Burn-out of depressie?

Burnout of depressie?

Omdat ik me de laatste tijd niet goed voel, ben ik naar de huisarts gegaan en die vertelde me dat ik een burn-out heb.  Op internet deed ik zojuist een zelfhulptest en daar kwam uit dat ik waarschijnlijk een depressie heb. Wie moet ik nu geloven? En wat is precies het verschil tussen een burn-out en een depressie?  Meneer Bosman, Arnhem.  

Ofschoon het in veel gevallen verre van gemakkelijk is een burn-out en een depressie van elkaar te onderscheiden, hebben ze een verschillend klachtenpatroon.  Meest typerend  voor een burn-out zijn ongewone vermoeidheidsklachten.  Zelfs na een goede nachtrust sta je dan nog moe op. De moeheid zit dan immers in je  lichaam en in je hoofd.  Een burn-out komt door het werk, daarom kunnen ook huisvrouwen en mantelzorgers het krijgen.  Als je een burn-out hebt, staat het werk je tegen en bij de gedachte aan je werk voel je vaak al slecht. Tegelijkertijd kun je dan nog wel plezier beleven aan een hobby.  Als je een depressie hebt, voel je je daarentegen ‘overall ‘ ellendig. Ook als  je niet aan je werk denkt. Niets kan je echt opbeuren. Bij een depressie begrijp je vaak niet of maar ten dele waarom je je zo rot voelt. ‘Ik heb alles om gelukkig te zijn, maar toch ..’  Als je burn-out hebt, snap je wel waar je klachten vandaan komen: van je werk. Tenslotte, bij een depressie heb je vaak een veel negatiever zelfbeeld dan bij een burn-out.  

Depressie en burn-out en kunnen vergezeld kunnen gaan van een lange reeks van andere symptomen waarvan ze er ook sommige gemeenschappelijk hebben. Zoals slapeloosheid, besluiteloosheid, concentratieproblemen, geen zin in seks, veel piekeren.  Om het nog ingewikkelder te maken, gaan burn-out en depressie ook nogal eens samen. Een burn-out zonder depressie komt zelfs niet zo vaak voor (Sommige wetenschappers zien burn-out daarom als een vorm van depressie en niet als een op zich staand begrip). Het kan dus goed zijn dat u aan beide aandoeningen leidt. Een andere mogelijkheid is dat u  een aan een zuivere depressie leidt. Hoewel deze wel vaak op zichzelf staat, geeft menige huisarts zijn patiënten ook dan toch liever de diagnose burn-out.  Hij doet dat omdat hij weet dat mensen, vooral mannen, zich voor een depressie schamen.  Burn-out wordt immers eerder geassocieerd met hard werken en met winnaars, depressie met falen en met losers.

Het belangrijkste is dat u nu een goede behandeling krijgt.  Gelukkig komen de meest werkzame elementen van een burn-out behandeling overeen met die van een depressiebehandeling:   anders leren denken ‘door niet helpende gedachten  aan te pakken (zoals “als ik niet hard werk, vindt niemand me aardig),  stressbronnen in het leven verminderen, meer  reële eisen aan jezelf stellen (goede balans werk-privé), zinvolle sociale contacten op- of uitbouwen en voldoende bewegen.     

Ver lezen? Huub Buijssen. Ik zie het weer zitten. Stap voor stap van je depressie af. Spectrum, Houten, 2009

 

Met romantiek heeft het huwelijk weinig te maken.

 

Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben? Dat ideaalbeeld is de bron van veel relationeel ongeluk. ‘Want in praktijk heeft het huwelijk heel wat verrassingen in petto.’

Uit naam van de ‘eeuwige liefde’ verwachten partners het vrijwel onmogelijke van elkaar. De ander moet niet alleen leuk zijn, maar ook lief, woest aantrekkelijk, vol begrip, slim, attent en succesvol. ‘Daar kan natuurlijk bijna niemand aan voldoen’, zegt klinisch psycholoog en communicatietrainer Huub Buijssen (57). Vroeger, zegt hij, was het voldoende als een man zijn gezin kon onderhouden, terwijl de vrouw huis, haard en kinderen bestierde. Mannen en vrouwen leefden feitelijk altijd in verschillende werelden. Totdat in het midden van de 19e eeuw de overtuiging ontstond dat mensen vooral uit liefde met elkaar moesten trouwen. Het romantisch ideaal is sindsdien onuitroeibaar gebleken. ‘Nu móet je elkaar totaal en voor altijd gelukkig maken. Maar zet twee mensen bij elkaar en je hebt dubbel zoveel problemen. Je deelt samen veel sores, maar de extra belasting zorgt ook voor stress die je vervolgens op elkaar afreageert.’

Het ís me wat met partnerrelaties, erkent Buijssen. ‘Het ideaalbeeld heeft voor veel relationeel ongeluk gezorgd, en nog steeds. Want zo werkt het in praktijk niet. Daarvoor verschillen liefdespartners meestal te veel van elkaar. Het idee dat je door een huwelijk nog lang en gelukkig zult leven, is vragen om moeilijkheden. Want het heeft heel wat verrassingen in petto.’

Welke dat zijn, waardoor ze worden veroorzaakt en hoe de onaangenaamheden, de misverstanden en de valkuilen enigszins kunnen worden omzeild heeft Buijssen beschreven in het boek Nu begrijp ik je, over verborgen verwachtingen en verlangens tussen mannen en vrouwen. Eén ding is duidelijk: partners verwachten te veel van elkaar, ze koesteren verschillende – en soms tegenstrijdige – verwachtingen én ze zijn daar tegenover elkaar niet duidelijk (genoeg) over. ‘Mensen willen vaak  een twee-eenheid zijn en tegelijk onbelemmerd hun eigen leven leiden. Vaak is het een heel gevecht om een goede balans te vinden.’

Portefeuillehouder

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek eindigt een op de vier huwelijken binnen twintig jaar in een echtscheiding. Op de langere termijn eindigt circa een op de drie huwelijken in een scheiding. ‘Onthutsender vind ik dat vooral vrouwen hun huwelijk een mager zesje geven. Zij zijn meestal de portefeuillehouder van de relatie en stellen die aan de orde, terwijl mannen over het algemeen tevredener over hun relatie zijn. Bovendien moet hij buitenshuis, op het werk, figuurlijk al ‘vechten’; eenmaal thuis wil hij rust en vooral geen strijd met zijn vrouw. Er ontspint zich vaak een vast patroon: de vrouw zoekt toenadering of de confrontatie, de man deinst terug.’

