis meegemaakt. Als meest schokkend wordt ervaren: agressie, het plotseling overlijden van een patiënt, bedreiging, insluiping en de zelfdoding van een patiënt.

Ceciel heeft nachtdienst:
‘Het is zo’n mooie zwoele avond in mei. Een avond om op een terrasje te zitten, niet om te werken. Ik doe mijn fiets op slot, en loop door de ingang van B1, de gesloten opname-afdeling van het ziekenhuis. Dan schrik ik ineens van een ijselijke gril, ik kijk omhoog en zie het hoofd van Paul op mij afkomen. Ik verstijf helemaal. Nog geen halve meter van mij vandaan spat het als een watermeloen uit elkaar. Mijn kleren zitten onder Pauls bloed. Van schrik geef ik zijn lichaam een flinke schop en vloek ik hem stijf. Pas daarna ben ik in staat om hulp te halen. Nu, twaalf jaar later, zie ik Paul nog steeds van vier hoog op mij afkomen en uiteenspatten als ik iemand hoor gillen. O, wat haat ik gillende mensen.
Meer dan de helft van de ondervraagden uit de Nu’91- enquête geeft aan dat er geen protocol is binnen de zorginstelling, waarin een leidraad is vastgelegd voor de opvang en begeleiding van zorgverleners na een schokkende gebeurtenis. “Ongelofelijk en onbegrijpelijk”, vindt beleidmedewerker Bogers van Nu’91. De gezondheidszorg loopt op het gebeid van traumazorg volgens de vakbondsman ver achter bij politie, brandweer, Nederlandse Spoorwegen en het bankwezen. Een treinmachinist die machteloos moet toezien hoe en psychiatrische patiënt onder de wielen komt, kan rekenen op een goede nazorg. De verpleegkundige, die hetzelfde tafereel heeft gadeslagen, moet het vaak met minder doen. ‘Even uithuilen, een kop koffie, een sigaret en op naar de volgende patiënt’, is het devies.

Alarmsysteem
De beroepsorganisatie van de verpleging wil in april, bij de onderhandelingen voor de nieuwe cao voor de zorgsector, per instelling een protocol eisen voor de opvang en nazorg van traumatiseerde verpleegkundigen. De vakorganisaties in de zorg eisen een strikte naleving van de wettelijke richtlijnen voor een veilige werkplek (voldoende personeel, bewaking, alarmeringssystemen). Iets minder dan de helft van de ondervraagden blijkt bijvoorbeeld geen alarmsysteem te hebben tijdens de nachtdienst. Naar traumatische ervaringen in de zorg is tot op heden relatief weinig wetenschappelijk onderzoek verricht. Volgens een recent studie onder verpleegkundigen van de intensive care en spoedeisende hulp van het Academisch Ziekenhuis Utrecht heeft 98 procent wel eens een schokkende gebeurtenis meegemaakt. In ruim tweederde van de gevallen had dat te maken met de confrontatie met de dood. Vooral de dood van kinderen en jonge mensen heeft een grote impact. Een vergelijkbaat beeld valt op te tekenen uit een Nederlandse studie (1995) van ambulanceverpleegkundigen. Het meest diepgaand onderzoek is een studie ui 1994 van de Bossche psycholoog van der Velden en verpleegwetenschapper t. Herpers naar agressie in de psychiatrie. De helft (52 procent) van de ondervraagde personeelsleden in de psychiatrie blijkt een of meer keren per jaar serieus bedreigd te worden. Iets meer dan de helft van het personeel wordt wel eens geconfronteerd met lichamelijk geweld (van schoppen, slaan en bijten tot bedreiging met mes of geweer). En een op de tien werknemers in de psychiatrie is jaarlijks slachtoffer van een vorm van seksueel geweld. Minstens een op de vijf zegt minimaal een keer per jaar letsel op te lopen. Het werkelijke aantal slachtoffers van geweldsmisdrijven binnen de psychiatrie ligt zeer waarschijnlijk hoger. Nog geen 50 procent van de slachtoffers maakt melding van lichamelijk geweld.

Hulp
Het belang van slachtofferhulp wordt groot geacht, omdat circa een op de drie hulpverleners, met name psychiatrisch verpleegkundigen, ernstige gezondheidsklachten heeft. Terwijl bij de collega’s die niet of nauwelijks ervaringen hebben met agressieve patiënten deze verhouding circa een op de vierteen bedraagt. De slachtoffers van gewelddelicten in de zorg moeten in principe volgens Van der Velden en Herpers in aanmerking kunnen komen voor hulpprogramma’s, zoals ontwikkeld voor overvallen bankpersoneel, treinmachinisten na suïcide- incidenten, brandweerlieden en politiemannen na een menselijk drama.