Wat zo’n confrontatie bemoeilijkt, is dat mannen en vrouwen een verschillende kijk op de werkelijkheid hebben. ‘Zij verschillen in karakter, in sekse, in behoeftes, in manier van communiceren en houden er andere normen en waarden op na. Ieder heeft zijn eigen waarheid, of een stukje ervan, en heeft dus een beetje gelijk. Dat maakt dat een juiste omgang met een partner ingewikkelder kan zijn dan het besturen van een straaljager. En een gebruiksaanwijzing is er niet. Mensen ontdekken van lieverlede meestal dat de verschillen met hun partner niet zozeer voortkomen uit onwil of gebrek aan liefde, als wel uit de verschillen in behoeftes en opvattingen.’

Toch is het geloof in De Ware bijna onuitroeibaar, zegt Buijssen. ‘Via kunst, hard werken en de liefde zijn we altijd op zoek naar een gevoel van eeuwigheid en onsterfelijkheid. We blijven op zoek, en we blijven teleurgesteld worden. Toch geven we niet op; het verlangen naar die ene is groter dan wij zelf. En ook al ben je wel gelukkig met een partner: geluk went en je wilt altijd méér. Dat verschijnsel maakt partnerrelaties tot explosieve bommetjes.’

Toiletbril

Neem bijvoorbeeld de kleine ergernissen. Het spreekwoordelijke dopje van de tandpasta, het natplassen van de toiletbril, een slordig huishouden. ‘Partners verwachten van elkaar dat de ander begrijpt hoe jij het wilt hebben en wat jij bedoelt. Maar wat de éen verwacht kan erg afwijken van de verwachtingen van de ander. Een van beiden kan iets superlogisch vinden en denkt dat hij of zij het er daarom verder niet over hoeft te hebben. Achter kleine irritaties en hevige echtelijke ruzies zit bijna altijd de grote teleurstelling over het falen van het romantisch ideaal: we zouden elkaar toch altijd begrijpen en liefhebben?’

Bij ruzie tussen partners komt vervolgens een explosief goedje naar voren: een combinatie van feiten, gevoelens, eigen identiteit (verdien ik dit eigenlijk?) en behoefte aan verbondenheid. In no time kan de boel daardoor escaleren. ‘Stel een gesprek liever uit als je merkt dat je te boos bent. Wacht een dag, maak een ommetje, zoek een constructieve oplossing. Dat vergt veel zelfbeheersing, maar heeft veel meer effect. Want in feite is een ruzie een voortdurend gevecht om liefde. De boodschap erachter luidt: hou van me, wees mijn ideaal, begrijp me, wees attent en lief voor me. Zolang mensen ruziën, is er sprake van verbondenheid. Ze willen er graag samen uit komen.’

Gezien de praktische voetangels en klemmen van het romantisch ideaal, is een verstands- of zelfs een gearrangeerd huwelijk misschien toch niet zo heel verkeerd? ‘Uit onderzoek blijkt dat die partners aanvankelijk minder gelukkig zijn, maar de schade na een paar jaar inhalen. Nog wat jaren later zijn zij zelfs gelukkiger dan mensen die uit liefde met elkaar zijn getrouwd. Zij weten dat ze er iets van moeten maken, en dat lukt vaak ook. In het westerse huwelijk staat altijd de deur van de nooduitgang – echtscheiding – op een kier. Ik wil geen propaganda maken voor het gearrangeerde huwelijk, maar het maakt wel duidelijk dat ons romantische ideaal niet zaligmakend is.’

Nu begrijp ik je, Huub Buijssen. Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum. ISBN 978 90 491 0437 5, prijs ….euro.

 

 

 

Drink ik te veel?

 

Mijn huisarts vroeg me toen hij me medicijnen voorschreef om beter te kunnen slapen hoeveel alcohol ik dronk. Toen ik hem vertelde dat ik dagelijks  vier glazen wijn drink, adviseerde hij me te minderen naar hooguit anderhalf glas per dag.  ‘’Voor u als vrouw is anderhalf glas per dag het maximum en nu u ook slaapmedicatie gaat gebruiken, zou u eigenlijk nóg minder moeten drinken.’ Ik was te perplex om te reageren. Is mijn huisarts niet een te strenge calvinist? Mevrouw Haas, Rotterdam.

Uw huisarts heeft gelijk.  Voor vrouwen is een kwart van een fles wijn van 0,75 cl (met een alcoholpercentage van 12%) het maximum, mannen mogen per dag een derde van een fles wijn drinken. En alcoholdeskundigen zijn het er verder over eens dat men twee aangesloten alcoholvrije dagen in acht moet nemen.  Het verschil tussen mannen en vrouwen komt onder meer doordat het mannelijke lichaam alcohol beter afbreekt. Mannen zijn daarom minder snel onder invloed dan vrouwen.  Maar boven de zestig adviseert  de Gezondsheidsraad  mannen te minderen naar het niveau van vrouwen. Wat kunnen de twee of drie extra’s glazen nu kwaad? Welnu, meer drinken dan de norm vergroot de kans op allerlei ziektes diverse vormen van darmkanker, leverziektes, hart- en vaatlijden, dementie en diabetes.   Een te hoge dosis alcohol verstoort ook de gezonde slaap. Men slaapt weliswaar eerder in, maar de kwaliteit van de slaap is veel minder.  Het gevolg kan dan zijn dat men dan gaat vragen om  ..slaapmedicatie.  Maar dat is nog niet alles. Bij alcoholverslaving denken mensen meestal aan mensen die zich al bijna jaren bijna elke dag laveloos drinken.  Maar ook mensen die minder, maar wel regelmatig meer dan de norm drinken, kunnen door alcoholgebruik in de problemen komen.  Normale veroudering gaat gepaard met verandering in het lichaam, zoals een mindere werking van lever en nieren,  waardoor het lichaam alcohol niet meer zo goed aankan. Bij gelijkblijvend gebruik, van bijvoorbeeld 4 glazen, kunt u zo toch een kritische grens passeren.  Sluipenderwijs kan het dan zover komen  dat u niet meer zonder alcohol te kan.  Ongeveer 1 op de 10 oudere verslaafden – een groep die de laatste jaren snel groeit – hoort tot deze categorie.   Uw huisarts heeft ook gelijk dat hij adviseert bij slaapmedicatie nog wat minder te drinken dan de norm omdat alcohol en medicatie elkaars werking versterken en ook omdat de combinatie gemakkelijk tot verslaving leidt.   Is uw huisarts een calvinist die u het genieten wil verbieden?  Nee, het optimale effect, de heerlijke combinatie van lichte roes en ontremming,  krijgt u meestal  al bij de toegestane hoeveelheid.  Omdat uw lichaam enige tijd nodig heeft om alcohol in het bloed op te nemen, ervaart u  dit effect echter vaak pas als u een paar glazen méér op hebt. Ten onrechte denkt u dan dat u zich  dankzij het vierde of vijfde zo goed voelt. Kortom, wilt u genieten, drink dan met mate.    

 

 

Soms word ik gek van mijn man.

 

Ik ben gek op mijn man, maar soms word ik ook gek van hem.  Als ik hem ergens op aanspreek, dan trekt hij zich terug en zegt hij niets meer. Meestal een paar dagen, soms zelfs een week. Ik voel me dan zo alleen en beroerd. Ik slaap dan slecht en elke dag word ik moe wakker.  Mevr. Hoek, Vlaardingen

Relationele spanningen kunnen inderdaad letterlijk ziekmakend zijn.  Onderzoek heeft aangetoond dat in periodes van relationele stress mensen eerder een verkoudheid oplopen, sneller griep krijgen, wondjes minder snel herstellen en het hart het dan ook overuren maakt. Hoewel bij sommige stellen de rollen precies andersom zijn, is wat u beschrijft het klassieke patroon: de vrouw levert kritiek op haar man en deze sluit zich vervolgens af. Vrouwen kan dit tot razernij brengt. ‘Hij negeert me gewoon, zo gevoelloos!’ Het laatste klopt echter niet, zo toonde de psycholoog dr. John Gottman aan. In een onderzoek koppelde hij echtparen die huwelijkstherapie ondergingen aan apparatuur die een breed scala van fysiologische reacties registreerden en ontdekte zo dat mannen bij ruzies fysiologisch geprikkelder raakten dan vrouwen: hun hart klopte sneller, ze transpireerden meer en ze werden gespanne­ner. Gottman concludeerde dat veel mannen ruzies via terugtrekgedrag proberen te vermijden omdat ze gevoeliger zijn dan hun echtgeno­tes en omdat ze de hevige emoties die ruziema­ken met hun echtgenote oproept, niet aankunnen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de meeste mannen so wie so op stress – en kritiek is voor hen stress – reageren met oestergedrag.

Wat kun je doen? Bespreek niet meteen je ergernis, maar wacht er een dag mee. Doe dit zeker als je het liefst meteen wilt losbranden. Als je ruim baan aan je boosheid, wordt deze in plaats van minder juist heviger. Jij verliest dan je redelijkheid en je man eveneens. Een dag of enkele uren later, ben je rustiger. En net zo belangrijk: de meeste ergernissen vind je dan niet meer de moeite waard. De andere bespreek je dan met je partner. Liefst zo kort mogelijk waarbij je vooral het oog richt op de toekomst. ´Ik kom nog even terug op gisteren. Toen ik van huis kwam, was de vaat nog niet uitgeruimd. Wil je voortaan op ‘jouw huishouddag’ dit doen zonder dat ik er bij thuiskomst om moet vragen. Je doet er me een groot plezier mee?´´ Het laatste zinnetje doet er ook toe! Je geeft hem het gevoel dat hij je gelukkig kan maken. En geloof het of niet:de meeste mannen willen niets liever. 

Meer lezen: Huub Buijssen: Nu begrijp ik je. Beter met je partner communiceren  (2010).

Een goede relatie is te voorspellen De Telegraaf 16 februari 2009

 

Jolanda Jansen

TILBURG – Vlinders in de buik gekregen op Valentijnsdag? Maar hoe weet je nou of hij de ware is? Volgens klinisch psycholoog Huub Buijssen uit Tilburg zijn er acht punten aan de hand waarvan je kan voorspellen of de relatie een lang leven is beschoren.

„Het klinkt allemaal heel logisch, en het is ook allemaal bekend, maar ze zijn nog niet eerder op een rijtje gezet”, zegt Buijssen. Hij waarschuwt: „Geen enkele relatie zal op alle acht hoog scoren. En ook al scoor je hoog, je moet er nog steeds wat voor doen. Liefde is een werkwoord. En als je op alle acht negatief scoort, kan je nog steeds een goede relatie hebben. Maar de kans is een stuk kleiner.”

Op nummer één zet hij levenslust. „Heeft hij genoeg aan zichzelf en is hij met zichzelf gelukkig? Gaat hij ergens voor?” verklaart Buijssen. „Als de kachel van de ander brandt, kun je je hieraan warmen. Als er maar een zacht vlammetje in brandt, dan zal je er op dagen dat je het koud hebt weinig warmte van mogen verwachten. Als je partner levenslust heeft, slaat dat op je over, net zoals je somber wordt als híj somber is.

Als tweede is het van belang hoe gelukkig het huwelijk van de ouders van je toekomstige partner was. „Als je partner van hen heeft geleerd hoe hij iemand kan steunen, problemen kan oplossen en liefhebben, is hij beter voorbereid. Als hij geborgenheid, veiligheid en liefde heeft gehad, kan hij dat later zelf ook beter geven”, aldus Buijssen.

Ten derde moet je kijken naar hoeveel je toekomstige partner van zijn eigen ouders hield, en dan met name die van het andere geslacht. Buijssen: „Hoeveel hield het vriendje dat je op het oog hebt van zijn moeder? Dat draagt hij over op zijn relatie met jou. Als dat botste en knetterde, is de kans dat hij dat met jou herhaalt, groot.”

Ten vierde: kan je letterlijk en figuurlijk naar hem opkijken? „Vrouwen vinden het prettig als hij groter is en als ze trots op hem kunnen zijn. Een opleiding of carrière op minimaal hetzelfde niveau, die van hem liefst iets beter. Mannen hebben graag dat een vrouw hen bewondert en hij houdt van applaus. Als de vrouw heel succesvol is, is het vaak moeilijk de relatie in stand te houden”, aldus Buijssen. ‘De kans dat Jan Smit en zijn eveneens succesvolle Yolanthe uit elkaar gaan is, daarom veel groter dan dat Frans Bauer en zijn vrouw Mariskan gaan scheiden.’

Daarop sluit vijf aan: dat je ongeveer dezelfde culturele achtergrond hebt. Buijssen: „Generatie op generatie worden normen en waarden overgedragen.”

Ten zesde is het belangrijk of jullie qua karakter op elkaar lijken. „Vooral op het gebied van open staan voor ervaringen, zorgvuldigheid en geweten, vriendelijkheid en verdraagzaamheid”, aldus Buijssen. „Gelukkige stellen gaat trouwens ook écht op elkaar lijken, qua gezicht. Ze krijgen dezelfde mimiek en op den duur ook dezelfde lijnen in het gezicht.”