‘Zijn ze al gelegd?
Aan het begin van de nachtdienst (22.00 uur) op de afdeling neurologie van een academisch ziekenhuis hoort Marijke over de opname van twee vriendjes van acht jaar, die op de fiets zijn aangereden. Ze komen van de operatiekamer:
‘Ik voel dat het verkeerd gaat met Tommy (..). De spanning loopt bij mij steeds verder op. Doe ik alles wel goed? Maar na anderhalf uur overlijdt Tommy. Ik voel me ellendig. Een kind is me ontglipt, dit moet niet kunnen.’
Doodsbang loopt Marijke met Tommy op een brancard op het middernachtelijk uur door de donkere gangen, waarin een ijzige stilte heerst, naar het mortuarium. ‘Helemaal bezweet kom ik op de afdeling aan, zoek meteen een wc op en ga daar zitten huilen. Ik zie die live snoet van Tommy voor me, die schattige sproetjes van hem en zijn mooie krulletjes.’ Veel tijd om te treuren heeft ze niet want Pieter komt binnen. Maar ook bij Pieter gaat het mis. De bloeddruk in zijn hoofdje loopt fors op. ‘Ik roep de chirurg erbij. Die is boos, omdat hij weer uit zijn bed moet komen.’ De arts kan niets doen. Pieter overlijdt. ‘Ik ben nu de wanhoop nabij. Ik denk: Dit komt door mij, ik ben leerling, ze hebben me de verantwoording gegeven en ik heb natuurlijk veel dingen verkeerd gedaan.’ Piet moet worden afgelegd en naar het mortuarium vervoerd. Bij het openen van de deur beweegt het lakentje waaronder Tommy ligt, door een luchtdrukverplaatsing. In de gedachte dat Tommy wellicht nog leeft, rent Marijke volledig overstuur naar haar afdeling terug. Twee kinderen zijn overleden tijden de nachtdienst. ‘Zijn ze al afgelegd? ,vraagt de ochtenddienst. Als ik bevestigend antwoord, is hun enige reactie: O, dat is misschien wel wat zwaar geweest. Verder nog iets bijzonders?’ Na twee weken van ziekteverzuim en een laconieke houding van de bedrijfsarts besluit Marijke om haar ontslagbrief te schrijven.

Hoeveel verpleegkundigen hun beroep vaarwel zeggen na een schokkende gebeurtenis is volgens auteur Huub Buijssen onbekend. Dat dit geen zeldzaamheid is, blijkt volgens hem uit een onderzoek (1998) onder intensive care-verpleegkundigen van een algemeen ziekenhuis. Een op de zes had na een schokkende gebeurtenis overwogen om serieus te stoppen. En bijna ene op de vier kende een verpleegkundige die na een traumatische ervaring daadwerkelijk uit het vak is gestapt. Buijssen: “De meeste verpleegkundigen die een schokkende gebeurtenis meemaken en zo een psychotrauma oplopen, slagen er in na enkele dagen of weken de draad van het leven weer op te pakken. De eerste dagen of weken slapen ze nog slecht, denken ze veel aan het voorval, zijn ze angstig en paniekerig. Ze twijfelen aan zichzelf en aan hun toekomst, maar geleidelijk aan wordt dat minder. Ze voelen zich weer de oude worden.” Ongeveer een op de vijf verpleegkundigen lukt het niet om de schokkende gebeurtenis achter zich te laten en het eigen bestaan er niet meer door te laten beheersen. Ze hebben er na een maand nog bijna evenveel last van of mogelijk zelfs nog meer als vlak na de gebeurtenis. In het proces van verwerking is geen vooruitgang geboekt. Er is dan sprake van een posttraumatisch stress syndroom. Met een doelgerichte therapie kan dit syndroom worden aangepakt.

Voorkomen
Huub Buijssen pleit voor preventie. Een veilige werkplek, zelfhulpteams, tijdige signalering, goede begeleiding van verpleegkundigen, in het bijzonder leerling-verpleegkundigen, stagiaires en tijdelijke krachten. Dat is noodzakelijk om trauma’s voor het leven te voorkomen. Verpleeghulp Suzanne Buis, auteur van het boek ‘Geen tijd om aardig te zijn’, erkent na lezing van een reeks traumatische ervaringen van collega’s in de zorg pas te hebben beseft, hoeveel angst, woede en verdriet uit het verleden verdrongen had. Buis: “Omdat ik als verpleeghulp geconfronteerd werd met ingrijpende gebeurtenissen, dacht ik ten onrechte dat die gebeurtenissen gewone, alledaagse voorvallen waren. Het leek mij dat mijn eigen en andermans reacties daarop overtrokken waren. Wanneer een collega vertelde dat een patiënt haar bedreigd had, dacht ik: dat komt wel vaker voor, er is toch niemand gewond geraakt? En wanneer ik iemand dood in bed aantrof, dacht ik: ja, dat is inderdaad vervelend. Maar je kunt er niet bij stil blijven staan. Als je niet tegen een psychisch stootje kunt, kun je beter in een kledingboetiek werken.” “Nu probeer ik erover te praten als iets mij geraakt heeft. Ik schaam me niet meer voor mijn kwetsbaarheid.”