Als nummer zeven noemt Buijssen gedeelde interesses: „Je hoeft niet steeds hetzelfde te willen, maar er moeten raakvlakken zijn die beide boeien en bezig houden. Als je geen gemeenschappelijke gespreksstof hebt, droogt het op.”

En tot slot staat de mate waarin de toekomstige partner psychisch gezond is. Buijssen: „Een op de drie mensen heeft een psychische aandoening, van een onschuldige angst voor de lift tot een drankprobleem. Met lichte gevallen valt te leven, maar de zwaardere leiden vaak tot een onevenwichtige, moeilijke relatie.’ Buijssen voegt er nog aan toe dat het so wie so erg belangrijk is dat je partner (en ook jijzelf) ook al gelukkig waren voordat deze trouwde. Ïk ken een Duits boek dat heet: “Wees gelukkig en het maakt niet uit met wie je trouwt.” Dit is meer dan waar.’

 

 

Dit doodvonnis gun ik iedereen De Telegraaf 27 september 2007

 

Huub Buijssen analyseert nu zijn eigen gevoelens en concludeert dat die anderhalve week hem tot een rijk man heeft gemaakt: “Dit is de beste ervaring van mijn leven. En al klinkt het raar, ik gun het eigenlijk iedereen. Ik ben een herboren mens.”

 

 

door MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL en RENÉ STEENHORST
TILBURG, zaterdag

Die blije lach zit om zijn mondhoeken gebeiteld, Huub Buijssen (54) is een herboren man. Op woensdag 12 september kreeg hij te horen dat hij pancreaskanker had, op donderdag de 20ste bleek dat er niets aan de hand was. Anderhalve lange week keek hij de dood recht in de ogen. “De rijkste ervaring van mijn leven”, vindt de Tilburgse psycholoog.

Huub Buijssen komt al jaren met regelmaat voorbij in onze kolommen, desgevraagd duidt hij dan helder en beeldend het een en ander op psychologisch gebied. En juist deze bevlogen vakidioot maakte een zwieper van jewelste in een emotionele achtbaan.

“Die woensdag kwam mijn nieuwe boek uit, De beleving van dementie. Normaal altijd een feestje, al is het mijn 36ste al.” Die dag kreeg hij echter zijn doodsvonnis. Voor de zomervakantie voelde hij zich al niet best: “Ik verloor gewicht, had pijn, was moe. Die klachten schreef ik toe aan het prikkelbare darmsyndroom waar ik al jaren last van heb. Mijn huisarts weet het ook daaraan. In augustus merkte ik dat ik nog meer kilo’s kwijt was. Ik dacht aan pancreaskanker, maar de huisarts zei dat het dat niet kon: mijn oogwit was niet geel en ik had geen rugpijn. Een eerste darmonderzoek liet een allerminst alarmerend poliepje zien.”

Op zondag 9 september kreeg hij ook nog diarree. “Dinsdag kon ik pas naar de huisarts, een vervanger. Die dacht aan een aneurisma en er werd een echo gemaakt. De radioloog gaf me de uitslag niet, hij zei: ‘ik zal de huisarts bellen, zodat jullie een plan van aanpak kunnen bespreken’. Mijn vermoeden dat er iets mis was werd door deze woorden bevestigd. De huisarts meldde dat het er niet goed uitzag, dat ik pancreaskanker had. Ik beken eerlijk dat ik niet meer weet of hij zei dat ik het had of dat er een verdenking was. Dat laatste las ik de dag erna – mijn Latijn is goed – wel op het verwijsbriefje: verdenking van pancreaskanker.”

Voor Huub Buijssen verging ondertussen zijn wereld: “Op internet zag ik dat dit de meest dodelijke vorm van kanker is. Na de diagnose is de levensverwachting nog maar een paar maanden. In 85% van de gevallen is het op het moment van constateren al uitgezaaid en is er niets meer aan te doen. En omdat ik de diagnose zelf al een maand eerder had gesteld, dacht ik… Als het niet was uitgezaaid zou een operatie de enige redding kunnen zijn, een superzware operatie waarbij 15% overlijdt. Van de geopereerden is na vijf jaar nog maar één op de tien in leven.”

“Op die ene procent overlevingskans vestigde ik al mijn hoop. De chirurg waar de huisarts me meteen naar had verwezen, verteld me dat ik in goede conditie moest zijn voor een eventuele operatie en dus ging ik drie keer per dag wandelen en at ik ondanks dat ik geen eetlust had. Ik was jaloers op iedereen met een dikke buik. Die maandag had ik een gesprek met de maag-lever-darm-arts die een mri-scan en een bloedonderzoek regelde. De huisarts zocht me thuis op, voor mij het signaal dat het er echt slecht voor stond. Toen ik die donderdag voor de uitslag -wel uitzaaiingen of niet – naar het ziekenhuis ging, hoorde ik in gedachten de doodsklokken al luiden.”

“‘Geen spoortje van kanker’, zei de arts. ‘Een echo zegt niet alles en is wel eens grof’. Die man heeft een halfuur nodig gehad om mij ervan te overtuigen dat er echt niets ernstigs aan de hand is…” Onnodig zijn geluk te schetsen: “Had ik al die hele week geen oog dicht gedaan omdat dat zo zonde van de tijd was, die nacht kon ik van blijdschap niet slapen. Ik ben opnieuw geboren, als volwassen mens.”

De psycholoog Buijssen analyseert zijn gevoelens: “Anderhalve week ben ik bezig geweest met afscheid nemen. De dood joeg me eerder altijd schrik aan, nu was ik er niet bang voor. Wel vreesde ik de pijn. Het ergste vond ik dat ik mijn kinderen, Huib van 13 jaar en Ilana van 10, niet zou zien opgroeien. Dat ik hun examens, huwelijken en de geboorte van hun kinderen niet zou meemaken. Als ze naar me zwaaiden als ze naar school vertrokken, schoot ik al vol. Ik heb het hen wel verteld, voor kinderen houd je niks verborgen. Ze hadden al gemerkt dat papa geen grapjes meer maakte. Kinderen zijn flexibel, de dag erna zijn ze al weer aan het buitenspelen en aan het zingen.”

“Ik moest het mijn moeder, broers en zussen, vrienden en collega’s vertellen. Iedereen wilde bij langskomen, maar dat hield ik af. Heel ambivalent, ik wist dat ik hun steun meer dan ooit nodig had, maar toch ik sloot me af. Bovendien had ik weinig tijd en moest veel regelen. Ik wilde alles goed achterlaten en ben naar een notaris gegaan voor een testament.”  

Buijssen kan er nu om lachen: “De notaris vroeg hoe lang ik nog had, voor die beroepsgroep de normaalste vraag van de wereld. Ik wist dat die tijd kort kon zijn. Nee, de uitvaart had ik nog niet geregeld, ik zag de stoet nog niet voor me…, ik dacht al wel na over de muziek bij de mis en ik besloot dat ik begraven wilde worden in mijn Limburgse geboortedorp Hegelsom (gemeente Horst aan de Maas) waar ook mijn vader ligt. Goed, ik liep mijn archief door, ruimde mijn werkkamer en pc op, belde mijn uitgever hoe de drie boeken die ik al grotendeels af had postuum uitgegeven moesten. Alle trainingen (in trauma-opvang en agressie red.) en lezingen die in mijn agenda stonden heb ik afgezegd, na een operatie zou ik immers moeten herstellen. Tot januari ben ik nu werkloos…”

Filosoferend: “Merkwaardig hoe stabiel geluk is. Na vijf, zes huilerige dagen voelde ik me toch weer aardig mezelf en kreeg ik weer zin in het leven.”

Veel mensen vragen het hem: “Boos om die eerste diagnose? Nee, er is geen fout gemaakt, dat wil ik benadrukken. Maar dit is de rijkste ervaring van mijn leven, zo heb ik ook meteen de maag darm en leverarts laten weten, toen hij me het goede nieuws bracht. Eigenlijk gun ik het iedereen, al klinkt dat raar. Ik heb er zo veel van geleerd. Het enige dat blijft is wat je weggeeft, werd er in de film Babettes Feest gezegd. En dat is zo. Als je het moeilijk hebt, krijg je terug wat je eerder gaf. En ook: waar je niet gaf, krijg je ook niet”

“Sommige mensen hadden het er moeilijk mee dat ik me niet verzette tegen de reële optie dat ik ging sterven. Hen ontnam ik zo ook de hoop. Kennelijk ben ik iemand die zich snel in het onvermijdelijke schikt. Gek hè, ik schaam me nu dat ik iedereen moet bellen dat het goed met me gaat.”

Een zondagskind noemt hij zichzelf: “Ik heb een tweede leven cadeau gekregen. Jazeker, ik blijf psycholoog. Al een paar jaar al heb ik het gevoel gehad dat ik eigenlijk met pensioen ben en dat dit mijn hobby is. Alleen ga ik minder tijd aan regeldingen besteden, daaraan heb ik een hekel. Ik weet nu hoe kostbaar tijd is. Er ligt nog een boek dat ik af wil maken.” Niet gespeend van ironie: “Over succesvol ouder worden. Zonder garantie voor een eeuwig leven, hoor!”

“Spijt van wat ik heb gedaan of gelaten? Zover was ik nog net niet, die vragen had ik even geparkeerd. Wel heb ik meteen stilgestaan bij de vraag wie ik heb gegriefd of gekwetst, of ik om vergeving moest vragen. Ik wilde niet dat mensen met wrok aan me zouden terugdenken.”

“Ik heb ervaren dat bewust afscheid nemen belangrijk is. Dingen afronden, zeggen wat mensen voor me hebben betekend. Als je wordt overvallen door de dood, een fataal auto-ongeluk of hartaanval, of als je dement overlijdt, is dat niet mogelijk. Dan is, al mag ik dat misschien niet zo stellen, kanker voor mij althans geen slechte optie.” Nadenkend: ” Maar stel dat ik over 40 jaar ongeneeslijk ziek word. Maar ik weet niet of het sterven dan makkelijker zal zijn. Als je oud bent heb je minder mensen om je heen en ga je eenzamer dood. Zo zie je dat alles twee kanten heeft. In mijn nieuwe dementieboek staat voorin als motto een zinsnede van de streekromanschrijfster G van Maanen Pieters waar ik de afgelopen dagen ook veel aan moest denken: Ze beseft nu dat verdriet om aantasting van de allerpersoonlijkste dingen, zoals gezondheid en verbondenheid, volstrekt niet lichter te dragen valt naarmate men een groter deel van zijn bestaan achter zich heeft gelaten. Of men achtentwintig, achtenveertig, achtenzestig of zelfs achtentachtig jaren leeft, het hart is altijd jong en kan altijd bloeden.”

Wat hij nu wel mankeert weet Buijssen overigens nog niet. Een fijn lachje: “Als psycholoog ken ik de kracht van de geest wel, mijn achtergrond maakt me niet immuun voor hypochondrie. Mijn broer, de meest briljante man die ik ken, heeft wel een verklaring voor mijn klachten. Vanwege die prikkelbare darm werk ik normaal niet ‘s avonds en op feestjes ben ik altijd voor elven weg, anders speelt die darm geheid op. Maar in het maken van dit boek, De beleving van dementie.Een eenvoudige gids voor naasten, had ik zo’n schik dat ik avond aan avond tot laat doorwerkte. Mijn broer zegt dat de computer bepaalt met welke snelheid je leeft en niet jijzelf. Dat is slecht voor je nachtrust, jouw toch al gevoelige darmen krijgen door het gebrek aan rust een opdonder, en daardoor neemt het hongergevoel af, eet je minder, val je af, krijg je last van je een drukkend gevoel in je darmen, mogelijk zelfs pijn… Ik geloof hier wel in.” Peinzend: “Het kán, dat ik een andere vorm van kanker zou hebben. Dan nadert het einde in elk geval langzamer. En ik ben blij met elke gewonnen dag.”

Huub Buijssen. De beleving van dementie. Een eenvoudige gids voor naasten van dementerenden. Spectrum, €14,95

 

 

 

We moeten de menselijke veerkracht niet onderschatten NRC, 18 november 2005

Door Derk Walters

ROTTERDAM, 17 NOV. Diverse Tweede-Kamerleden buitelden vorige week donderdag over elkaar heen van verontwaardiging. Slachtoffers van de Schiphol-brand krijgen niet de psychologische hulp waar ze om hebben gevraagd, zei bijvoorbeeld Kamerlid Vos (GroenLinks). Haar collega’s Straub (PvdA) en De Wit (SP) uitten zich in soortgelijke bewoordingen. Minister Donner (Justitie, CDA) wees de kritiek van de hand. Hij verwees naar de traumapsycholoog van de detentieboten, die had gesteld dat directe psychologische hulp ,,probleembevestigend” zou werken.