——————————————————————————–

Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geschokt, Uitgeverij Elsevier/De Tijdstroom Maarssen, f. 17,50
Huub Buijssen en Suzanne Buis, Geraakt, Uitgeverij Elsevier De Tijdstroom Maarssen, f. 15,00
Beide boeken verschijnen 25 maart.

 

‘Medische missers eerder melden’ Brabants Dagblad 6 december 2003

Brabants Dagblad 6 december 2003

door: Wim Arts

Tilburg. Ziekenhuizen moeten veel opener worden over medische missers. Een systeem dat het snel melden van fouten in principe niet wordt bestraft, zou de veiligheid in ziekenhuizen sterk bevorderen. Dat is de conclusie van de Tilburgse psycholoog H. Buijssen, na een onderzoek onder artsen en specialisten.
Buijssen stelt verder vast dat artsen en specialisten in ziekenhuizen grote trauma’s kunnen overhouden aan schokkende gebeurtenissen als zelfmoord, euthanasie en de geboorte van zwaar gehandicapte of dode baby’s. Andere constateringen van hem zijn dat pesten onder personeel in ziekenhuizen een onderschat probleem is.
Dat het werk in ziekenhuizen voor verpleegkundigen heel traumatisch kan zijn, had Buijssen bij een eerder onderzoek al vastgesteld. Dat professionals als artsen en medisch specialisten zwaar aangeslagen kunnen raken na bepaalde gebeurtenissen, is iets wat in Nederland niet eerder is belicht.
Buijssen begon een onderzoek onder artsen, maar het viel nog niet mee om verhalen boven water te krijgen. Er rust een groot taboe op het onderwerp, ontdekte Buijssen. “En als een arts al bereid was om zijn verhaal te vertellen, dan gebeurde het dat hij het later weer introk”. Uiteindelijk verzamelde hij en zijn mede-auteur Suzanne Buis (ex-arts in opleiding en journaliste) 17 verhalen: veertien van Nederlandse artsen, twee van Duitse en een van een Belgische arts.
Het zijn aangrijpende verhalen over trieste en schokkende gebeurtenissen waarbij de arts soms beroepsmatig betrokken is en in sommige gevallen als patiënt of betrokkene. Enkele verhalen gaan over bedreigingen en agressie. Wat opvalt in de verhalen van artsen is dat ze in kwesties waarbij ze persoonlijk betrokken zijn begrip en steun van collega’s en ziekenhuisdirecties missen.

  • Ziekenhuizen in Tilburg en Den Bosch laten desgevraagd weten dat ze geen grote problemen kennen. Ze hebben regelingen getroffen voor het melden van fouten en voor de opvang van medewerkers.
    Het Twee Steden Ziekenhuis kent een protocol ‘schokkende gebeurtenissen’. De vertrouwenspersonen voor medewerkers zijn vorig jaar dertien keer geraadpleegd, maar over pesten is niets bekend.
  • Het Twee Steden Ziekenhuis kent een ‘zeer actieve’ meldingscommissie voor fouten en bijna-fouten. ‘Incidentenanalyse en procesverbetering staan voorop, niet de schuldvraag’.
  • Het Elisabethziekenhuis in Tilburg kent geen cijfers over traumatische gebeurtenissen en klachten omdat die zaken decentraal, per afdeling, aangepakt. “Als er zaken fout gaan wordt dat in alle openheid besproken. We moffelen niets weg”, aldus J. Jongerius van de Raad van Bestuur.
  • De commissie van het Elisabeth Ziekenhuis Tilburg die ‘incidenten patiëntenzorg’ registreert, kreeg vorig jaar 350 meldingen over ‘zaken die niet goed gaan’. Het ziekenhuis kent geen cijfers over traumatische gebeurtenissen en klachten omdat het die decentraal aanpakt.
  • Het Jeroen Bosch Ziekenhuis meldt dat het melden van fouten en bijna-ongelukken wordt gestimuleerd ‘om de kwaliteit te verbeteren en te leren van onze fouten’. Schuldvragen komen zelden aan de orde.
  • Ziekenhuis Bernhoven in Oss/Vechel heeft vorig jaar 365 meldingen van incidenten gehad.