Deskundigen zijn desgevraagd verdeeld over de kwaliteit van de opvang van slachtoffers van de brand in het detentiecentrum. Zijn de slachtoffers gebaat bij snelle psychologische hulp? Moeten er direct mensen klaarstaan om over de gebeurtenissen te praten? Of moeten de overlevenden eerst een tijdje met rust worden gelaten?
Over één ding zijn de meeste deskundigen het wel eens: de specifieke omstandigheden van de Schiphol-brand. Mensen zaten opgesloten tijdens de brand, werden vervolgens weer opgesloten en worden nu eventueel uitgezet. De slachtoffers verkeren in een situatie van zeer zware stress, zegt hersenonderzoeker F. Lopes da Silva, emeritus hoogleraar neurowetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Dat heeft niet alleen invloed op de hersenactiviteit tijdens die gebeurtenissen, maar ook daarna.”

Volgens Lopes da Silva is ,,onmiddellijke psychologische en psychiatrische behandeling” van het grootste belang om blijvende psychische schade te voorkomen. Daarmee keert hij zich tegen de nazorg die aan de slachtoffers van de Schiphol-brand is gegeven. Maar de opvang van de slachtoffers oogst ook bijval onder deskundigen. ,,Het is beter om een paar weken te wachten met psychotherapie”, zegt bijzonder hoogleraar psychotraumatologie R. Kleber van de Universiteit Utrecht. ,,Er moet vooral praktische hulp klaarstaan. Als slachtoffers over de gebeurtenissen willen praten, moet dat van henzelf komen.”

Psychotraumatoloog C. Mittendorff vindt dat slachtoffers beter door hun eigen sociale omgeving dan door deskundigen kunnen worden opgevangen. Hij steunt daarom de hervatting van de terugkeer van de slachtoffers door minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD): in hun land van herkomst zouden ze beter op verhaal kunnen komen dan in Nederland. Volgens Lopes da Silva is dat zeer onverantwoord. ,,Pas als de behandeling succesvol is afgerond, zou je deze mensen op het vliegtuig kunnen zetten.”
Psychische schade te zien is op hersenscans, zegt Lopes da Silva. ,,Stresssituaties gaan samen met op scans waarneembare veranderingen in de hersenen. Bepaalde gebieden in de hersenen zijn betrokken bij emotionele schade.” Volgens de hersenonderzoeker kunnen hersenscans vooral nuttig zijn bij de keuze van een behandelstrategie.

Lopes da Silva vindt het opnieuw opsluiten van brandslachtoffers al een hard gelag. ,,Brand veroorzaakt op zichzelf al hevige stress. Normaal kunnen slachtoffers dat in een veilige omgeving verwerken, met familie en vrienden om hen heen. Deze mensen zitten ook nog eens niet in hun eigen omgeving.”
Een hele therapie, zoals Lopes da Silva voor de slachtoffers voor ogen heeft, vindt weinig bijval bij andere deskundigen. ,,Eén gesprek is voor de meesten genoeg”, zegt Mittendorff, die vindt dat de ernst van de situatie van persoon tot persoon verschilt. ,,De belangrijkste vraag is of mensen gevaar hebben ervaren. Zo niet, dan kunnen ze snel weer naar huis.”

Traumadeskundige H. Buijssen vindt ,,praten met familie” belangrijker dan psychische hulp. ,,Het is goed als er deskundigen op de achtergrond klaarstaan, maar je moet mensen niet bombarderen met vragen.” Buijssen onderscheidt zes behoeften van slachtoffers na een ernstige gebeurtenis: veiligheid en praktische steun, erkenning van het slachtofferschap, compassie, een luisterend oor (voor wie kan en wil praten), informatie over de gebeurtenissen en hoop, in die volgorde.

Directe psychische hulp is uitgebleven, maar het is nog niet duidelijk hoe de opvang van de brandslachtoffers verder is verlopen. Advocaten van slachtoffers deden hun beklag over de in hun ogen gebrekkige nazorg, waar minister Donner melding maakte van tevredenheid onder de slachtoffers die hij had gesproken. Voor de traumadeskundigen is het reden om nog even te wachten met hun oordeel over de kwaliteit van de nazorg, totdat uit onderzoek blijkt wat zich precies heeft afgespeeld.

Wel klagen Mittendorff en Kleber over de termen die in de discussie over de nazorg worden gebruikt. Zowel minister Donner als de advocaten van de slachtoffers spraken van ‘getraumatiseerde’ gedetineerden. Ook Lopes da Silva en Buijssen gebruiken ‘trauma’ als situatie die zich onmiddellijk na een schokkende gebeurtenis voordoet. Bijzonder onterecht, vindt Mittendorff. ,,De kern van een trauma is het niet kunnen verwerken van een gebeurtenis. Om die reden kan een eventueel trauma pas na enkele weken worden vastgesteld.” Volgens Kleber wordt de term trauma in de wetenschappelijke literatuur gereserveerd voor ,,oorlogen, grote rampen en geweld”.
Ook de diagnose van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) wordt te vaak en te snel gesteld, aldus de traumatologen. Die aandoening treedt pas op als er ook na langere tijd geen enkele verwerking optreedt. Hooguit tien procent van de slachtoffers van ernstige gebeurtenissen krijgt met de stoornis te maken. ,,De term PTSS kan beter worden vermeden”, zeggen Mittendorff en Buijssen. Zij spreken liever van ‘verwerkingsstoornis’.
Het woord trauma, zegt Kleber, is een eigen leven gaan leiden. ,,Men zegt dat we in Nederland een traumacultuur hebben, maar ik noem het een slachtoffercultuur. Mensen worden te snel in een slachtofferrol gedrukt. Maar we moeten de menselijke veerkracht niet onderschatten.”

 

Tweede Nursing event 2004 een succes Nursing, januari, 2005

Educatie maakt enthousiast

door Margot Hamel

Zes congressen, 170 workshops, tachtig exposanten, een collegeserie verplegingswetenschappen, een markt van patiëntenverenigingen en een praktijkschool voor verpleegkundige vaardigheden. De 2500 bezoekers van het Nursing Event 2004 konden kiezen uit een ruim aanbod van verpleegkundige vakinformatie. Zowel voor het opfrissen van de basiskennis als voor verdieping. Nursing vroeg workshopbezoekers naar hun ervaringen.

De zeven gouden stappen van effectieve gesprekken
Spreker: Huub Buijssen, klinisch psycholoog, auteur en eigenaar Buijssen training en Educatie.

‘Advies geven als hulpverlener raad ik af’
De zeven gouden stappen voor effectieve gesprekken, zijn te gebruiken voor coaching, conflicthantering en supervisie, maar ook voor gesprekken met patiënten. De essentie van deze methode is dat je iemand in zeven stappen naar een door hemzelf bedachte en uitvoerbare oplossing leidt. Om dit concreet te maken, krijgen de deelnemers aan de drukbezochte workshop een casus op schoot van de 53 jarige Annelies Weehuize. Zij kan niet loskomen van haar dementerende moeder en merkt dat zij steeds verder verwijderd raakt van haar man. Huub Buijssen vraagt: ‘Hoe begin je het gesprek?’ Allerlei antwoorden vliegen door de zaal. Zo zou iemand voorstellen beetje bij beetje minder langs te gaan bij moeder. Huub vindt alle antwoorden interessant, maar geeft aan dat het de voorkeur heeft geen adviezen moeten geven. En hulpverleners willen dat juist zo graag! En deze gespreksmethode start er mee om primair het verhaal van de ander door zijn ogen trachten te zien. Via verschillende stappen bepaalt de ander zelf zijn favoriete oplossing, en in stap 7 evalueer je samen hoe het is gegaan. Blijft het nog vaag? Volgend jaar verschijnt een boekje over dit onderwerp van Huub’s hand.

 

Geloven in toveren? PSY Tijdschrift voor geestelijke gezondheidszorg, Januari 2002

Ik geef toe, suggestibel als ik ben, heb ik jaren lang op het punt gestaan me ook te bekeren tot ‘het toveren met ogen’. Het was te mooi om niet waar te zijn!

Ik verloor het geloof in het emdr-sprookje echter in april 2001 toen ik een nummer van de The Journal of Consulting en Clinical Psychology onder ogen kreeg. Daarin stond een meta-analyse naar de effectiviteit van deze wonderlijke behandelvorm. Voor de emdr-aanhangers hadden de onderzoekers Davidson & Parker, die in hun mega-studie 34 gecontroleerde onderzoeken betrokken, slecht nieuws. Maar laat ik met het goede nieuws beginnen dat er ook was, namelijk dat emdr beter is dan geen behandeling of placebo. Het slechte nieuws was dat emdr het niet beter doet dan de gangbare therapieën voor ptss: in vivo exposure, not vivo exposure of cognitieve gedragstherapie. Maar er was nog meer slecht nieuws, véél slechter nieuws. Ik doel niet op de bevinding dat therapeuten die een gecertificeerde emdr-opleiding hadden gevolgd geen betere resultaten behaalden dan hun collega’s zonder deze opleiding. Neen, ik doel op de ontluisterende uitkomst dat emdr zónder snelle oogbewegingen even effectief bleek te zijn als emdr mét oogbewegingen. Datgene wat emdr zo bijzonder maakt doet er dus totaal niet toe. Of zoals Salkovskis in een commentaar zo treffend verwoordde: ‘Wat nieuw is aan emdr is niet effectief en wat effectief is (de confrontatie, zoals ook bij cognitieve gedragstherapie) is niet nieuw.’

Ik moest een aarzeling overwinnen om dit stukje te schrijven. De patiënten die hun heil zoeken bij emdr zouden er de dupe van kunnen worden. Uit onderzoek weten we dat de therapeuten die zelf geloven in hun behandeling – om het even of het om praten of pillen gaat – aanzienlijk betere behandelresultaten behalen dan hun minder gelovige collega’s. Therapieën doen het daarom tijdens de jeugdjaren het beste: therapeuten en patiënten zijn dan nog niet bedorven door allerlei relativerende studies en commentaren. Maar emdr-adepten zullen zich door dit stukje vast niet van de wijs laten brengen, integendeel zelfs. Festinger’s theorie van de cognitieve dissonantie voorspelt immers dat juist de ‘die-hards’ nu nog fanatieker zullen vasthouden aan hun geloof.

Huub Buijssen
klinisch psycholoog NIP

 

Inzet traumaspecialisten bij opvang na rampen werkt averechts De Volkskrant 4 februari 2004

door Huub Buijssen

Sinds begin jaren negentig is het gebruikelijk om na elke ramp of heftige gebeurtenis (Bijlmer, Enschede, Volendam) meteen traumaspecialisten in te zetten voor het bieden van nazorg aan de slachtoffers. Zo ook weer na de moord op de conrector van het Terra-college. Het is echter de vraag of dat wel zo verstandig is. Talloze onderzoeken (onder andere bij de slachtoffers van de Bijlmer en ook bij die van de Twin Towers, waar voor elk slachtoffer vier counselors beschikbaar waren) en diverse meta-analyses hebben inmiddels aangetoond dat dergelijke specialistische hulp geen meerwaarde heeft in vergelijking met de steun van vrienden, collega’s, vrijwilligers en familieleden. Sterker nog, dat de specialistische hulp zelfs iatrogeen kan zijn en dat deze met name bij de psychisch meer kwetsbare personen (ca. een kwart van de bevolking), meer kwaad kan doen dan goed. Zo liet een studie naar de effecten van specialistische nazorg bij slachtoffers van verkeersongelukken zien dat deze zelfs drie jaar na het ongeluk meer klachten hebben dan degenen die niet deze hulp hebben gekregen Er zijn diverse verklaringen waarom opvang door specialisten geen meerwaarde heeft en voor sommige slachtoffers zelfs gevaarlijk kan zijn. Om te beginnen gaat van een dergelijke opvang impliciet de boodschap uit dat men ‘ziek’ is, dat er ineens iets mis is met het slachtoffer: ‘Anders komt er toch geen psycholoog of maatschappelijk werkende’. Wat een normale reactie is op een abnormale/heftige gebeurtenis wordt daarmee gemedicaliseerd. Plots is men een geval, voelt men zich een object. Zo krijgt het zelfvertrouwen dat door de gebeurtenis is aangetast, een extra knauw. Personen die niet of minder geschokt reageerden op de gebeurtenis, gaan óók twijfelen. ‘Ben ik misschien gevoelloos, ik hoor het toch moeilijk te hebben’. Ook de naaste omgeving die er vanuit gaat het slachtoffer te kunnen steunen, gaat twijfelen: ‘Om goed te kunnen steunen, moet je blijkbaar een speciale opleiding genoten hebben’. Het gevaar bestaat bovendien dat de naaste omgeving zich terugtrekt van het slachtoffer: ‘Hij is nu in goede handen’. Maar een terugtrekkende beweging van de omgeving is nu net het laatste wat het slachtoffer wil, want naast erkenning heeft hij in deze fase vooral behoefte aan echte compassie, echt medeleven. Deze kan een professional per definitie niet bieden, want deze staat te ver weg van het slachtoffer.

De tegenvallende effecten van debriefing door deskundigen (onder begeleiding van deskundige in groep praten over hetgeen men heeft meegemaakt), ontlokte traumadeskundige professor Gersons, hoogleraar psychiatrie aan de universiteit van Amsterdam, zelfs de uitspraak : ‘Als debriefing een medicijn was, dan zou je het uit de handel nemen, want de opvang door professionals blijkt in de praktijk minder effectief dan opvang in de natuurlijke omgeving.’ (AD van 30-3-1999).

Traumaonderzoek heeft ons geleerd dat vooral te snelle (binnen 24 uur), intensieve (meteen moeten praten over gevoelens) en langdurige opvang (langer dan een uur praten) niet zonder risico is. Het lijkt erop dat dit de blootstelling aan de traumatische ervaring juist verlengt en daarmee de kans op verstoorde verwerking vergroot. Collega-psychologe Cokkie Verschuren, die de opvang verzorgde aan de slachtoffers van SE Fireworks en de gegijzelden in de Amsterdamse Rembrandtoren, liet desondanks in de Volkrant van vorige week nog weten dat volgens haar ‘Praten,praten en nog eens praten’ de sleutel is tot verwerking ‘en dat zo snel mogelijk’.
Na een traumatische ervaring zijn mensen echter vaak de eerste uren, soms zelfs de eerste paar dagen, verdoofd. Dit is een gezonde reactie van het brein die ertoe dient om zo de klap gedoseerd te kunnen verwerken. In deze fase traumadeskundigen optrommelen voor het voeren van intensieve opvanggesprekken, kan zelfbeschermende en helende mechanismen afbreken en zo de natuurlijke verwerking verstoren. Daarbij komt dat na deze shockfase weliswaar voor velen praten de meest natuurlijke manier is om het psychotrauma te verwerken, maar niet voor iedereen. Sommigen willen liever eerst nog wat met rust gelaten worden om eerst voor zich zelf alles op een rijtje te zetten. Tussen mensen bestaan überhaupt grote verschillen in het aantal gesprekken of woorden dat men voor het verwerken nodig heeft.

Het is scholen, bedrijven en gemeentes niet aan te rekenen dat ze onmiddellijk na een ramp traumadeskundigen inschakelen. Ze willen gewoon de best mogelijk opvang en hen is door dezelfde traumadeskundigen voorgespiegeld dat dit niet zonder hen kan.

Waarom zeggen deze deskundigen dat ze onmisbaar zijn?
Op de eerste plaats komt dat doordat men tot ca. medio jaren negentig heeft gedacht dat voor opvang specialistische deskundigheid een vereiste is. Toen echter de ene na de andere studie aantoonde dat specialistische opvang geen toegevoegd effect had en geen bijdrage levert aan het voorkomen van posttraumatische stressstoornissen (PTSS) of andere verwerkingsstoornissen, is er in de praktijkvoering niets veranderd. Op congressen en in de media kom ik regelmatig collega-deskundigen tegen die niet op de hoogte zijn van de genoemde onderzoeken. Ook kom ik vaak deskundigen tegen die de uitkomsten van genoemde studies in twijfel trekken. Ze kunnen of willen er niet aan! Tenslotte zijn er ook deskundigen – en onder hen zijn niet de minste – die de resultaten van de studies weliswaar niet betwisten, maar zeggen dat effectiviteit niet de enige of zaligmakende uitkomstmaat van een interventie is of mag zijn. Ze vinden tevredenheid van de slachtoffers (over de geboden nazorg) een minstens even belangrijk criterium. Het valt niet te ontkennen dat de slachtoffers in meerderheid erg tevreden zijn over geboden hulp, maar deze tevredenheid kan ook op andere wijze worden gerealiseerd. Bovendien geldt ook voor traumaopvang het grondbeginsel van iedere geneeskunde: primum nil nocere (‘eerst en vooral geen schade toebrengen’).
Dat traumadeskundigen nog steeds hun diensten aanbieden en op hun websites garanderen binnen 24 uur na de ramp beschikbaar te zijn, heeft tenslotte en niet in de laatste plaats natuurlijk ook met geld te maken. Traumahulpverlening is ook business, een industrie geworden. Geen traumaspecialisten dus meteen na de ramp, maar hoe de opvang dan wèl te verzorgen en te bewerkstelligen dat de getroffenen tevreden zijn over de nazorg?
Welnu, in plaats van (vreemde) mensen van buitenaf te vragen, bij wie mensen zich niet vertrouwd en veilig voelen, kan men het beste de opvang zelf ter hand nemen en inbedden in de eigen organisatie. Een school of bedrijf kan een paar eigen werknemers een spoedcursus van een paar dagen laten volgen over de basisprincipes van collegiale opvang. Als zich een drama voltrekt, kunnen zij, in plaats van externe deskundigen, een voortrekkersrol vervullen in de opvang. De principes van opvang zijn immers gemakkelijk en snel aan te leren, te weten: ga eerst na of praktische hulp nodig is en probeer deze te bieden, geef zo veel mogelijk concrete informatie over de ramp (zeg ook wat men nog niet weet), geef psycho-educatie of voorlichting over traumaverwerking (met als centrale boodschappen dat een heftige reactie nu normaal is, dat een ieder zijn eigen manier en tempo van verwerken heeft, dat men mensen die niet (meteen) willen praten, niet daartoe moet dwingen, dat opvanggesprekken niet te lang mogen duren en dat men niet te snel moet stimuleren over gevoelens te praten). Probeer ook het thuisfront van de slachtoffers te mobiliseren bij het bieden van steun, leer welke mensen verhoogd risico lopen om de klap niet goed te verwerken en op wie men daarom extra moet letten, zorg voor erkenning van slachtofferschap (bijvoorbeeld door de directie of andere hoog geplaatsten in een vroeg stadium contact te laten opnemen met de slachtoffers) en leer hen ook dat de sleutel tot verwerking niet is: ‘praten, praten, praten’, maar een afwisseling van praten en ‘je kop in het zand steken’. Wat het laatste principe betreft: de verwerking van een psychotrauma of geestelijke wond zou men kunnen vergelijken met het revalideren na een lichamelijke blessure. Hierbij komt het immers aan op afwisselend (!) zich inspannen – en daarbij de eigen pijngrens in acht nemen – om daarna weer te rusten.

Concluderend: opvang dient liefst zo bescheiden en sober mogelijk te zijn, niet alleen wat betreft het inschakelen van deskundigen (hooguit als vraagbaak op de achtergrond), maar ook wat frequentie, intensiteit en duur van opvanggesprekken. En vooral ook: bij voorkeur door de eigen omgeving van de slachtoffers. Opvang is immers op de eerste plaats: compassie of (in het Duits: Mitgefühl) laten blijken en zo tevens erkenning bieden voor slachtofferschap.

Drs Huub Buijssen, klinisch psycholoog NIP, directeur Buijssen Training en Educatie en co-auteur van Lesje geleerd? Zelfhulp en collegiale steun bij traumatische ervaringen. Een gids voor docenten voortgezet onderwijs.